14 januari 1942

•januari 14, 2012 • Geef een reactie

Zaandam werd in 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ gemaakt. Deze ‘evacuatie’ was een tussenstap in de ‘Endlösung’. Een document of een verklaring waarom Zaandam door de nazi’s werd aangewezen als proefgemeente is nooit gevonden, maar de grote rol van deze stad bij de Februaristaking -een klein jaar eerder-, de aanwezigheid van een antisemitische burgemeester en de geringe afstand tot Amsterdam (waar de Nederlandse joden een plek kregen toegewezen in afwachting van hun deportatie naar het concentratiekamp) hebben ongetwijfeld een grote rol gespeeld.

Op 14 januari 1942 kregen de Zaandamse joden een brief dat ze zouden worden geëvacueerd. Drie dagen later, de sjabbatdag, moesten ze hun huizen en vrijwel al hun bezittingen daadwerkelijk achterlaten. Het sneeuwde, het was 12 graden onder nul. De meeste getroffenen zouden  in de jaren daarna systematisch worden uitgemoord, vooral in de kampen Auschwitz en Sobibor.

De Zaandamse C.J. Kuiper was doof en slecht ter been, maar in haar bewaard gebleven oorlogsdagboek heeft ze desondanks tal van rake observaties opgeschreven. Hieronder haar woorden over de jodendeporatie in januari 1942.

“15-1-1942: Het hardnekkige gerucht gaat, dat alle Joden de 17e January uit Holland weg moeten. Waarheen? Waarom? Wij weten het niet, zij moeten alles achterlaten, alleen een kleine handkoffer met de eerste levensbehoeften mogen zij meenemen, alle Joodsche zaken waren vandaag gesloten. Arm, vervolgd volk, laten wij hopen dat het gerucht niet waar is. 

18-1-1942: Het is gebeurd, alle Joden in onze stad zijn weg, ongeveer 200. Naar men zegt gaan de Duitsche Joden naar Drente in grote concentratiekampen, de Hollandsche Joden in het z.g. Ghetto te Amsterdam. Hartroerende tooneelen hebben zich hier afgespeeld. Ook Christenen die met Joden getrouwd zijn, lieten hun vrouw en kinderen niet alleen gaan in de ballingschap, maar deelden dit lot. Met een moed en een berusting (eigenschappen door eeuwen lange vervolging gekweekt) zijn zij vertrokken. Hun huizen en eigendommen zijn door de politie verzegeld. Hun ellende wordt nog zwaarder door de strenge vorst, momenteel vriest het 10 gr. ‘Dat wat gij de minste mijner schepselen doet hebt gij mij gedaan.’ Het leven is soms ondragelijk, geloven in God, in zijn ondoorgrondelijk besluit, vertrouwen, ondanks alles wat gebeurt, ik wil het zo graag, maar soms, zoals nu, gaat het onze kracht te boven. Dat Gij ons helpe, vooral hen, die vervolgd worden.”

Voor meer informatie over de jodenvervolging in de Zaanstreek zie www.joodsmonumentzaanstreek.nl

 

Twee Zaanse verzetsstrijders, één brief

•december 29, 2011 • Geef een reactie

In het voorjaar van 1941 arresteerden de nationaal-socialisten Jan Kalff (1901-1974), de burgemeester van Krommenie. Hij werd Duitsvijandig bevonden en belandde daarom in de gevangenis te Scheveningen, ook wel bekend als het Oranjehotel. Na enige tijd kreeg hij bij toeval gezelschap van een streekgenoot, de Koger Dick de Vries. Die werd onder meer verdacht van spionage. De burgemeester en de technisch employé van Fokker zouden vier maanden op elkaars lip zitten. Kalff kwam weer vrij, hervatte zijn illegale activiteiten en haalde heelhuids de bevrijding. De Vries werd in juni 1943 na een showproces in Berlijn geëxecuteerd. In een lange en onthullende brief, die ik onlangs bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vond, vertelde de op zijn post teruggekeerde Kalff vlak na de bevrijding van Nederland aan de ouders van Dick de Vries hoe het ‘samenzijn’ in de cel er uitzag. Hieronder de integrale tekst, die handelt over een van de eerste verzetsstrijders van Nederland.

