Hannie Schaft geëerd met planetoïde

•januari 23, 2008 • Laat een reactie achter

Kleine planeet vernoemd naar verzetsvrouw

Planetöide nummer 85119 draagt voortaan de naam Hannieschaft. Het circa twee kilometer grote planeetje is op voordracht van Loes Timmerman en Carl Koppeschaar vernoemd naar de Haarlemse verzetsvrouw, die drie weken voor het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werd doodgeschoten. De vernoeming is op 22 januari 2008 door de Internationale Astronomische Unie (IAU) bekrachtigd.
Kleine planeten zijn rotsachtige objecten die voor het merendeel bewegen in banen om de zon, gelegen tussen de banen van de planeten Mars en Jupiter. Planetoïde (85119) Hannieschaft doet twee jaar en bijna acht maanden over een volledige omloop. De gemiddelde afstand van het kleine planeetje tot de zon bedraagt 286 miljoen km. Ter vergelijking: de afstand van de aarde tot de zon bedraagt 150 miljoen km. Planetoïde (85119) Hannieschaft werd in 1972 ontdekt door de Amerikaanse astronoom van Nederlandse afkomst Tom Gehrels.
Een bijzonderheid van de baan van (85119) Hannieschaft is dat het planeetje dichter bij de zon kan komen te staan dan Mars. Die situatie doet zich voor als Mars zich in zijn elliptische baan het verst van de zon bevindt en (85119) Hannieschaft in haar elliptische baan het dichtst bij de zon. Mars staat ook wel bekend als de ‘Rode Planeet’. Het is dus een zeer toepasselijke coïncidentie dat de planetoïde voor het ‘meisje met het rode haar’ tot de klasse van de zogenoemde Mars-kruisers, of ‘Mars-crossing Asteroids’ wordt gerekend.
Hoewel zo’n 15.000 van de thans (stand op 19 december 2007) 173.116 genummerde planetoïden tegenwoordig een naam dragen, gebeurt het niet zo vaak dat Nederlanders een dergelijk hemellichaam naar zich vernoemd krijgen. In totaal zijn nu bijna 300 van de 15.000 van een naam voorziene planetoïden vernoemd naar bekende Nederlanders, Nederlandse steden, sterrenwachten, romanfiguren en andere Nederlandse zaken. Tegelijkertijd met Hannie Schaft werd planetoïde (12151) naar Willem van Oranje . Hannie Schaft bevindt zich voortaan in een select gezelschap van Nederlandse wetenschappers, ontdekkingsreizigers, schrijvers en anderen wier namen reeds eerder op deze manier zijn vereeuwigd in het zonnestelsel.

Levensloop

Jannetje Johanna Schaft, roepnaam ‘Jo’ en beter bekend als Hannie Schaft, werd geboren in Haarlem als dochter van de leraar op de Rijkskweekschool Pieter Schaft en Aafje Talea Vrijer. Haar moeder was doopsgezind en haar vader voelde zich sterk verwant aan de SDAP. Ze volgde de HBS en ging in 1938 rechten studeren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Schaft raakte bevriend met haar joodse medestudentes Philine Polak en Sonja Frenk (zij zaten later beiden tijdens de oorlog bij Hannies ouders ondergedoken). Hierdoor voelde ze zich toen de Tweede Wereldoorlog begon persoonlijk geraakt door de discriminatie van de joden. Nadat ze als student had geweigerd de loyaliteitsverklaring te tekenen, trok ze weer bij haar ouders in. Ze nam steeds actiever deel aan het verzet en hielp onderduikers met gestolen bonkaarten en persoonsbewijzen. Haar schuilnaam werd Hannie en haar bijnaam ‘het meisje met het rode haar’. Uiteindelijk sloot ze zich aan bij de Raad van Verzet (RVV), een organisatie die door haar nauwe banden met de CPN door andere verzetsbewegingen sterk werd gewantrouwd. Samen met Truus en Freddy Oversteegen pleegde ze verschillende aanslagen op Duitsers, collaborateurs en landverraders. Ze was veelal actief in de Zaanstreek.

Op 8 juni 1944 pleegde ze te Heemstede samen met verzetsstrijder Jan Bonekamp een aanslag op de NSB’er en banketbakker Piet Faber. Hij overleed zes dagen later. Bekend is de succesvolle aanslag op de Zaandamse politiecommissaris Willem Ragut op 21 juni 1944, waarbij Jan Bonekamp dodelijk gewond raakte. Op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) mislukte een aanslag van Hannie Schaft en Jan Heusdens op politieagent Willemsen. Hannie Schaft en Truus Oversteegen waren van plan om Fake Krist op 25 oktober 1944 te liquideren, maar andere Haarlemse verzetsstrijders waren hen voor.

Hannie Schaft leerde vloeiend Duits spreken en papte aan met Duitse soldaten. Hierdoor werd ze door sommige verzetslieden beschouwd als een verrader. Nadat een subafdeling van de RVV in Velsen zonder toestemming van hogerhand een boer vermoordde, bracht ze met twee andere vrouwen een lijst met de daders naar haar leiders. Later werden de personen die hier op stonden verraden aan de Sicherheitsdienst, waardoor ze een gewisse dood tegemoet gingen. Zelf heeft ze waarschijnlijk niet geweten wat de gevolgen waren van haar actie. Na de oorlog is deze affaire door een speciale onderzoekscommissie grondig onderzocht.

Op 1 maart 1945 werd NSB-agent van politie Willem Zirkzee door Hannie Schaft en Truus Oversteegen doodgeschoten. Dit vond plaats ter hoogte van het Krelagehuis aan de Leidsevaart in Haarlem. Op 15 maart pleegden Hannie Schaft en Truus Oversteegen een succesvolle aanslag op Ko Langendijk. Deze succesvolle kapper uit IJmuiden was voor de Sicherheitsdienst gaan werken. Een eerdere aanslag op hem door Jan Bonekamp was mislukt.

Arrestatie en executie

Schaft werd door de Duitse bezetter gehaat, omdat ze aan het einde van de oorlog nog allerlei in hun ogen zinloze aanslagen pleegde. Ze werd op 21 maart 1945 bij een wegversperring aan de Haarlemse Jan Gijzenkade (bij de Mauermuur) gearresteerd toen ze illegale bladen en een wapen bij zich bleek te hebben. Op het politiebureau van Haarlem ontdekten de Duitsers met wie ze van doen hadden. Het is Emil Rühl geweest die Hannie Schaft vanuit Haarlem naar het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg te Amsterdam heeft gebracht. Hoewel aan het einde van de oorlog een akkoord bestond tussen de bezetters en de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) om geen vrouwen om te brengen, werd Schaft drie weken voor het einde van de oorlog (op 17 april 1945) in opdracht van Willy Lages gefusilleerd in de duinen bij Bloemendaal.
Op 27 november 1945 werd haar stoffelijk overschot herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal te Overveen. Koningin Wilhelmina, prinses Juliana en prins Bernhard waren hierbij aanwezig. Voor haar strijd tegen de nazi’s kreeg Schaft het Verzetskruis 1940-1945 en een speciale Amerikaanse onderscheiding.

Changing fortunes

•januari 19, 2008 • Laat een reactie achter

Rutger Hauer wil leven Walraven van Hall verfilmen

Ondanks financiële tegenslag wil Rutger Hauer nog altijd de speelfilm ‘Changing fortunes’ maken en zo het (verzets-)leven van Zaandammer Walraven van Hall vastleggen op celluloid. “De film is een getuigenis over een individu dat de wereld daadwerkelijk kan verbeteren en het toont hoezeer hij zich wil opofferen om deze verbetering te realiseren”, aldus Hauer in het Noordhollands Dagblad van 16 juni 2006.

De plannen voor deze internationale, Engelstalige productie bestaan al vele jaren, maar liepen vertraging op als gevolg een zich terugtrekkende financier en problemen met het filmscript. Aan dat laatste wordt nog steeds geschaafd en acteur Hauer is nu op zoek naar alternatieve financieringsbronnen. In het blad De Pers van 17 januari 2008 zegt hij: “Ik wil bewijzen dat het anders kan, eerlijker verdeeld. Ik ga mensen zoeken die bij elkaar horen en voor niets willen werken. Ik verfilm een verhaal omdat ik dat mooi vind, ik betaal jou een beetje om daar bij te helpen en dan betaal ik je later meer – als de film ook echt iets opgeleverd heeft. Het komt er gewoon op neer dat iedereen meer verantwoordelijkheid en een stem heeft. Ik zie niet in waarom dat niet kan. (…) Ik heb nog een voorzet nodig. Een financiële voorzet. Maar ik ben niet bang om te wachten. Ik heb geduld.”  

