Wat ging er mis in februari 1945?

‘Verboden’ eliminatie leidt tot de dood van tien verzetsstrijders

Traditiegetrouw trekt er elk jaar in de avond van 4 mei een herdenkingsstoet door Zaandam. De tocht loopt ook langs een monument op de Prins Hendrikkade. Daar executeerden de Duitsers op 9 februari 1945 tien gijzelaars, onder wie vijf medewerkers van het illegale blad Trouw. Het was een vergeldingsactie voor een aanslag door het Zaanse verzet, vier dagen eerder. Maar had het wel zover moeten komen? Een reconstructie van een discutabel besluit met dodelijke gevolgen.

De Tweede Wereldoorlog loopt in Europa op zijn einde. Vanuit het oosten nadert het Sovjet-leger Duitsland. Het zuiden van Nederland is al enige tijd bevrijd door de geallieerden. Hitlers troepen proberen op allerlei manieren het tij te keren. In zijn weekrapport (‘3-9 febr. ‘45′) doet Frans Bruins, lid van de verzetsgroep Gewestelijke Sabotage Afdeling, zakelijk verslag van een standrechtelijke executie op de Zaandamse Prins Hendrikkade. “Ongeveer 9 uur kwamen er twee overvalwagens met een luxe-wagen met ‘groenen’ op de Burcht aan. Er stapten ±40 man uit, die 10 gijzelaars, geen Zaandammers, met zich meevoerden. Deze werden neergeschoten op de Prins Hendrikkade op ongeveer 10 meter afstand. Waarna zij verder met revolvers werden afgemaakt. Daarna werden zij op een auto gegooid, en werd Zaandam verlaten. Het heeft ongeveer een half uur geduurd. De revolverkogels waren 9 mm.” Het is de gebruikelijke gang van zaken tijdens de oorlog, onderdeel van de soms dodelijke strijd tussen de bezetter en het verzet. Regelmatig worden er aanslagen gepleegd op ‘foute’ Duitsers en Nederlanders. Organisaties als de Raad van Verzet (de RVV) en de Landelijke Knokploegen (LKP) trekken er in heel Nederland op uit om tegenstanders uit te schakelen. Noord-Holland kent, als enige provincie, ook de Gewestelijke Sabotage Afdeling (GSA). Het is een verzetsonderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten, samengesteld uit ervaren leden van de Ordedienst (OD), de RVV en de LKP. De GSA houdt zich bezig met het in beslag nemen en veiligstellen van voorraden en met technische sabotage, maar ook met het bevrijden van gevangenen en het liquideren van de bezetters en hun handlangers. Op een moordaanslag door het verzet volgt meestal binnen enkele dagen een vergeldingsactie door de Duitsers. De slachtoffers van zo’n represaille kunnen willekeurige burgers zijn, maar bijvoorbeeld ook gearresteerde criminelen of opgepakte verzetsstrijders. Op 9 februari 1945 zijn de slachtoffers leden van de ondergrondse. Hun dood is een vergeldingsactie voor het neerschieten van een nationaal-socialistische politieagent, vier dagen eerder.
Een tweede, anoniem rapport van de illegaliteit geeft iets meer details over de Duitse terreurdaad op de Prins Hendrikkade. “Uit de overvalwagen werden door de Grüne Polizei 10 aan elkaar gebonden mannen geladen, die met hun gezicht naar de Zaan op een rij gezet en met mitrailleurs neergeschoten werden. Wie nog tekenen van leven gaf, werd door een revolverschot afgemaakt. Hierop vertrok de personenauto met de Grüne Polizei. De lijken werden in een vrachtauto geladen en deze verdween in de richting Amsterdam.” Onder de slachtoffers bevinden zich de Amsterdamse drukker van het ondergrondse Trouw, S. Bakker, en vier van zijn medewerkers. Ze zijn op 29 januari 1945 op hun werk opgepakt in een reeks van aanhoudingen die ruim twee weken eerder begon. De arrestatiegolf kost uiteindelijk verschillende kopstukken van het Nederlandse verzet het leven, waaronder de Zaanse ‘bankier van het verzet’, Walraven van Hall.