Polizeigefängnis Scheveningen [Oranje-hotel]

Cel 698, gang F 21 Juli-21 November 1942

Vier maanden tezamen in een cel, vier maanden dezelfde wisseling van stemmingen, van hoop en wanhoop, vier maanden bijeen zonder één seconde onderbreking, zou men dan, zo men al wilde, aan het ontstaan van een intieme verhouding kùnnen ontkomen? Neen immers!

Nu Dick de Vries in de bloei zijner jaren in vijands land voor het executiepeloton is gesneuveld in dienst van zijn vaderland, wil ik, die hem goed heb leren kennen, voor zijn ouders en broer dit relaas geven van onze gezamenlijke vier maanden gevangenisleven, ook en vooral omdat zij daaruit zullen zien zijn flinke houding, zijn opgewektheid en het feit dat hij gedurende die tijd geestelijk noch lichamelijk heeft geleden.

In de morgen van 21 juli 1942 werd uit mijn cel, no. 698 van gang F, de brigadier der Rotterdamse Rivierpolitie, die slechts één dag mijn celgenoot was geweest, weggehaald, daar hij alleen moest zitten en kwam reeds tien minuten later zijn plaatsvervanger, Dick de Vries.

De zeer kalme figuur die daar de cel binnentrad, was gekleed in een ruige blauwe zeilbroek, gestoken in hoge laarzen alsmede een prachtig gebreide witte jas, versierd met donkerbruine rendierfiguren, welke jas of jumper over het blote bovenlichaam gedragen werd. In de handen droeg hij een keurig stapeltje boeken en ondergoed en een aktetas met toiletartikelen.

Nu zijn in deze tijd rijlaarzen uitermate verdacht, zij rieken naar de NSB en licht hadden zij een misverstand kunnen doen ontstaan. Het korte inleidende gesprek dat wij voerden was echter voldoende om vast te stellen dat De Vries niet anders dan haar en hare leden bestrijdende ooit met de NSB in aanraking was gekomen.

Eenmaal vluchtig kennisgemaakt hebbende en na elkaar te hebben verteld hoelang wij reeds in het O.H. [Oranjehotel] logeerden, kwam door de schaftklep ons middagmaal de conversatie onderbreken. In de middag hebben wij de kennismaking voortgezet en in de volgende dagen, weken, maanden hebben wij elkaar onze levensgeschiedenis verteld, hebben wij onze politieke denkbeelden, onze godsdienstige opvattingen uitgewisseld, spraken wij over de verdediging van Nederland en over militaire toestanden, bespraken wij de toekomstige staatsvorm en sociale politiek, bespraken wij vooral de oorlogskansen.

Dit alles geschiedde zonder terughouding; in de gevangenis heeft het geen zin zich anders = mooier voor te doen dan men werkelijk is en zo gunden wij vaak elkaar een blik in de ziel.

Toen wij elkaar wat kenden en vooral elkander vertrouwden, vertelden wij de aanleiding onzer gevangenneming en de wijze waarop deze laatste in haar werk ging.

Dick werd, naar ik meen op 26 april 1941 [was in werkelijkheid 28 april], ten huize van Van Hinte, door ons steeds genoemd: de man zonder armen, te Wormer gearresteerd. Hieraan was voorafgegaan een mislukte poging tot arrestatie; die eerste keer was Dick thuis, d.w.z. in het huis van Van Hinte, alwaar hij reeds geruime tijd woonde. Hij zag de Duitsers aankomen en rende, gekleed in zijn zeilbroek en een blauw, boezeroenachtig hemd, de tuin in, sprong in een roeibootje en roeide kalm door de achtersloot toen de Duitsers in de tuin verschenen. ‘Goeieavond’, zei Dick, de Duitsers gaven geen antwoord en vertrokken weer.

De tweede keer was hij ook thuis, zag wéér de verdachte Duitsers aankomen – ditmaal twee mannen in burger met een juffrouw, die later de zeer kwalijke dochter van de zeer kwalijke luitenant-generaal der Koninklijke Nederlandse Landmacht Seyffardt bleek te zijn –, maar… zag in de tuin en om het huis niet minder dan twaalf groene politiemannen. Hij kon niet anders meer doen dan in de huiskamer onder een bank kruipen en zich daar, plat op zijn rug, uitstrekken.

