De nodeloze dood van Piet Zwart

De onder-districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten klinkt geladen, die 11de mei 1945. Temidden van een grote schare zwijgende mensen op de begraafplaats van Wormerveer houdt hij een bewogen, schuldbewuste afscheidsrede. “Gij staat hier aangetreden met weemoed in het hart en, naar ik hoop, ook met schaamte. Met weemoed, omdat wij staan aan het graf van één onzer besten. Met schaamte, omdat hij niet gevallen is door een Duitse kogel, erger nog, door een kogel van onszelf. Wij zijn weemoedig dat een der voornaamste illegale werkers van de Zaanstreek deze dagen van glorie niet heeft mogen beleven en de vruchten van zijn werk niet heeft mogen plukken.”

De man voor wie deze woorden bedoeld zijn, heet Pieter Jacob Zwart. De commandant memoreert dat deze Wormerveerse garagehouder jarenlang een belangrijke rol speelde binnen het Zaanse verzet, ‘dag en nacht, met inzet van heel zijn markante persoonlijkheid en zijn grote energie’. En toch zijn het zijn eigen kameraden van de Binnenlandse Strijdkrachten die besluiten om hem, een maand voor de Duitse capitulatie, om het leven te brengen. Wat is er gebeurd?

Piet Zwart is al in een vroeg stadium van de oorlog actief binnen het Zaanse verzet. Hij regelt onder meer buitenboordmotoren voor mensen die per -meestal niet of nauwelijks zeewaardige- boot naar Engeland willen vluchten, steunt de hulp aan onderduikers, het Nationaal Steunfonds en de ondergrondse pers.  Hij leent tevens wagens uit aan knokpoegen. Maar garagehouder Zwart heeft ook contacten met de nazi’s. Al in de zomer van 1940 huurt het Duitse leger autobussen bij Zwart om voor het oorlogsgeweld gevluchte Franse burgers terug te brengen naar hun woonplaatsen. Om een oogje te houden op de bussen en er voor te zorgen dat ze heelhuids retour gaan, reist Zwart mee naar Frankrijk. Niet iedereen in het latere verzet heeft daar waardering voor, net zomin als voor zijn keuze om door te werken als garagehouder, ook al betekent het dat hij soms de Weermacht van dienst moet zijn. Maar liever dat, zo redeneert hij, dan zijn personeel ontslaan bij gebrek aan opdrachten. 

Zwart -illegale naam Piet Zwikkers- wordt steeds actiever binnen de illegaliteit en belandt in de Ordedienst, de organisatie die in september 1944 opgaat in de Binnenlandse Strijdkrachten. Maar in deze laatste, door naijver gekleurde organisatie gaat al snel een anonieme brief rond waarin de schrijver de invloed van ondernemers binnen de BS aan de orde stelt. Een andere tekst, waarin de vermeende collaboratie van garage Zwart wordt beschreven, bereikt zelfs de kolommen van het illegale communistische blad De Waarheid.

Op 2 april 1945 loopt de Wormerveerse BS-commandant Jaap Boot naar het huis van Piet Zwart om hem te waarschuwen voor de geruchtenstroom. “Piet, het dreigt fout te gaan. Straks krijgt een of andere idioot het in zijn kop een van de OD-figuren neer te schieten. In de handen van sommigen is een wapen levensgevaarlijk. Bij de mannen van de OD moet veel veranderen, zo niet dan vrees ik het ergste.” Piets echtgenote reageert benauwd en zegt: “Piet, hou er mee op. Ik ben zo bang dat er iets gebeuren gaat.”

Die angst is terecht. Verzetsman Gerard Müller blijkt opdracht te hebben gekregen om Zwart te liquideren. Müller is echter overtuigd van Zwarts onschuld. Hij kent hem goed, helpt vaak in Zwarts Zaandamse garage. Piet Zwart redt hem daar zelfs een keer het leven, als er koolmonoxide ontsnapt terwijl Müller onder een auto ligt te sleutelen. Hij is al bewusteloos op het moment dat Piet Zwart hem, net op tijd, onder de wagen vandaan trekt. Sindsdien voelt Gerard Müller zich schatplichtig aan de garagedirecteur. Maar hoe Müller ook pleit voor het leven van zijn vriend, binnen de BS blijft het besluit gehandhaafd om deze ‘verrader’ om te brengen.