Rutger Hauer met de in 2007 overleden verzetsman Erik Hazelhoff Roelfsema

De arrestatie van Jaap Buijs

•januari 14, 2008 • Laat een reactie achter

Verzet tot het laatst

De Zaandamse houthandelaar Jacob Buijs behoorde tot de top van zowel het Zaanse als het landelijke verzet. Ruim vier jaar lang weet hij de bezetter om de tuin te leiden, maar in de ochtend van 12 januari 1945 valt de Sicherheitsdienst binnen op het adres waar een vergadering plaatsvindt van de Stichting 1940-1945. Jaap Buijs hield een dagboek bij over zijn zware tijd in de gevangenis. Zijn -ongecorrigeerde- verslag van de eerste maand in eenzame opsluiting (hij zat vast tot de bevrijding van Nederland) staat hieronder.

12/1 Hadden een vergadering ter voorbereiding van de stichting 1940/1945. Deze verg. was uitgeschreven ’s morgens 10 uur ten huize van een advocaat aan de Z. Amstellaan te A’dam. 10 1/2 uur kwam deze advocaat zeggen dat de gestapo aan de deur stond. In paniek trachtte ieder een kant uit te komen. Ik realiseerde mij toen ik achter het huis ook Duitsche stemmen hoorde dat het huis was omsingeld en bracht vlug wat belastende papieren in veiligheid achter een centrale verwarming. Smallenbroek, v. Namen en ik werden gearresteerd. De advocaat (die onze adviseur was) Gillieron en Hugo waren ontkomen. Om 11 1/2 uur werden wij ingesloten in het huis van bewaring aan de Weteringschans. Ik werd ingesloten in cel 18A1 een zeer donkere en ellendige cel. ’s Avonds verhoord door Fiebahn. Toen hij er niet in slaagde een bekentenis los te krijgen en ik geen namen wilde noemen stoof hij op mij af en met z’n gezicht vlak voor het mijne beet hij mij toe dat als ik niet onmiddellijk bekende hij vanaf 10 uur zijn maatregelen zou nemen. Hij zou mijn huis in de lucht laten vliegen en vrouw en kinderen arresteeren. Ik antwoordde hem dat ik dit dan zou moeten aanvaarden, hij had nu eenmaal die macht, maar daarom kon ik geen dingen zeggen waarvan ik niets afwist. Hij wuifde met z’n hand en zei, We krijgen je wel klein vriend dat lukt ons bij iedereen. Terug in mijn cel streek ik bij toeval langs mijn jas, hoorde iets kraken en ontdekte dat drie brieven, die sterk belastend waren en die ik in een bepaalde prop gedraaid in een notaris-zak bij mij had om ze ’s morgens op een “Kern”vergadering te gebruiken door de kerel die ons visiteerde over ‘t hoofd waren gezien. Dit was een opluchting daar ik verder niets bij mij had dat belastend kon werken. Ondanks dit bofje had ik een beroerde nacht uit angst voor wat ze thuis zouden doen. Ik heb deze briefjes in propjes gedraaid en in de luchtrooster weggewerkt.
14/1 Uit mijn cel gehaald, moest tegen de muur staan maar werd toen zonder meer weer teruggebracht.
19/1 Opnieuw uit mijn cel gehaald. Thans werd ik door een zekere Rühl langdurig en zeer scherp verhoord. Ik had echter de tijd gehad om na te denken wat ik zou zeggen en hij kwam dan ook niets bijzonders te weten. Tenslotte werd hij razend en beet mij toe: Je dacht zeker je vrienden te sparen, maar die hebben we spoedig genoeg te pakken ook je vriend v. Hall. We weten waar ze vergaderen en dan spreken we elkaar wel nader. Ik gaf hier geen antwoord op, waarop hij zei: Ga maar eerst weer een 14 dagen naar je donkere celletje dan kom je wel bij. Door de onmacht om ze te waarschuwen raakte ik in een moedeloze bui en kon niet meer slapen.
(Later is mij gebleken dat 26 Jan. Hugo is gepakt die helaas zoo slap is geweest om de vergadering die v. Hall Nieuwenhuis en anderen 27/1 zouden houden te verraden waardoor ze 28/1 zijn opgepakt.)
(Ongedateerd) Plotseling werd 28 januari de bewaking zeer streng. De wachtmeesters liepen zwaar bewapend rond en machinegeweren waren in de gangen opgesteld. Ook honden liepen rond. Dit hoorde ik door medegevangenen aan elkaar vertellen. Daar ik nooit gelucht werd heb ik het zelf niet gezien. Ze vreesden, zoo zeiden ze dat de gevangenis zou worden overvallen. Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens een stroozak zoo goed als zonder stroo op de steenen vloer. Bovendien geen licht.
2/2 Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn groote ontsteltenis kwam Wallie tussen 2 D. wachtmeesters mijn cel binnen. Hij werd er meteen weer uitgeleid. Of dit opzet of een vergissing was weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en hij werd daarin opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad verstond ik dat niet. Hij kwam toen met z’n mond voor de spleet van z’n raam, riep mij op en vertelde dat hij 27/1 was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht. Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zoo’n smerige cel zit. Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ’s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen met elkander tikkend gesproken. Ik was toen zoo moe door de inspanning dat ik voor ‘t eerst vast heb geslapen.
3/2 Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wallie buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest. Ik werd daarna zeer langdurig door Rühl verhoord. R. werd woedend dat ik niets bekende.
4/2 Weer opnieuw verhoord, ik moest de grofste dreigementen verwerken.
5/2 Dito.
6/2 Stien jarig. Veel te verwerken zoo’n dag. ’s Middags uit mijn cel gehaald, weer tegen de muur geplaatst met anderen die ik niet kende. Deze werden weggevoerd en ik werd naar de cel teruggebracht.
7/2 8/2 Bitter koud, eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8e zeer somber was en veel steun nodig had daar ze alles van hem wisten ook dat hij v. Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt vertroosten door dat koude tikken je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft.
(Later bleek dat Hugo een tekening van de illegaliteit had gemaakt 6/2 door hem ingeleverd en alles had verraden. De rotvent!)
9-2: Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wallie besproken die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tusschen te zijn waardoor dit niet zou gebeuren. ‘t Was gek maar er zat een zekere troost in dat Wallie nu niet alleen die ellende doormaakte maar jezelf ook onder dezelfde druk leefde.
(‘t Zat als volgt: Lom had gezegd ons wel te willen verraden mist wij niet gefusilleerd werden. Fiebahn en Rühl wilden die belofte houden. Lages niet toen bleek wie we waren.)
10/2 Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ’s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat v. Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans weer alles ontkend.
(In Scheveningen heb ik aan Hugo gevraagd of dit waar was. Hij ontkende dit heftig. Later bleek het echter volkomen waar te zijn.)
11-2: Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en van Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wallie te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kernvergaderingen op die hij op een lijstje had.
(Hugo!!)
12-2: Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wallie werd 2x achter elkaar uit zijn cel gehaald. De 2e keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wenschen op voor toezicht op zijn kinderen enz. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zooveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij geeneens wilde vragen omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Halfvier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreeselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barsche bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.
(Later gehoord dat hij in Haarlem is gefusilleerd o.a. met W. Speelman en Nieuwenhuis)

cac1av45.jpg

Jaap Buijs en echtgenote

Voorpublicatie ‘Vrijgevochten’

•januari 13, 2008 • Laat een reactie achter

Boek over Zaans verzet in nationaal perspectief bijna klaar

IJs en weder dienende verschijnt over enkele maanden mijn boek over de betekenis van het Zaanse oorlogsverzet binnen de Nederlandse illegaliteit. Aan de hand van zes Zaanse verzetsstrijders van nationaal belang (Remmert Aten, Dré Ausems, Piet Bosboom, Jaap Buijs, Jan Eikema en George Jambroes) wordt in de publicatie met de werktitel ‘Vrijgevochten’ een beeld geschetst van de belangrijke rol die de Zaanse illegaliteit tussen 1940 en 1945 speelde. Hieronder een voorpublicatie uit het inleidende hoofdstuk.