Na het huis doorzocht te hebben zonder Dick te vinden!!, zetten vijf Duitsers plus juffrouw Seyffardt zich om de tafel in de kamer waar Dick lag en zeiden te zullen wachten tot hij thuis kwam. De vrouw van Van Hinte, wijkverpleegster van beroep, mocht niet van haar stoel opstaan, kon dus haar werk niet doen, evenmin als Van Hinte zelf, die later thuiskomende ook de kamer niet mocht verlaten. Zo zat, respectievelijk lag, het gezelschap van 1 tot 5 uur, Dick steeds stijver wordend onder de canapé, met intense belangstelling luisterende naar de Gestapo-gesprekken, die geheel over zijn zaak liepen.

Omstreeks 5 uur kon hij zijn krampachtige houding niet langer volhouden en bij het gaan verliggen, kwam één zijner armen onder de canapé uit en werd door een Duitser gezien. Hij brulde iets, allen vlogen tegelijk van hun stoelen op, tilden de divan omhoog en, bedreigd door vijf revolvers, moest Dick gehoor geven aan de vriendelijke uitnodiging: ‘Stehen Sie auf, Schwein!!’ Overeind gekrabbeld zijnde, werd hij met de handen omhoog tegen de muur geplaatst en gefouilleerd – zijn pistool was reeds op zijn slaapkamer gevonden –, daarna ging het gezelschap, Van Hintes inbegrepen, per auto naar Scheveningen.

Dick vertelde mij in het Oranjehotel in een cel geplaatst te zijn waar tot voor enige dagen een ter dood veroordeelde in gezeten had en dat ook zijn buren tot de doodstraf veroordeeld waren. Hijzelf werd evenals deze lieden behandeld: de schaftklep steeds open, wat gezellig was daar hij kon zien wat op de gangen gebeurde; ’s avonds alle ijzerwerk uit de cel; dag en nacht het elektrische licht brandende. Natuurlijk diende dit alles slechts om hen angst aan te jagen en murw te maken voor de komende verhoren.

Toen Dick in cel 698 kwam, waren deze verhoren al achter de rug en tot november is hij niet meer daarmede lastig gevallen. Zij waren zwaar geweest, vele uren achtereen, in het licht en dikke sigarenrook, de verhoorders elkaar steeds afwisselend, maar zonder veel ransel.

Het plan was geweest en het is tot zeer na aan de uitvoering gekomen, dat Dick naar Engeland zou vertrekken, ja, niets meer van hem horende dachten de in zijn nabijheid werkende leden der organisatie dat hij reeds ontsnapt was. Dit had ten gevolge dat ieder van alles wat niet te ontkennen viel de schuld gaf aan de zich toch reeds in veiligheid bevindende De Vries. Bij de verhoren liet hij zich dat alles maar edelmoedig aanleunen – hij kón ook niet ontkennen zonder één of meer der reeds in handen der Duitsers zijnde kameraden te beschuldigen.

Zonder twijfel zullen al deze dingen echter ter rechtszitting aan het licht gekomen en rechtgezet zijn. Na de verhoren is Dick verplaatst, nog eens verplaatst – nu naar 721 van gang F en tenslotte naar 698. Door al deze verplaatsingen en de wisseling van bewakers wist men op het laatst niet meer waarom hij gevangen zat – al had men het nog wel kunnen nazien – en dientengevolge werd hij ‘netjes’ en zonder bangmakerij behandeld.

In het algemeen werden wij in cel 698 dragelijk behandeld, weliswaar toegeschreeuwd enz. maar nimmer heeft men ons aangeraakt, laat staan geslagen. Hij zag er op 21 juli 1942 goed – wel wat mager – uit, maakte een rustige en evenwichtige indruk en vertelde zonder ophef of opwinding van zijn avonturen en gevangeniservaring.