Wraakacties

Binnen de Nederlandse illegaliteit wordt begin 1945 gediscussieerd over het al dan niet voortzetten van de liquidaties. De oorlog loopt op z’n eind en de vraag is elke keer of de eliminatie van tegenstanders zijn doel niet voorbij schiet, omdat de Duitsers consequent wraak nemen. In het boek ‘De mannen van overste Wastenecker’, een gedetailleerd verslag uit 1947 van de GSA-werkzaamheden, wordt daarover vermeld: “Elke onderneming werd op het Stafkwartier besproken en altijd werd nagegaan of het te bereiken nuttig effect opwoog tegen het risico, waarbij ook terdege rekening werd gehouden met het risico dat gevangenen liepen.” J.G.M. (Johan) Wastenecker is de laatste jaren van de oorlog commandant van de GSA. Iedere aanslag op de bezetter moet worden voorzien van zijn goedkeuring. “Die Wastenecker was wel een goeie vent. Hij zei bijvoorbeeld: Elimineren, goed. Maar het moet vaststaan. Niet afgaan op geklets van buiten of zo. En ik moet een rapport hebben voor ik m’n oordeel geef”, blikt de Krommenieër oud-verzetsman Jan Brasser terug in zijn boek ‘Witte Ko, herinneringen uit het gewapend verzet’.
In de vele publicaties over de GSA komt het niet ter sprake, maar de groepsexecutie op 9 februari (en de massale razzia een dag eerder, met als resultaat tientallen weggevoerde Zaanse mannen) lijkt het gevolg van een vergissing binnen het gewapende verzet. De GSA heeft op 5 februari politieagent Willemse doodgeschoten, na hem dagenlang te hebben geschaduwd. De Zaandamse agent valt die morgen dodelijk getroffen door vijf of zes kogels neer, schuin tegenover het gemeentehuis van zijn woonplaats. Overste Wastenecker reageert furieus, zo blijkt uit correspondentie over de aanslag die deze week opdook. Een dag na de eliminatie van Willemse schrijft hij de Zaanse GSA-afdeling: “Onderwerp: executie Willemse. Door mijn Ct. St. werd nadrukkelijk met u besproken, dat in de eerstkomende tijd geen aanslagen in Zaandam gepleegd mochten worden om represailles te voorkomen. Dit is eveneens met Joop besproken. Ondanks dat is Willemse toch in het openbaar neergeschoten. Ik verwacht omgaand uw rapport over de reden hiervan en de maatregelen die u tegen de daders denkt te nemen, die mijn orders volkomen genegeerd hebben. Juist in uw afdeling moet een zeer strenge discipline gehandhaafd worden. Ik reken er dus op dat u dit geval met kracht ter hand zult nemen.” Wastenecker voelt zijn gezag ondermijnd door de aanslag. Hij voorziet bovendien een genadeloze Duitse tegenactie. Per kerende post ontvangt de commandant antwoord. De reactie is ondertekend door ‘Joop’, de schuilnaam van GSA-ondercommandant J. Jong. “Willemse, luitenant van politie te Zaandam, is 5 febr. j.l. v.m. ±9 uur neergelegd, voor het gemeentehuis te Zaandam”, begint ‘Joop’ zijn verklaring. Hij legt uit dat Willemse zich schuldig heeft gemaakt aan ‘het opsporen van illegale werkers’ en ‘het aanbrengen van Jodenmensen’. De politieman is ‘met een speciale opdracht gestuurd naar Zaandam, n.l. om de Verzetsbeweging op te rollen’. Hij wist dat er op hem geloerd werd. “Daar hij bang was voor zijn leven, heeft hij meermalen getracht om uit de Zaan overgeplaatst te worden. Integendeel, hij moest blijven. (…) Ruim drie maanden hebben wij geprobeerd hem geruisloos uit de weg te ruimen. Dit is op die wijze niet gelukt, nu is hij op deze wijze uit de weg geruimd. Ik heb gehoord dat het Gewest grote bezwaren maakte dat zonder hun medeweten Willemse opgeruimd is. Dit is onjuist. 3 Maanden geleden had Wouters [districtscommandant J.G. van Marle, E.S.] het Gewest al in moeten lichten dat het gebeuren zou.”
In een P.S. schrijft ‘Joop’: “Ik herinner aan de uitspraak van de G.C.-S.G. 11 [dat is gewestelijk commandant Wastenecker, E.S.], waarin hij het volgende verklaarde: “Ik hoop, mijnheer Joop, dat u met enige maanden kunt melden dat er geen provocateurs meer rondlopen in de districten IV, V en VI.” Tegen de tijd dat deze brief overste Wastenecker bereikt, zijn de tien mannen al uit hun Amsterdamse cellen gehaald en in het openbaar om het leven gebracht. Wastenecker doet nog dezelfde dag een poging zijn gezag te herstellen en de schade niet verder te laten oplopen. Zijn korte bevel aan de Zaanse GSA: “Daar mij ter ore komt dat in uw afdeling plannen voor een nieuwe executie in de Zaanstreek worden gemaakt, wijs ik u er nadrukkelijk op dat zoals reeds door ons besproken werd tot nader order in de Zaanstreek geen represailles uitgelokt mogen worden. Ik reken er op dat u thans hieraan streng de hand zult houden.” Er volgt nadien nog één aanslag op een nationaal-socialist door het verzet in Zaandam, op 1 maart. Daarbij sneuvelt een handlanger van de Sicherheitsdienst. Niet bekend is of Wastenecker dit keer wel zijn fiat heeft gegeven. De Duitsers nemen ook dan wraak. Hun vergelding bestaat uit het fusilleren van vijf Alkmaarders, ter hoogte van de huidige Bernhardbrug.