De Zaanstreek is tijdens het interbellum een links en weerbarstig bolwerk. Al in 1933, het jaar van Hitlers machtsovername, neemt de Zaandamse raadsmeerderheid een motie aan van de Onafhankelijke Socialistische Partij om ‘bij eventuele aankoop van goederen Duitse waren te boycotten, in verband met het in Duitsland heersende regime’. Het besluit is een unicum in Nederland, maar tekent de sfeer in dit stukje Noord-Holland. De Nationaal Socialistische Beweging krijgt dan ook in de regio nauwelijks voet aan de grond. Waar de partij van Anton Mussert bij de Provinciale-Statenverkiezingen van 1935 -electoraal gezien haar meest succesvolle jaar- landelijk gemiddeld bijna 8% van de stemmen binnenhaalt, blijft ze in de Zaanstreek steken op 1,6% (Assendelft) tot 4,9% (Wormerveer). Alleen Oostzaan scoort met 6,2% redelijk hoog. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van datzelfde jaar halen de progressieve partijen als vanouds een meerderheid in de meeste Zaanse gemeenteraden, een situatie die zich in 1939 herhaalt.
De rode Zaanstreek is de bezetter een doorn in het oog. Diverse keren beklagen nationaal-socialistische gezagsdragers en uitvoerders zich over de regionale eigenzinnigheid. Wanneer de Limburgse ondernemer Peter Meulenberg, verantwoordelijk voor het roven van de Nederlandse kerkklokken ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie, verneemt dat de Zaandamse werknemers ‘vrijwel allen communistisch georiënteerd’ zijn, geeft hij opdracht om ‘alle arbeiders uit deze en omliggende plaatsen woonachtig direct te ontslaan’. Hij weet zich daarbij gesteund door de autoriteiten. Hanns Albin Rauter zal na de oorlog verklaren ‘dat de gehele Zaanstreek in zeer sterke mate opviel door communistische acties’. En Provinciecommissaris Albert Backer geeft Van Ravenswaays opvolger Vitters bij diens installatie als burgemeester van Zaandam de opdracht om ‘het arbeidende deel der Zaandamse bevolking (…) te verlossen van de marxistische waan van de klassenstrijd’. “De Zaanstreek is een bijzondere streek en de bevolking, zoals men zegt, zeer moeilijk”, legt hij Vitters uit. Het is een vaak geuite nationaal-socialistische klacht over de Zaanstreek, en met name over Zaandam. Van Ravenswaay verblijft wat langer in Zaandam en ziet het probleem in breder perspectief dan zijn superieuren Rauter en Backer. Ook hij voelt zich gehinderd door streekgenoten die ‘communistisch georiënteerd’ zijn of last hebben van ‘de marxistische waan’, maar niet alleen zij bezorgen overlast. In een brief aan Backer beklaagt de burgemeester zich over het algemeen heersende gebrek aan medewerking. “Dan stuit men inderdaad onmiddellijk op bezwaren, die voortvloeien uit de onwelwillende mentaliteit, althans [een] verkeerd inzicht, zoals dit bij ons volk, en dat van Zaandam in het bijzonder, helaas overheersend is en de goede bedoelingen van de bezettingsmacht miskent.”
Het zijn inderdaad niet alleen de gestaalde aanhangers van Marx, Engels en Lenin die dwarsliggen. Ten eerste is daar de machtige Sociaal Democratische Arbeiders Partij, verreweg de grootste politieke partij rond de Zaan. Alleen al de afdeling Zaandam telt naar eigen zeggen eind 1939 1050 leden. Een flink aantal van hen pleegt tussen 1940 en 1945 verzet, veelal gestimuleerd door het partijkader. De anarchistische stroming is eveneens sterk vertegenwoordigd binnen het regionale verzet. De socialisten, communisten en anarchisten zijn representanten van de buitenkerkelijke stroming. Nergens in Nederland, en waarschijnlijk zelfs in Europa, ligt het percentage a-religieuzen zo hoog als in de Zaanstreek. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de illegaliteit wordt gedomineerd door vrijdenkers en radicaal-progressieve vertegenwoordigers. Het katholieke bevolkingsaandeel bedraagt in de Zaanstreek ongeveer 15%. In de vooroorlogse jaren maakt de katholieke arbeidersbeweging hier zich los van het behoudende bisdom in Haarlem. Ze doorbreken de verzuilingsgedachte en hun organisaties werken samen met andersdenkenden, zodoende de geboden van hun dogmatische bisschop negerend. Die open houding leidt na de Nederlandse capitulatie tot nauwe banden met de verschillende bloedgroepen binnen de illegaliteit. Onder leiding van de Zaandamse kapelaan Gerrit Groot ontstaat eind 1940 een zeer intensief opererende verzetsgroep die honderden onderduikers verzorgt. Zijn Rooms Katholieke Centrale slaagt er tevens in om de verzetskrant De Typhoon uit te brengen. Het blad heeft in de hongerwinter een oplage van 30.000 stuks en wordt ook buiten de eigen regio gretig gelezen. In de laatste oorlogsfase vestigt de leider van de Binnenlandse Strijdkrachten in Noord-Holland, Johan Wastenecker, zijn hoofdkwartier in de pastorie naast Groots kerk.
Ook de wat kleinere gereformeerde bevolkingsgroep slaagt er in een verzetsbeweging van bovenlokaal belang op te zetten, met name in Zaandam en Wormerveer. De anti-revolutionair Willem Brinkman wordt in april 1943 provinciaal leider van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO), Nederlands grootste verzetsorganisatie. Na een inval in Brinkmans Zaandamse woning, waar hij en zijn vrouw een joods meisje verbergen, neemt stadgenoot Klaas Pos die functie over. Tot aan hun arrestatie in oktober 1943 worden er onder aanvoering van Brinkman en Pos bijna honderd joden en een veelvoud aan niet-joden ondergebracht op schuiladressen in met name de Zaanstreek en West-Friesland. Vanaf augustus 1944 geeft Zaandammer Kees Kraay leiding aan de Noord-Hollandse LO. In Wormerveer zijn het de gereformeerden Henk Toby en Jaap Boot die ook buiten de eigen regio van grote betekenis zijn. Ze raken in een vroeg stadium betrokken bij de productie en distributie van Vrij Nederland en Trouw, een tijdlang de grootste illegale krant van Nederland. Verder onderhouden ze contacten met een Zaans netwerk van gereformeerde en doopsgezinde drukkers en clichémakers, die tienduizenden valse persoonsbewijzen, stempels en andere ondermijnende producten over het land verspreiden.
De hiervoor vermelde namen kunnen worden aangevuld met flink wat andere Zaankanters die provinciaal, nationaal en zelfs internationaal niveau een rol spelen in de strijd tegen de nazi’s. Zo hoort de doopsgezinde socialist Cor Inja zeker thuis in de rij met ‘prominenten’. Nadat hij met zijn joodse echtgenote Ellen Weijl een onderduikadres heeft gevonden, reist hij het land af om geld in te zamelen, joodse kinderen naar veilige plekken te brengen en schuiladressen te regelen voor tal van vervolgden. Via de Werkgemeenschap van Doopsgezinden en Geestverwanten verzorgt het echtpaar ‘niet-arische christenen’ en Duitse gemengd gehuwden. Vanaf 1943 sturen ze duizenden levensmiddelenpakketten naar concentratiekampen in binnen- en buitenland. De financiën en goederen voor hun illegale arbeid worden veelal ter beschikking gesteld door doopsgezinde fabrikanten in de Zaanstreek, met name de families Verkade en Honig.
Van een geheel andere orde is het werk dat geheim agenten verrichten. Twee van de 180 Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Groot-Brittannië als geallieerd agent naar Nederland terugkeren komen uit Zaandam (George Jambroes en Maarten Cieremans), één uit Zaandijk (Andreas Ausems). Een vierde, Jan Emmer, komt oorspronkelijk uit Wormer, maar woont daar niet meer als hij in 1941 naar Engeland vertrekt. Alle vier worden ze door de regering in ballingschap uitgezonden met opdrachten die van belang zijn voor heel Nederland. Veel geheim agenten ontmoeten in de weken voor de afsprong boven vaderlands grondgebied Seymour Bingham. Tot kort voor de Duitse inval woont deze Engelsman op de Zaandamse Provincialeweg en werkt hij bij Bruynzeel. Hij slaagt er in om tijdig naar zijn vaderland te ontkomen en bouwt vervolgens in Londen een carrière op bij verschillende inlichtingendiensten. In die hoedanigheid is hij nauw betrokken bij het door geheimen omgeven Englandspiel. Bingham klimt op tot hoofd van de Secret Operations Executive-Dutch section, dat agenten parachuteert in Nederland. Van hen komen er 54 om het leven als gevolg van verraad en -waarschijnlijk- dubbelspel, onder wie Jambroes en Emmer. In het geval van Bingham krijgt de strijd tegen de nazi’s dus een wrange bijsmaak.
De Zaanse aversie tegen de Duitsers is zichtbaar door de inzet van individuen, maar ook in financieel en materieel opzicht. Er bestaat bijna geen ondergrondse organisatie van enig formaat die niet profiteert van Zaanse goederen. Het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen is de eerste oorlogsjaren hofleverancier van het gewapend verzet. Diverse Zaanse drukkerijen en aanverwante firma’s maken op grote schaal valse Ausweisen, stempels en etensbonnen. De overvloedig aanwezige voedselindustrie aan de boorden van de Zaan voorziet tienduizenden onderduikers en illegalen van levensmiddelen, vaak zonder daarvoor een vergoeding te vragen. En het Nationaal Steunfonds, de alom tegenwoordige spaarbank van de illegaliteit onder leiding van Walraven van Hall, ontvangt via Zaanse bedrijven en particulieren meer dan ƒ1,5 miljoen aan leningen, zo’n 4% van het bestede totaalbedrag.