Bij één verhaal slechts kon hij zich opwinden en zich, figuurlijk, de haren uit het hoofd trekken; dat was als hij vertelde dat alles gereed was, olie en benzine geladen en wat meer nodig is, om in twee vliegtuigen naar Engeland te vertrekken, vliegtuigen die bij Fokker gerepareerd waren en vóór aflevering nog slechts proefvluchten moesten maken. Gehoorzamende aan het bevel niet te vertrekken is zijn ontsnappingskans voorbij gegaan. ‘Had ik het toch maar gedaan’, zei hij dan, om even later te erkennen dat in een organisatie als de zijne strikte gehoorzaamheid één der belangrijkste dingen is en daarmede in te zien dat hij niet anders had kunnen doen.

Wellicht ben ik de enige die weet voor welke daden Dick gevangen genomen is, want allerminst staat vast dat de Duitsers alles bekend is. Na enige tijd, wij kenden elkaar toen al wel een maand of meer, vertelde hij mij daar van; eerst kleine episoden, daarna het gehele verhaal. Z33 was hij, een naamloze werker voor het vaderland, spionerende, saboterende en ook strijdende, gedreven door liefde voor zijn land, maar ook machtig getrokken door het avontuur.

Hij heeft met zijn medestrijders uit de Zaanstreek (o.a. E. Smit, E. Honig, J. Neuteboom, J. Groot, P.H. de Jong) een garage der Duitse weermacht te Zaandam in brand gestoken, waardoor de met roofgoederen tot vertrek gereedstaande auto’s verbrandden; hij heeft een poging tot brandstichting in een fabriek te Wormerveer gedaan, welke fabriek aan een in Duitse dienst staande NSB’er behoort; hij heeft over werkzaamheden voor de Duitsers bij Fokker en andere fabrieken opgaven gedaan die naar Engeland gezonden zijn; hij heeft bij Fokker aluminiumvoorraden vernield, het werk gesaboteerd, gereedschappen vernietigd, belastingsproeven van materiaal doen mislukken – althans verkeerd doen uitkomen; tekeningen van zweefvliegtuigen door Junkers te slepen naar Engeland gezonden na ze bij  Fokker te hebben ontvreemd; hij heeft aan Engeland opgaven verstrekt over de Nederlandse en Duitse fabrieken die vliegtuigonderdelen vervaardigden, met opgaaf van welke onderdelen; hij heeft tenslotte te Wormer twee Duitse Gestapo-agenten doodgeschoten en – luguber werk – de lijken op een bootje in de Wijdewormer gebracht en ze daar in het veen geduwd. Behoudens het laatste deed hij dit alles niet steeds alleen, doch tezamen met één of meer der genoemde personen. Ook heeft hij gedurende zes maanden tezamen met H. Ero en J.C. Thomas de twaalf Engelsen die dichtbij Van Hinte te Wormer verstopt waren en van daaruit spionage en sabotage pleegden, verzorgd en onderhouden.

Deze respectabele lijst, welker inhoud ik uit Dicks eigen mond leerde kennen, geeft hem – dit zij het enige wat er van gezegd wordt – aanspraak op de naam van waarachtige vaderlander! Nimmer heeft hij mij verteld wat precies de Duitsers hem van dit alles bewijzen konden en wat hij bekend had, maar zoals reeds gezegd: hij rekende op de doodstraf, en dus zal het belangrijkste niet te loochenen geweest zijn.

Het is niet doenlijk een verhaal te geven ‘van dag tot dag’, de dagen waren daartoe te zeer aan elkander gelijk en ook gaat de herinnering zover niet, evenmin is het mogelijk alle gesprekken weer te geven, maar sommige daarvan kan ik hier toch herhalen. Veel spraken wij over militaire toestanden; Dick was met hart en ziel soldaat en betreurde het zeer dat zijn ‘weermachtsinstructieverlof’ hem verhinderd had aan de werkelijke krijgsverrichtingen deel te hebben, maar… op het dak der Fokkerfabrieken stonden een paar zware vliegtuigmitrailleurs en de gezochte, maar nimmer gevonden bediener dezer wapens in mei 1940 was Dick de Vries.

In het militaire was er veel wat Dick hinderde en ergerde; zo bijvoorbeeld het feit dat van de 1800 bij Fokker werkende mensen slechts 1 of 2 bij de Militaire Luchtvaart als grondpersoneel werden ingedeeld; dat hijzelf ondanks vele verzoeken niet bij de M.L. kon komen en infanterist moest blijven. Dat, ondanks de waarschuwing uit Noorwegen, niet tegen parachutistengevaar geoefend werd; dat de Nederlandse soldaten de silhouetten van eigen en vreemde vliegtuigen niet kenden, zodat een luitenant der infanterie op Texel, waar Dicks garnizoen lag, op een G1 vuurde.