Open vraag

Hadden de tien terechtgestelde mannen de oorlog overleefd als Wasteneckers opdracht niet was genegeerd? Het blijft een open vraag. Deze arrestanten waren al door de Duitsers bestempeld tot Todeskandidaten. Een nieuwe aanslag door de illegaliteit in de Zaanstreek of elders in Noord-Holland had de tien wellicht alsnog voor het vuurpeloton gebracht. Daar staat tegenover dat de bezetter de laatste paar oorlogsmaanden soms wat ‘zuiniger’ was met het ombrengen van gijzelaars, in de wetenschap dat de nederlaag onvermijdelijk was. Hoe groter de oorlogsmisdaden, hoe zwaarder de naoorlogse straf; dat beseften de Duitsers ook wel.
Het ziet er naar uit dat de aanslag op politieman Willemse en de daarop volgende standrechtelijke executie het gevolg was van de competentiestrijd tussen de diverse groepen binnen de GSA. Waar de Ordedienst en de Landelijke Knokploegen Oranjegezind, politiek behoudend en confessioneel waren, gold voor de RVV dat de leden in meerderheid onkerkelijk en vaak communistisch georiënteerd waren. De OD kreeg in september 1944, in opdracht van de Nederlandse regering in ballingschap, de leiding binnen de coalitie. Ook overste Wastenecker was een OD’er. Maar in de rooie Zaanstreek bepaalden de RVV’ers, onder leiding van communist Jan Brasser, vaak zelf wel wat er moest gebeuren. Het wantrouwen over en weer leidde tot eigengerechtigheid en het negeren van dienstbevelen. In de nu openbaar geworden briefwisselingen tussen het hoofdkwartier en de Zaanse manschappen is dat wantrouwen duidelijk zichtbaar. Met als resultaat de fatale gebeurtenissen tussen 5 en 9 februari 1945.

~ door erikschaap op januari 12, 2008.