scan10004.jpg

Zaandammer George Louis Jambroes in Londen, 1942

Monument voor Walraven van Hall

•januari 13, 2008 • Laat een reactie achter

Zaanse verzetsman vereeuwigd in Amsterdam 

In februari 2009, 103 jaar na zijn geboorte, krijgt de Zaandamse verzetsman Walraven van Hall een monument op het Amsterdamse Frederiksplein. Het komt naast het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank, de instelling waar Walraven en zijn broer Gijs tijdens de oorlog ruim vijftig miljoen gulden aan waardepapieren wisten te ontvreemden. Het geld kwam ten goede aan het Nederlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Voor het beeld is een bedrag van €250.000,- beschikbaar. Het geld komt van een aantal Nederlandse banken, waaronder de DNB en ABN Amro. In het comité van aanbeveling van de stichting die het beeld mogelijk maakt zitten de nodige bankprominenten; mensen als Wim Kok, Onno Ruding, Herman Wijffels en Nout Wellink.

Vier kunstenaars zijn benaderd om een ontwerp te maken. Het zijn Job Koelewijn, Annet van der Elzen, Liet Heringa/Maarten van Kalsbeek en Fernando Sanchez Castillo. Een gemeentelijke commissie maakt binnenkort een keuze uit de aangeboden werken.

can6wjn5.jpg

De Stichting Monument voor Walraven van Hall werd op 10 februari 2006 opgericht, de honderdste geboortedag van Van Hall. Die dag werd in het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank het boek ‘Walraven van Hall. Premier van het verzet’ gepresenteerd. Op de foto van links naar rechts de gelijknamige kleinzoon van Walraven van Hall, DNB-directeur Nout Wellink en auteur Erik Schaap. 

De zoektocht van de Nederlandse Unie

•januari 12, 2008 • Laat een reactie achter

Unie-afdeling Zaandam ligt dwars

Al snel na de bezetting van Nederland begon de Duitse machthebber met het verbieden en inkapselen van politieke partijen. Als reactie daarop ontstond er in juni 1940 een nieuwe partij, de Nederlandse Unie. De Unie schipperde in haar korte bestaan tussen loyaliteit aan de bezetter en de roep om een onafhankelijk vaderland en groeide uit tot de grootste politieke partij ooit. Voorzitter van de Zaandamse afdeling werd Walraven van Hall, die later zou uitgroeien tot de spin in het web van het nationale verzet.
Onderstaande tekst is een fragment uit mijn in 2006 verschenen boek ‘Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945)’.

Op 17 mei 1941 opent het ‘Voorlopig Plaatselijk Comité-Zaandam’ een Uniehuis in het stadscentrum, op de Gedempte Gracht. Voorzitter Van Hall houdt een toespraak, ‘waarin hij uiting gaf aan zijn dankbaarheid jegens de leden, die zich bijzonder beijverd hebben om het Uniehuis zo keurig in te richten en waarin hij uitsprak dat vanuit dit huis een grote actie tot ledenwerving zou kunnen beginnen, omdat het thans bereikte aantal van duizend leden voor Zaandam nog veel te gering is’. De winkel is dagelijks geopend. In een achterzaal kan worden vergaderd. Ook gaat er een afdeling voor sociale zaken van start. Van Hall ontvangt de Unie-oprichters Einthoven (in juni) en De Quay (eind augustus) in de winkel. Daar spreken de twee leiders hun achterban toe. De Zaanstreek is een dwarse regio. Linkser dan gemiddeld, en daarmee vaker geneigd om zich af te zetten tegen de Duitsers en hun handlangers dan de landelijke Unieleiding lief is. In het provinciale partijblad verschijnt daarom in mei 1941 een mededeling die, zoals zo vaak bij de Nederlandse Unie, een dubbele boodschap in zich heeft. “De Zaan is een district met uithoudingsvermogen en energie. Het gaat moeilijk in de Zaan. De trouw en aanhankelijkheid aan vroegere organisaties is uiteraard een onmiskenbaar goed. Daarom is ons Uniewerk er niet gemakkelijk, maar daarom niet minder mooi. (…) Het parool voor de Zaan moet zijn: de aanhouder wint! Uw moeilijke werk zal beloond worden.” De boodschap valt te lezen als een steunbetuiging aan het Zaanse Uniebestuur, maar ook als een aanmoediging om de dwarse achterban in toom te houden. De werkzaamheden verlopen ook in een ander opzicht niet gladjes. Secretaris Jaap Buijs moet het gewestelijk secretariaat al snel berichten dat de Grüne Polizei af en toe de voorraad Uniekranten in beslag neemt’. De inhoud ervan wordt te kritisch bevonden. In de weekrapportage van begin augustus schrijft Buijs: “Wij hebben een inval gehad in de winkel. Resultaat nihil.” Eind augustus: “Door deze berichten wij u dat in de nacht van zaterdag op zondag in onze winkel de deur is opengetrapt, de etalage is vernield, de etalagekast zwaar is beschadigd, brochures en afstandskaartjes zijn meegenomen en de offerbus is gestolen.” Er is één troost, aldus een mededeling in een hoek van het briefpapier: “Schade wordt vergoed door de gemeente Zaandam, volgens telef. mededeling van hr. v. Hall.”

Contraproductief 
Het machtsmisbruik van Grünen en NSB werkt contraproductief op Buijs en Van Hall. Maar geven zij gehoor aan de oproep van het driemanschap om zich niet in te laten met illegale activiteiten? Het lijkt er bepaald niet op. De twee Zaanse vrienden missen zelfs het kleinste stukje affiniteit met de bezetter en van loyaliteit kan geen sprake zijn. Een voorbeeld uit december 1940 maakt dat al duidelijk. Die maand gaat er een kettingbrief door ambtelijk Nederland. Enkele zinnen daaruit: “Waarschijnlijk zal aan ons binnenkort een verklaring voorgelegd worden van ongeveer de volgende inhoud: Sympathiseert gij met de NSB of haar beginselen, staat gij daar neutraal tegenover of is zij u antipathiek? Indien ieder die de NSB antipathiek is daar rond voor uitkomt, doen zij ons niets. In Den Haag is onder de desbetreffende ambtenaren afgesproken dat zij hun naam onder laatstgenoemde vraag (dus anti) zullen plaatsen.” De anonieme brief vervolgt met het verzoek om tegen de NSB te ageren en de oproep aan vijftien collega’s door te geven. Namens het plaatselijk Uniebestuur schrijft Jaap Buijs aan het gewestelijk secretariaat: “Waar ik heden van een ambtenaar vernam dat velen ‘neutraal’ willen invullen als een in de circulaire bedoelde enquête komt, is mijn vraag of het niet goed zou zijn als ons blad hierover ook een oordeel gaf. Immers, wanneer werkelijk deze vragen worden gesteld, zou het een ramp zijn als men uit lafheid in grote meerderheid ‘neutraal’ opgaf.” Om zijn weerzin tegen de zwarthemden van Anton Mussert nog eens te benadrukken, heeft Buijs de laatste zin stevig onderstreept. Secretaris Aberson probeert hem gerust te stellen: “Er bestaat geen gegronde aanleiding te veronderstellen dat er werkelijk een dergelijke verklaring van NSB-zijde aan alle ambtenaren zal worden voorgelegd.”
Een ander voorbeeld van de Zaandamse weerstand is de boodschap van Buijs aan het secretariaat ‘liever geen loten voor de Winterhulp te willen verkopen’. “Van de verkoop mag niets worden verwacht”, geeft hij als reden op.