Voorts vond hij het een onding dat de commandant van het eiland Texel een reserve-kapitein was en ergerde hij zich aan de gewichtigheden van heren van het departement, die tot gevolg hadden dat de bouw van een bommenwerper maandenlang werd vertraagd, daar men het niet eens werd over de vraag: ‘W.C. links of rechts.’ De al te prachtige uitvoering der machines was hem ook een ergernis: ‘Alles moest té degelijk – alsof ze 20 jaren mee moesten – en te luxueus gemaakt worden’, en bij dit laatste noemde hij het varkenslederen met paardenhaar gevulde kussen voor de luchtschutter der G1, dat evengoed een matje had kunnen zijn.

Het allermeest ergerde hij zich over de niet-paraatheid der luchtmachten van Nederland en de geallieerden: ‘Terwijl ik, maar ook een leek, uit de in elke kiosk verkrijgbare vliegtuigbouw-tijdschriften, kon lezen wat Duitsland op dat gebied aan het maken was.

Tenslotte had Dick één vurige hartenwens: na de oorlog officier te mogen worden! Ik meen dat zijn belangstelling en opofferingsgezindheid hem er een zeker recht op gegeven zouden hebben dat die rang hem werd verleend. Mijn buitenmodel uniform, dat hem zeker gepast zou hebben, had ik hem al beloofd.

En waarmede vulden wij de tijd, behalve met gesprekken van deze en andere aard? Hier moge een dagindeling volgen, die enig begrip kan geven van het leven dat wij leidden:

’s Morgens 7 uur opstaan, wassen, aankleden, bedden opmaken, waterkruiken buiten de deur zetten om gevuld te worden.

8 uur: ontbijt, bestaande uit brood en een kroes taptemelk.

Van 8 tot 12: niets, behoudens soms een kwartier of tien minuten ‘luchten’.

12 uur: warm eten.

Van 12-5: niets, soms luchten, wanneer dat ’s morgens niet was gebeurd.

5 uur: uitreiking van brood en koffie.

Van 5-8: niets.

8 uur: slapen.

Het ‘niets’ trachten wij zo goed mogelijk te vullen, en wel met lezen van couranten, d.w.z. het spellen van de eerste tot de laatste letter, waarbij het weermachtsbericht en de advertenties de meeste stof tot vrolijkheid gaven. Verder het om de beurt oplossen der kruiswoordraadsels uit die couranten, waarbij Dick steeds voor de oplossing der aardrijkskundige moeilijkheden zorgde. Zijn kennis op dat gebied was enorm; zo noemde hij mij eens alle Zuid-Amerikaanse republieken met de hoofdsteden en belangrijkste rivieren uit het hoofd op! Dan lazen wij onze boeken uit de gevangenisbibliotheek, meest reisbeschrijvingen, doch ook andere, als ‘Sil de Strandjutter’ en een handboek over het zeilen, dat mij voor die sport zeer enthousiast maakte, zodat wij afspraken samen te gaan zeilen.

Soms was Dick bij het lezen zeer afwezig, deed hij een half uur over één bladzijde, wat mij – als ik op het boek wachtte – wel eens hinderde. Maar al spoedig begreep ik dat hij dan niet las, maar piekerde over verloren kanen en toekomst.

Deze niet sombere, maar stille en min of meer verbeten buien, waarin hij nors en kortaf was, duurden soms wel een dag of drie en verdwenen dan weder vanzelf. Hoezeer ik probeerde, het was mij niet mogelijk hem daar uit te halen; slechts een toevallige belangrijke gebeurtenis, een gevangenissensatie of vooral bezoek, konden hem een plotseling einde aan zo’n bui maken, anders moest het uitzieken. Het is ook niet te verwonderen dat, met hoeveel flinkheid Dick ook zijn lot droeg en zei zich met de dood vertrouwd te hebben gemaakt, hij met die dood nog maar niet direct ook vrede kon hebben en dat uren van strijd daarom voorkwamen en hun nut hadden.