Groepscommandant H. Buntsma wijst na Müllers weigering een ander aan om het fatale schot te lossen: Johan Bak. Buntsma heeft het liquidatebevel weer gekregen van de 42-jarige KP-sectiecommandant Henk Mannessen, die het op zijn beurt ontving van compagniecommandant P.J. Visser. Op 5 april, een maand voor de bevrijding van Nederland, wordt de opdracht uitgevoerd. Johan Bak, terzijde gestaan door vier andere verzetsmensen, schiet Piet Zwart ter hoogte van De Waakzaamheid in Koog aan de Zaan van zijn fiets. Zwart sterft ter plaatse.

Al snel blijkt de vergissing. Andere leden van de Binnenlandse Strijdkrachten arresteren de daders en brengen hen onder in een illegale gevangenis. Hen wordt gefingeerde overtredingen ten laste gelegd, zoals boterdiefstal. Dat maakt het mogelijk om hen onder toezicht te houden van de politie. Er wordt een rechtbank samengesteld, waarna er in de Oostzijderkerk een proces van start gaat. Tot een uitspraak komt het echter niet, als gevolg van de bevrijding.

Op 26 september 1945 dient de zaak alsnog, dit keer voor de krijgsraad in Alkmaar. De Krommenieër schoolmeester Henk Mannessen doet daar uit de doeken hoe het bevel tot stand is gekomen om Zwart uit de weg te ruimen: “Er was een overval op een gevangenentransport mislukt. Ik was bij mijn commandant Visser en vroeg: ’Wie kan dat gedaan hebben?’ Waarop Visser zei: ‘Zwart natuurlijk.’ Ik vroeg: ‘Wat moet je met zo’n vent aan?’ En toen antwoordde Visser: ‘Schiet hem neer, je hebt mijn zegen.’ Dit heb ik als een bevel opgevat. Twee dagen later was ik bij Visser en vertelde hem dat de eerste aanslag was mislukt, maar dat de tweede spoedig beproefd zou worden. Opnieuw zei Visser: ‘Je hebt mijn zegen’.”

Volgens Visser ligt het iets genuanceerder. Hij zou voorafgaand aan de eerste liquidatiepoging slechts in het algemeen gezegd hebben: ‘Je moest zulke kerels neer kunnen schieten.’ Pas toen Mannessen hem vertelde over de mislukking zou hij gereageerd hebben met de woorden: ‘Ga je gang, je hebt mijn zegen.’

Uit de getuigenverhoren blijkt dat het nogal eens botste tussen de verschillende BS-commandanten. Piet Zwart fungeerde daarbij soms als buffer. De rechtbankpresident beschouwt voormalig commandant van de Landelijke Knokploegen Dik Bus overigens als de aanstichter van de achterklap die Zwart fataal werd. Maar Bus is slechts als getuige opgeroepen en kan daardoor niet veroordeeld worden. Uit het blad De Nieuwe Dag van 27 september 1945: “De naam Bus kronkelt als een sissende slang door alle stukken. Bus heeft gekletst als een oud wijf en als er tenslotte mensen veroordeeld worden is het zijn schuld. Rivaliteit en eigen roem waren zijn drijfveer. Hij heeft Mannessen tegen Zwart opgestookt.”

Er is nog een (naoorlogse) getuige met vuile handen: rechercheur De Wit van de Politieke Opsporingsdienst. Die blijkt een rapport te hebben opgesteld waarin Zwart wordt afgeschilderd als collaborateur, verrader en profiteur. Hij blijkt de weinig adequate informatie over Piet Zwart te hebben vastgelegd op basis van roddels onder het personeel van garage Zwart.

Hoofddader Bus wordt niet veroordeeld door de rechtbank in Alkmaar, net zo min als schutter Johan Bak (die slechts in opdracht handelde). Mannessen en Visser ontspringen de dans niet. Beiden worden schuldig verklaard en verdwijnen in de gevangenis. “Het is een zwarte bladzijde in onze Zaanse illegaliteit”, zal de Zaandamse verzetsleider Jaap Buijs na de oorlog noteren in het herdenkingsboek De Zaanstreek in droeve en blijde tijden. “Voor de familie, vooral zijn vrouw, is dit velies verschrikkelijk. De enige verontschuldiging is dat in de spanning dier dagen gemakkelijker werd besloten iemand terecht te stellen dan in rustiger tijden.”  

                                          Piet Zwart

~ door erikschaap op mei 1, 2008.