Verzet 

Als Tonny Eggink vroeg in dat eerste oorlogsjaar zijn vriend ‘Wally weer ontmoet, is die vol vuur over de vijand, zoekend naar middelen om zich verdienstelijk te kunnen maken’. Met enige regelmaat stuurt de landelijke Unieleiding haar onvermoeibare propagandist voor Noord-Holland, Hemmo Leeuw, naar Zaandam. Ten huize van de Van Halls adviseert dit voormalige SDAP-raadslid over de partijactiviteiten en licht hij desgewenst de artikelen toe die in het landelijke partijblad De Unie verschijnen. Al snel komen er ook andere zaken ter sprake, zoals het vervalsen van persoonsbewijzen. Leeuw zal uiteindelijk, net als Walraven en diens broer Gijs, eerst met behulp van de Nederlandse Unie en vervolgens via andere organisaties steeds dieper in het illegale werk belanden.
Betekent het dat de broers de Nederlandse Unie verlaten, indachtig het bevel van de Unieleiding? Ook daarvan is geen sprake. Buijs neemt in mei 1941 zelfs plaats in het gewestelijk bestuur. Het is zeker dat de Unie wordt gebruikt als dekmantel voor clandestiene bezigheden. De bezetter staat vooralsnog vergaderingen toe in de Uniehuizen, mits die de twintig deelnemers niet overstijgen. Bekend is dat in de relatieve beslotenheid van dergelijke kringvergaderingen (tegenwoordig zouden we ze gespreksgroepen noemen) soms stevige discussies plaatsvinden over de problemen die de Duitse bezetting met zich meebrengt. Als vanzelf ontstaat er zicht op hen die bereid zijn om tegenstand te bieden aan de heersende malaise. In dat beeld past ook de vaderlandslievende actie van een Zaandamse Uniehuismedewerker. Uit een verslag van gewestelijk secretaris Aberson aan het driemanschap: “In Zaandam liep de conciërge van de winkel een proces-verbaal op, omdat hij van de op het trottoir voor de winkel geklodderde leuze ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen het eerste gedeelte had weggeschrobd.” Van Hall zal de selectieve schoonmaakactie ongetwijfeld met een glimlach hebben waargenomen. In augustus 1941 vernielen en beroven tegenstanders van de Nederlandse Unie de partijwinkel in Zaandam. “Een mooie reclame aan ’t begin van de huisbezoekcampagne”, schrijft Uniesecretaris Jaap Buijs cynisch aan het gewestelijk secretariaat.
De politieke vrijheid of wat daarvan over is, wordt overigens steeds verder ingeperkt. Het Rijkscommissariaat maakt bekend dat vrijwel alle vooroorlogse politieke partijen per 5 juli 1941 zijn ontbonden. Uitgezonderd zijn de NSB, de NSNAP, het Nationaal Front en de Nederlandse Unie. De drie eerstgenoemde staan min of meer op één lijn met de bezetter, de laatste is te populair om in één klap op te heffen. Bijna elke Noord-Hollandse plaats heeft inmiddels een afdeling, in totaal zo’n honderd. De bezetter accepteert het Uniegemanoeuvreer in de marge, het zoeken naar een middenkoers nog wel, maar slechts voor korte tijd en steeds meer aan beperkingen gebonden. Vanaf 28 juli 1941 staan de Duitsers niet langer toe dat de Unie in het openbaar affiches ophangt, bladen verspreidt en partijspeldjes toont. Op 14 december van dat jaar worden alle werkzaamheden van de Nederlandse Unie verboden. Hetzelfde geldt voor het Nationaal Front en de NSNAP. De NSB, die op deze dag haar tienjarig bestaan viert, mag als enige politieke partij blijven bestaan. Na de journalistieke is nu ook de politieke gelijkschakeling een feit. Voor Buijs en Van Hall, tot aan de Unie-oprichting onbekenden voor elkaar, maar al snel ten diepste verbonden in de strijd tegen de bezetter, is de maat al lang vol. “Toen de Unie in 1941 werd verboden, was bij ons een grote haat gegroeid tegen de Duitsers, veroorzaakt door de verdrukking en de wrede maatregelen die ze tegen ons volk en vooral ten opzichte van de joden hadden genomen”, noteert Buijs. “Toen de Unie werd verboden, bespraken wij wat wij verder zouden kunnen doen. Wij besloten in de illegaliteit te gaan.” De strijd tegen de vijand wordt geïntensiveerd.

picknick-gezin-van-hall-eind-jaren-30.jpg

Walraven van Hall met familieleden

Het bittere lot van de familie Eisendrath

•januari 12, 2008 • Laat een reactie achter

‘God weet wat jullie nog te wachten staat’

Tussen januari en april 1942 maakte de Duitse bezetter, met hulp van Nederlandse politieagenten, de Zaanstreek Judenrein. Zaandam was zelfs de eerste Nederlandse gemeente waar joden gedwongen werden huis en haard te verlaten, als opstap naar de beoogde Endlösung. Op 15 april 2007, 65 jaar na dato, verscheen het door Pim Ligtvoet geschreven boek ‘Ik heb een heel tijdje niets van me laten horen. Joden in de Zaanstreek (1940-1945)’. Daarin is de oorlogsgeschiedenis vastgelegd van alle Zaans-joodse inwoners, alsmede van de meeste joodse onderduikers in deze regio. Onderstaande tekst is een samenvatting van een van de lemma’s in deze publicatie.

Een van de vele Zaanse huishoudens die de Holocaust niet overleefden, was de familie Eisendrath. De 32-jarige arts Bernard Eisendrath betrok in 1914 met zijn vrouw Sortine Selma een statige woning aan de Zaandamse Botenmakersstraat 108. Daar werden ook hun kinderen geboren: Iris (1915), Maja (1917), Leonie (1921) en Rudolf (1923). Sortines moeder Emma Juchenheim woonde eveneens bij de Eisendraths. Bernard begon een huisartsenpraktijk, zijn kinderen bezochten het Gemeentelijk Lyceum.
Op 10 mei 1940 werkte dokter Eisendrath mee aan de tyfusinentingen die toen in Zaandam plaatsvonden – alsof er niets aan de hand was. De Duitse inval had de eerste maanden nog relatief weinig consequenties voor joods Nederland. Antisemitische maatregelen werden bijna sluipenderwijs ingevoerd. Toen in november 1940 bekend werd dat de joodse lyceum-leraren ontslag kregen, wilden bestuursleden van de Zaanlandse Lyceum Vereniging (ZLV) als protest een staking organiseren. Rudolf Eisendrath was een van hen. De bestuursleden werden ontboden bij rector J. Oosterhuis, die hen smeekte om vooral geen actie te voeren. Het bestuur zag er daarop vanaf. Toenmalig ZLV-voorzitter Klaas Woudt wijdt er in zijn autobiografische schets ‘Van begin tot eind’ enkele zinnen aan: “Met een beetje meer tact zou de schoolleiding ons protest hebben begrepen als een machteloze poging onze betrokkenheid en sympathie te tonen. In plaats daarvan was baas Oosterhuis alleen bang, bang voor de gevolgen van ons protest. Nu, zestig jaar later, steekt dat nog steeds. Bij onze kleine delegatie was ook Rolf Eisendrath, een joodse klasgenoot. Waarom legde onze rector niet zijn arm om Rolfs schouder en om die van ons?”
Vanaf 1 september 1941 waren de kinderen Eisendrath overigens niet meer welkom op het lyceum. Dokter Eisendrath mocht per 1 mei 1941 louter joodse patiënten behandelen. Hij moest zijn praktijk overdragen, maar bleef desondanks als arts actief. Zo bezocht hij in de Frans Halsstraat de zieke mevrouw Petersen-Stock. Zij was joods en om die reden klom Eisendrath voorzichtigheidshalve door een raam van haar huis naar binnen.