Over het leven hiernamaals, God en godsdienst spraken wij ook, maar dit was eigenlijk het enige waarover Dick gesloten was. Hij sprak over moeilijkheden met zijn predikant over de weerloosheid, waarvan hij natuurlijk niets moest hebben, doch een duidelijk begrip van zijn geloof kreeg ik nimmer. Vast staat dat hij zijn avondgebed geen enkele keer oversloeg, noch zijn bijbellezing, dat hij graag naar de kerk ging en aan de werkelijk goede preken van Ds. Bos veel steun had.

Helaas kwam kerkgang zelden voor (2 of 3 keer) en waren de bezoeken aan Ds. Bos, die naast zijn gewone bezigheden een duizend gevangenen te verzorgen had, kort en haastig.

Terugkerende naar onze bezigheden, mag ik vermelden dat ik een poging deed Dick Engels te leren. Deze is niet geslaagd; evenals bijna ieder in het O.H. kon hij zich slecht concentreren, zodat het geleerde spoedig vervloog. De hersenen waren er niet bij; al lerende luisterden wij naar voetstappen op de gang: zou er post voor ons zijn of bezoek? Waarom wordt die buurman alwéér niet uit de cel gehaald? Enzovoort! Tenslotte waren wij tevreden als enkele zinnen, liefst nog in Amerikaans slang, hem in het hoofd bleven en met de herhaling daarvan op geschikte en ongeschikte ogenblikken vermaakten wij ons dan ook wel weer.

Op een dag, toen wij nog pas kort tezamen woonden, ontving ik bij mijn schone was, overigens streng verboden, speelkaarten. Van toen af aan hebben wij een ontelbaar aantal patiences gelegd; wij kenden er drie en speelden die ieder apart of tezamen, soms wel een keer of tien per dag. Nu en dan begon Dick, die er bijzonder fel op was, reeds tussen aankleden en ontbijt in. Volkomen eerlijk ging het niet steeds toe; als zo’n ding niet wilde uitkomen bedrogen wij onszelf en elkaar zonder blikken of blozen.

Behalve de gesprekken over de reeds genoemde onderwerpen behandelden wij in onze vrije tijd veel economisch-sociale onderwerpen, als arbeidstoestanden en -voorwaarden, onderwijs, kiesrecht en vooral de toestand van ons land na de oorlog, de herbouw van Nederland en de manier waarop wij geregeerd behoorden te worden. Een vooruitstrevend democraat toonde Dick zich in deze gesprekken, maar een die gevoelde voor een krachtig regeringsgezag. Behoudens dat hij wat vooruitstrevender was dan ik, waren wij het meestal erg eens, wat de gesprekken aangenaam maakte. Voor al te veel steun van overheid voelde hij niet; hij wilde wel zéér graag vooruit in de wereld, maar door eigen kracht en inspanning, door het verzamelen van meer ontwikkeling en kennis.

Ons interessantste gesprek ging over de liefde; hij had mij namelijk uitvoerig van zijn engagement verteld en daarbij gezegd dat wanneer hij ooit trouwde hij ‘daarvan toch beter moest worden’. Deze wel zeer eigenaardige opvatting, waarvan ik hem graag af wilde brengen, deed ons gesprek ontstaan dat hier moeilijk weer te geven is. Ik heb hem daarin gezegd dat hij wèrkelijk liefde in het leven lerende kennen, deze idee onmiddellijk overboord zou gooien, daar hij liefhebbende de behoefte zou krijgen het voorwerp van zijn liefde te geven: geven in materiële zin, maar meer nog aan zorg, hartelijkheid en toewijding. Hij begreep dit ook wel en wilde het zeker inzien; het was zeker het beste gesprek wat wij hadden, en hij zei: ‘Met mijn moeder zelfs heb ik nauwelijks ooit zo’n intiem gesprek gehad.’