Westerbork 

Toen op 14 januari 1942 werd verordonneerd dat de joodse Zaandammers binnen drie dagen de stad moesten verlaten, probeerde Bernard Eisendrath verschillende eigendommen te verkopen of in bewaring te geven. Op 17 januari controleerde politieman Johan Jongepier rond de Westzijde of de joodse bewoners hun huizen hadden verlaten. Op de Botenmakersstraat trof hij de doktersfamilie aan. Emma Juchenheim hoefde als buitenlandse pas twee dagen later weg, naar kamp Westerbork. Rechercheur Jongepier concludeerde echter dat zij ernstig ziek was en voorlopig kon blijven. Over haar dochter schreef Jongepier in zijn rapport: “Mevrouw Eisendrath was dermate overstuur dat zij vlak voor het verlaten van haar huis in elkaar zakte en eenige tijd het bewustzijn verloor.” De situatie veranderde uiteraard niets aan het vertrek. Het huis werd verzegeld, de huissleutels ingenomen. De achtergebleven inboedel werd niet lang daarna in opdracht van de bezetter weggehaald. Sortines 87-jarige moeder was de oudste joodse Zaankanter die Zaandam moest verlaten. Zij kreeg vanwege haar ziekte toestemming naar Amsterdam te gaan, in plaats van naar Westerbork. De familie Eisendrath vond in Amsterdam een etage. Bernard werd lid van de Joodsche Raad en kreeg daar zicht op het lot van de te deporteren joodse bevolking. Hij benam zichzelf op 4 oktober 1942 met gif het leven. Sortine dook niet lang na de dood van haar man onder met de kinderen, en vermoedelijk ook met grootmoeder Juchenheim. Een Zaanse kennis huurde voor hen begin 1943 een etage in de Amsterdamse Dintelstraat.
Twee maanden later ontmoette Lidy Eisendrath daar Rudolfs klasgenoot Klaas Woudt. Hij zat op de nabijgelegen Grafische School. Ze bracht hem naar hun onderduikadres. Daar zat Rudolf met zijn andere zussen en een hoogbejaarde vrouw. De kamer was leeg en sjofel, er lagen matrassen op de vloer. Klaas ging later nog een paar maal terug, maar Rudolf was verdwenen. De laatste keer stond de woning leeg. Rudolf was richting Zwitserland gevlucht.
Sortine Eisendrath was al langer weg uit Amsterdam. Eind 1942 bevond zij zich in het Arnhemse Tehuis voor Israëlitische Oude Lieden. Op 10 december werden daaruit 75 bejaarden naar Westerbork gedeporteerd. Op de lijst met 97 tehuisbewoners en -verplegenden staat ook Sortine vermeld. De grote meerderheid van de bewoners werd in de periode november 1942-februari 1943 vermoord. Sortines overlijdensdatum is de laatste van allen die op de lijst staan. Doktersvrouw Eisendrath had ervoor gekozen om niet in de onderduik te blijven, maar zich als personeelslid in Arnhem te melden.
Op 24 mei 1943 werd dochter Iris opgepakt. Ze droeg geen jodenster en bezat valse papieren. De arrestatie vond plaats door de Zaandamse politieman Hendrik van der Kraan, die haar op straat herkende. Hij was lid van de speciaal voor jodenopsporing opgerichte Kolonne Henneicke en mede werkzaam bij de Sicherheitsdienst. Van der Kraan zou voor zijn naziwerk na de oorlog ter dood worden veroordeeld, wat in 1949 werd omgezet in levenslang. Ook Iris’ jongere zus Leonie (‘Lidy’) werd opgepakt. Beide zussen werden vastgezet in een Amsterdamse gevangenis. Via de Hollandsche Schouwburg werden ze als strafgeval naar Westerbork gedeporteerd.

Afscheid 

Iris schreef op 30 augustus 1943 vanuit Westerbork een afscheidsbrief aan vrienden. “Overigens hebben Lidy en ik de afgelopen maanden wel ervaren dat er altijd en overal wel iets van te maken valt, dat er altijd, al zijn het ook kleine, vreugden te vinden zijn”, noteerde Iris. “In de cel in A’dam hebben we ze gevonden, in de Schouwburg eveneens, je hebt geen idee wat voor plezier we daar nog gehad hebben. De ‘zuusjens’, zoals we door de bewaaksters in de gevangenis betiteld werden, waren in de Schouwburg beslist populair, als de ‘Lysol-élite’.” In Westerbork kwamen ze terecht in de strafbarak, ‘2,25 meter in het vierkant’. Iris in haar afscheidsbrief: “Dit is waarschijnlijk de laatste gelegenheid, dat ik nog een levensteken naar de buitenwereld kan sturen.” Grootmoeder Juchenheim-Steinberg was al gestorven toen deze brief het kamp uitging. Zij werd eerder vanuit Amsterdam naar Westerbork gevoerd. Op 16 april 1943 werd zij in Sobibor, na 72 uur rijden in een gesloten veewagen, vrijwel onmiddellijk na aankomst vergast. Maja Eisendrath (26) ging op 6 juli 1943, gescheiden van haar moeder en zusters, eveneens per trein naar Sobibor. Iris en Lidy wisten van haar deportatie en hoopten haar ‘daar’ te zien. Maja vond op 9 juli 1943 de dood. Ze behoorde tot de laatsten van de 71 Zaankanters die in 1943 op transport gingen naar Sobibor.
Sortine Eisendrath (56) vertrok op dinsdag 24 augustus naar Auschwitz. Iris schreef: “In ieder geval ben ik blij dat Moeder niet zo opgesloten is geweest. Vader had toch gelijk, geloof ik after all. (…) Het was wel ellendig dat zij net 1 dag na onze aankomst is doorgestuurd. Nu hopen we maar, haar en Maja daarginds te treffen, maar het is maar een klein hoopje.” Het lijkt erop dat Sortine na haar vertrek uit Apeldoorn ook in Westerbork ouderen verzorgde. Zij stierf in Auschwitz op 27 augustus 1943. Iris en Leonie (27 en 22 jaar) arriveerden een dag na dit transport in Westerbork. Leonie schreef over het gebrek aan warme kleding voor ‘Riga, of waar we ook heengaan’. Ze vroeg excuses over te brengen aan mevrouw Van Meurs, waar ze blijkbaar was ondergedoken. “Ik heb natuurlijk wel [tegen de politie] gezegd dat de mensen er niet van op de hoogte waren, wie ik was, hopelijk was dat voldoende, dat er verder geen werk van gemaakt werd.” En verder: “Zullen jullie allemaal alsjeblieft met al je verstand zoveel mogelijk van je leven genieten, zolang je het enigszins kunt doen? God weet, wat jullie ook nog te wachten staat.”
De zusters hadden intussen de zekerheid ‘om morgen met de andere gevangenen te worden opgebracht naar de veewagen, om daar opnieuw te worden opgesloten – onder deze omstandigheden zie ik geen enkele kans om het noodlot nogmaals te ontlopen. Nu, als het dan eenmaal niet anders kan, gaan we heel opgewekt hoor’. Het bewustzijn over de duistere toekomst was sterk: “Weet je, werken is helemaal niet naar, integendeel, (…) maar dat je nog niet de eenvoudigste menselijke rechten gegund worden -dat je helemaal behandeld wordt als vee, of nee, voor vee heeft een behoorlijke boer nog meer zorgen dan onze ‘beschermers’ voor ons- dat maakt alles zo ellendig. (…) Ik kan me bijna niet meer voorstellen, dat ik het was die in de Bootenmakersstraat woonde, en alle mogelijke comfort en gezelligheid had.” Leonie: “Als je jezelf niet meer schoon kunt houden, houdt de wereld op. (…) Verder zie ik het ook vrij nuchter in. We maken een behoorlijke kans er niet door te komen, maar als het voorbeschikt is – soit. (…) Ik weet zeker dat vele goede en lieve wensen ons zullen begeleiden – en daar zullen we troost uit putten.” Iris en Leonie Eisendrath werden op 31 augustus 1943 naar Auschwitz gestuurd. Ze stierven drie dagen na vertrek in de gaskamer.
De jongste Eisendrath, Rudolf, was alleen uit Amsterdam weggevlucht. Hij werd echter onderweg naar Zwitserland op 22 juni 1943 in Frankrijk gearresteerd en naar het Duitse Dora-Mittelbau gestuurd. Dora was een buitenkamp van concentratiekamp Buchenwald. Een groot deel van de gevangenen verbleef dag en nacht onder de grond. De mijngangen, Stollen, werden ‘Todesstollen‘ genoemd. Rudolf Eisendrath (20) bezweek in Dora-Mittelbau op 7 maart 1944, zes maanden na zijn zusters en zijn moeder.

Het ligt in mijn bedoeling verder onderzoek te doen naar het leven van de familie Eisendrath. Informatie over hen is welkom op tel. 075-6313819 of havenstraat75@hotmail.com.

rolf-eisendrath-bij-het-75-jarig-bestaan-zlv-1940.jpg

Rolf Eisendrath (vooraan links) als lid van de Zaanlands Lyceum Vereniging, 1940. 

De deportatie van de Wormerveerse familie Pais

•januari 12, 2008 • Laat een reactie achter

‘Ik kom terug hoor’

De Duitse bezetter maakte in 1942 jaar geleden de Zaanstreek Judenrein. Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente waar de joden verjaagd werden, Wormerveer volgde op 22 april. Van de 29 Wormerveerse ‘Volljuden‘ zouden er negentien de oorlog niet overleven, onder wie de vijf leden van het gezin Pais.

Abraham Pais en Grietje Drilsma trouwden op 8 mei in hun woonplaats Zaandam, maar verhuisden vijf jaar later met hun 3-jarige dochter Rebecca naar Wormerveer. Daar kwam in 1935 ook hun tweede dochter ter wereld, Ada. Ze gingen nog even naar Beverwijk, maar vestigden zich in 1938 aan de Insulindelaan 34, waar zoon Aäron werd geboren. Tijdens de bezetting was hun adres Zaanweg 29. Pais had op de Zaanweg 11a een pakhuis, naast het bekende pand Amsterdam. Hij handelde er in levensmiddelen, scheepsbenodigdheden en oud ijzer. Een krantenfoto uit 1936 toont ‘de heer A. Pais, de bekende handelaar in scheepsbenodigdheden’ en Rebecca voor dit magazijn. Hij staat temidden van inventaris uit het op het Egmondse strand gelopen en vervolgens gesloopte stoomschip Drente. Bram ‘tikte de partij curiosa deze week op den kop’. Boven de foto staat een half-Duitse tekst: “So endete eine (…) Sleepboot.” Bram stond ook bekend als sloper. Hij demonteerde onder meer de gashouder van Wormerveer. Verteld werd dat hij in de oorlog sloepen opkocht van getorpedeerde schepen, om ze voor hergebruik te verkopen. Met de buren ging hij er wel mee spelevaren op de Zaan. Kinderen die daar zwommen, gaf hij soms een reddingsvest uit zo’n sloep. In maart 1941 kreeg zijn zaak vanwege de ‘Arisierung’ van joodse bedrijven een zaakwaarnemer die de bedrijfsleiding overnam.
Betty Pais ging naar School B (na de oorlog Herman Gorterschool). Ze was er als joodse leerlinge vanaf september 1941 niet meer welkom. Met haar eveneens getroffen dorpsgenoten Mendelina en Hartog de Jong gaf ze ten afscheid alle leerkrachten een handje. Dat maakte indruk op de school. De joodse kinderen kregen daarna nog een tijd les bij Pais thuis.

Vertrek

Op 22 april 1942 moesten de joodse inwoners Wormerveer verlaten. Het gezin Pais kreeg echter toestemming om te blijven, misschien omdat hun bedrijf als ‘kriegswichtig’ werd gezien. Wormerveerder Klaas Zwart herinnert zich dat zijn vader Rebecca Pais in 1943 stiekem inschreef voor een zwemfeest in zwembad Het Zwet, onder de naam ‘Betty Zonderland’. Het feest verliep voor Rebecca zonder narigheden. Geholpen kan hebben dat badmeester Jan Kuijper verzetsman was. De familie Pais moest op 3 januari 1944 alsnog naar Westerbork, bijna twee jaar na de andere Zaans-joodse inwoners. Ze liepen naar het station, met alleen hun handbagage bij zich. Abraham Pais lachte en riep: “Ik kom terug hoor.” Zijn zaak werd voortgezet door de vroegere knecht Anton de Grunt. Sommige eigendommen werden bij anderen in bewaring gegeven. Zo ontving de familie Corell (Dubbele Buurt 20) enkele schilderijen. Het magazijn ging over in de handen van een Treuhändler, een opkoper. Het gezin werd vermoedelijk op 25 januari 1944 in beestenwagens op transport gesteld. Moeder en kinderen werden drie dagen later in Auschwitz geselecteerd voor vergassing. Ook voor Abraham staan op de Holocaust-websites deze overlijdensdatum en -plaats vermeld. In de overlijdensakte in Wormerveer is echter een correctie aangebracht. Op 11 januari 1954 werd in de kantlijn geschreven: “Overleden op 31 december 1944 in Güntergrube in Polen.” Deze kolenmijn was een van de kleinere werkkampen van Auschwitz.

Op 15 april 2007 verscheen het door Pim Ligtvoet geschreven boek ‘Ik heb een heel tijdje niets van me laten horen. Joden in de Zaanstreek (1940-1945)’. Daarin is de oorlogsgeschiedenis vastgelegd van alle Zaans-joodse inwoners, alsmede van de meeste joodse onderduikers in deze regio. Bovenstaande tekst is een bewerking van een van de lemma’s uit dit boek.

Wat ging er mis in februari 1945?

•januari 12, 2008 • Laat een reactie achter

‘Verboden’ eliminatie leidt tot de dood van tien verzetsstrijders

Traditiegetrouw trekt er elk jaar in de avond van 4 mei een herdenkingsstoet door Zaandam. De tocht loopt ook langs een monument op de Prins Hendrikkade. Daar executeerden de Duitsers op 9 februari 1945 tien gijzelaars, onder wie vijf medewerkers van het illegale blad Trouw. Het was een vergeldingsactie voor een aanslag door het Zaanse verzet, vier dagen eerder. Maar had het wel zover moeten komen? Een reconstructie van een discutabel besluit met dodelijke gevolgen.

De Tweede Wereldoorlog loopt in Europa op zijn einde. Vanuit het oosten nadert het Sovjet-leger Duitsland. Het zuiden van Nederland is al enige tijd bevrijd door de geallieerden. Hitlers troepen proberen op allerlei manieren het tij te keren. In zijn weekrapport (‘3-9 febr. ‘45′) doet Frans Bruins, lid van de verzetsgroep Gewestelijke Sabotage Afdeling, zakelijk verslag van een standrechtelijke executie op de Zaandamse Prins Hendrikkade. “Ongeveer 9 uur kwamen er twee overvalwagens met een luxe-wagen met ‘groenen’ op de Burcht aan. Er stapten ±40 man uit, die 10 gijzelaars, geen Zaandammers, met zich meevoerden. Deze werden neergeschoten op de Prins Hendrikkade op ongeveer 10 meter afstand. Waarna zij verder met revolvers werden afgemaakt. Daarna werden zij op een auto gegooid, en werd Zaandam verlaten. Het heeft ongeveer een half uur geduurd. De revolverkogels waren 9 mm.” Het is de gebruikelijke gang van zaken tijdens de oorlog, onderdeel van de soms dodelijke strijd tussen de bezetter en het verzet. Regelmatig worden er aanslagen gepleegd op ‘foute’ Duitsers en Nederlanders. Organisaties als de Raad van Verzet (de RVV) en de Landelijke Knokploegen (LKP) trekken er in heel Nederland op uit om tegenstanders uit te schakelen. Noord-Holland kent, als enige provincie, ook de Gewestelijke Sabotage Afdeling (GSA). Het is een verzetsonderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten, samengesteld uit ervaren leden van de Ordedienst (OD), de RVV en de LKP. De GSA houdt zich bezig met het in beslag nemen en veiligstellen van voorraden en met technische sabotage, maar ook met het bevrijden van gevangenen en het liquideren van de bezetters en hun handlangers. Op een moordaanslag door het verzet volgt meestal binnen enkele dagen een vergeldingsactie door de Duitsers. De slachtoffers van zo’n represaille kunnen willekeurige burgers zijn, maar bijvoorbeeld ook gearresteerde criminelen of opgepakte verzetsstrijders. Op 9 februari 1945 zijn de slachtoffers leden van de ondergrondse. Hun dood is een vergeldingsactie voor het neerschieten van een nationaal-socialistische politieagent, vier dagen eerder.
Een tweede, anoniem rapport van de illegaliteit geeft iets meer details over de Duitse terreurdaad op de Prins Hendrikkade. “Uit de overvalwagen werden door de Grüne Polizei 10 aan elkaar gebonden mannen geladen, die met hun gezicht naar de Zaan op een rij gezet en met mitrailleurs neergeschoten werden. Wie nog tekenen van leven gaf, werd door een revolverschot afgemaakt. Hierop vertrok de personenauto met de Grüne Polizei. De lijken werden in een vrachtauto geladen en deze verdween in de richting Amsterdam.” Onder de slachtoffers bevinden zich de Amsterdamse drukker van het ondergrondse Trouw, S. Bakker, en vier van zijn medewerkers. Ze zijn op 29 januari 1945 op hun werk opgepakt in een reeks van aanhoudingen die ruim twee weken eerder begon. De arrestatiegolf kost uiteindelijk verschillende kopstukken van het Nederlandse verzet het leven, waaronder de Zaanse ‘bankier van het verzet’, Walraven van Hall.

Wraakacties

Binnen de Nederlandse illegaliteit wordt begin 1945 gediscussieerd over het al dan niet voortzetten van de liquidaties. De oorlog loopt op z’n eind en de vraag is elke keer of de eliminatie van tegenstanders zijn doel niet voorbij schiet, omdat de Duitsers consequent wraak nemen. In het boek ‘De mannen van overste Wastenecker’, een gedetailleerd verslag uit 1947 van de GSA-werkzaamheden, wordt daarover vermeld: “Elke onderneming werd op het Stafkwartier besproken en altijd werd nagegaan of het te bereiken nuttig effect opwoog tegen het risico, waarbij ook terdege rekening werd gehouden met het risico dat gevangenen liepen.” J.G.M. (Johan) Wastenecker is de laatste jaren van de oorlog commandant van de GSA. Iedere aanslag op de bezetter moet worden voorzien van zijn goedkeuring. “Die Wastenecker was wel een goeie vent. Hij zei bijvoorbeeld: Elimineren, goed. Maar het moet vaststaan. Niet afgaan op geklets van buiten of zo. En ik moet een rapport hebben voor ik m’n oordeel geef”, blikt de Krommenieër oud-verzetsman Jan Brasser terug in zijn boek ‘Witte Ko, herinneringen uit het gewapend verzet’.
In de vele publicaties over de GSA komt het niet ter sprake, maar de groepsexecutie op 9 februari (en de massale razzia een dag eerder, met als resultaat tientallen weggevoerde Zaanse mannen) lijkt het gevolg van een vergissing binnen het gewapende verzet. De GSA heeft op 5 februari politieagent Willemse doodgeschoten, na hem dagenlang te hebben geschaduwd. De Zaandamse agent valt die morgen dodelijk getroffen door vijf of zes kogels neer, schuin tegenover het gemeentehuis van zijn woonplaats. Overste Wastenecker reageert furieus, zo blijkt uit correspondentie over de aanslag die deze week opdook. Een dag na de eliminatie van Willemse schrijft hij de Zaanse GSA-afdeling: “Onderwerp: executie Willemse. Door mijn Ct. St. werd nadrukkelijk met u besproken, dat in de eerstkomende tijd geen aanslagen in Zaandam gepleegd mochten worden om represailles te voorkomen. Dit is eveneens met Joop besproken. Ondanks dat is Willemse toch in het openbaar neergeschoten. Ik verwacht omgaand uw rapport over de reden hiervan en de maatregelen die u tegen de daders denkt te nemen, die mijn orders volkomen genegeerd hebben. Juist in uw afdeling moet een zeer strenge discipline gehandhaafd worden. Ik reken er dus op dat u dit geval met kracht ter hand zult nemen.” Wastenecker voelt zijn gezag ondermijnd door de aanslag. Hij voorziet bovendien een genadeloze Duitse tegenactie. Per kerende post ontvangt de commandant antwoord. De reactie is ondertekend door ‘Joop’, de schuilnaam van GSA-ondercommandant J. Jong. “Willemse, luitenant van politie te Zaandam, is 5 febr. j.l. v.m. ±9 uur neergelegd, voor het gemeentehuis te Zaandam”, begint ‘Joop’ zijn verklaring. Hij legt uit dat Willemse zich schuldig heeft gemaakt aan ‘het opsporen van illegale werkers’ en ‘het aanbrengen van Jodenmensen’. De politieman is ‘met een speciale opdracht gestuurd naar Zaandam, n.l. om de Verzetsbeweging op te rollen’. Hij wist dat er op hem geloerd werd. “Daar hij bang was voor zijn leven, heeft hij meermalen getracht om uit de Zaan overgeplaatst te worden. Integendeel, hij moest blijven. (…) Ruim drie maanden hebben wij geprobeerd hem geruisloos uit de weg te ruimen. Dit is op die wijze niet gelukt, nu is hij op deze wijze uit de weg geruimd. Ik heb gehoord dat het Gewest grote bezwaren maakte dat zonder hun medeweten Willemse opgeruimd is. Dit is onjuist. 3 Maanden geleden had Wouters [districtscommandant J.G. van Marle, E.S.] het Gewest al in moeten lichten dat het gebeuren zou.”
In een P.S. schrijft ‘Joop’: “Ik herinner aan de uitspraak van de G.C.-S.G. 11 [dat is gewestelijk commandant Wastenecker, E.S.], waarin hij het volgende verklaarde: “Ik hoop, mijnheer Joop, dat u met enige maanden kunt melden dat er geen provocateurs meer rondlopen in de districten IV, V en VI.” Tegen de tijd dat deze brief overste Wastenecker bereikt, zijn de tien mannen al uit hun Amsterdamse cellen gehaald en in het openbaar om het leven gebracht. Wastenecker doet nog dezelfde dag een poging zijn gezag te herstellen en de schade niet verder te laten oplopen. Zijn korte bevel aan de Zaanse GSA: “Daar mij ter ore komt dat in uw afdeling plannen voor een nieuwe executie in de Zaanstreek worden gemaakt, wijs ik u er nadrukkelijk op dat zoals reeds door ons besproken werd tot nader order in de Zaanstreek geen represailles uitgelokt mogen worden. Ik reken er op dat u thans hieraan streng de hand zult houden.” Er volgt nadien nog één aanslag op een nationaal-socialist door het verzet in Zaandam, op 1 maart. Daarbij sneuvelt een handlanger van de Sicherheitsdienst. Niet bekend is of Wastenecker dit keer wel zijn fiat heeft gegeven. De Duitsers nemen ook dan wraak. Hun vergelding bestaat uit het fusilleren van vijf Alkmaarders, ter hoogte van de huidige Bernhardbrug.

Open vraag

Hadden de tien terechtgestelde mannen de oorlog overleefd als Wasteneckers opdracht niet was genegeerd? Het blijft een open vraag. Deze arrestanten waren al door de Duitsers bestempeld tot Todeskandidaten. Een nieuwe aanslag door de illegaliteit in de Zaanstreek of elders in Noord-Holland had de tien wellicht alsnog voor het vuurpeloton gebracht. Daar staat tegenover dat de bezetter de laatste paar oorlogsmaanden soms wat ‘zuiniger’ was met het ombrengen van gijzelaars, in de wetenschap dat de nederlaag onvermijdelijk was. Hoe groter de oorlogsmisdaden, hoe zwaarder de naoorlogse straf; dat beseften de Duitsers ook wel.
Het ziet er naar uit dat de aanslag op politieman Willemse en de daarop volgende standrechtelijke executie het gevolg was van de competentiestrijd tussen de diverse groepen binnen de GSA. Waar de Ordedienst en de Landelijke Knokploegen Oranjegezind, politiek behoudend en confessioneel waren, gold voor de RVV dat de leden in meerderheid onkerkelijk en vaak communistisch georiënteerd waren. De OD kreeg in september 1944, in opdracht van de Nederlandse regering in ballingschap, de leiding binnen de coalitie. Ook overste Wastenecker was een OD’er. Maar in de rooie Zaanstreek bepaalden de RVV’ers, onder leiding van communist Jan Brasser, vaak zelf wel wat er moest gebeuren. Het wantrouwen over en weer leidde tot eigengerechtigheid en het negeren van dienstbevelen. In de nu openbaar geworden briefwisselingen tussen het hoofdkwartier en de Zaanse manschappen is dat wantrouwen duidelijk zichtbaar. Met als resultaat de fatale gebeurtenissen tussen 5 en 9 februari 1945.