Toen Dick bij mij in de cel kwam, had hij nog nooit bezoek gehad en ik slechts een enkele keer. Spoedig werd dit beter en kregen wij regelmatig onze familieleden te zien. Evenals ieder ander was Dick daar uitermate gelukkig mee; wij vertelden elkaar de gevoerde gesprekken na en waren er enige uren opgewonden over, ook door het steeds zeer goede nieuws dat wij dan van het oorlogsterrein kregen. De medegebrachte versnaperingen waardeerde hij niet minder dan de ontmoeting en broederlijk werd alles gedeeld: gerookte paling, kaas, boter, pindakaas, chocolade, koek, enz. Het contact tussen zijn en mijn familie kwam al spoedig tot stand, waardoor de bezoeken en de zendingen levensmiddelen zó geregeld werden dat wij niet de ene week overvloed, de andere week niets hadden.

Zonder deze zendingen waren wij er slecht aan toe geweest, want het eten was ten enenmale onvoldoende. Namelijk: 42 sneden brood + 50 gram boter in de week, 1 ons suiker de week, 7 koppen melk, 7 koppen koffie (?) en 7 pannen aardappelen met groente. Eenmaal per week kregen wij soep in plaats van stamppot; die was in het begin erg goed, later veel minder. Het ergste was de wortels, aardappels en vis, die wij in de laatste tijd vrijdags kregen. De eerste keer aten wij er niets van, later een beetje – het stonk en wij noemden het ‘viskots’. Dagelijks aten wij onze 6 vitaminepillen en toen ik cel 698 verliet kon ik er Dick nog 200 achterlaten.

Behalve naar bezoek verlangden wij zeer naar brieven; helaas kreeg Dick die nooit en hij was zo overtuigd dat de door hem geschrevene niet verzonden werden, dat hij op het laatst zelfs niet meer schrijven wilde.

Behoudens de hier beschreven bezigheden en verzetjes bracht de gevangenisroutine ook nog wel wat afleiding: wij gingen baden (1x per 14 dagen), luchten, spraken dan andere mensen, lieten ons op de gang knippen en scheren, onder veel (verboden) conversatie, vroegen en kregen bezoek van de dokter of verpleger voor min of meer denkbeeldige kwalen. Enige malen ging Dick naar de tandarts, een prettige gang wegens het daar spreken van lotgenoten, een zware gang wegens de pijnen. Wat heb ik Dick uitgelachen toen hij de eerste maal terugkwam; de tandarts had geloof ik alleen maar aan de kies gevoeld, maar een pijn!! Hij – Dick – zag zo wit als een laken en vond de ervaring nog erger dan gevangen genomen worden.

Bijna evenzeer als de pijn drukten hem de gedachten aan de kosten der behandeling, want Dick was zuinig, zeer zuinig; hij was, zoals hij het zelf meer oprecht dan elegant uitdrukte, ‘zo gierig als de pest’. Dit kwam ook naar voren bij de kopzorgen die hij zich maakte over de kosten van advocaat, reizen, pakjes enzovoort die zijn ouders te zijnen behoefte maakten en toen de rekening van de tandarts kwam, bezorgde die hem bijkans een flauwte. Maar… tezijnertijd zouden de Moffen alles terugbetalen, reken maar.

Het enige waarop Dick niet zuinig was, was zijn schoeisel; lopende in de cel draaide hij bij elke rechtsomkeert zijn voet zo krachtig over de vloer dat al spoedig elk spoor van schoenzool verdwenen was. De instructie tot het draaien zonder zoolslijtage, welke ik hem trachtte te geven en die ik met goed succes toepaste, bleef zonder resultaat.

Al hadden wij ons in onze omstandigheden geschikt, dat wil nog lang niet zeggen dat wij getemd of terneergedrukt waren. Ik geloof dat maar zeer weinigen ‘er onder’ te krijgen waren, niettegenstaande ‘kurze Vernehmungen[1] en dergelijke. De taal die wij na de vele grote en kleine plagerijen uitsloegen was dan ook kernachtig en gaf een duidelijk beeld van wat ‘later’ onze plannen met de Duitsers zouden zijn.

Waaruit dat plagen dan wel bestond? Soms in individuele behandeling, als in de cel een emmer water leeggooien met bevel die in 15 minuten op te dweilen met een lapje ter grootte van een vierkante doek. Maar meestal in collectieve behandeling: zonder waarschuwing plotseling het licht uitdraaien, zodat wij ons in donker moesten uitkleden; plotseling luchten, als wij juist aan het eten begonnen waren; een week lang geen couranten geven; zeer kort luchten, etc. Wij maakten ons dan wel eens boos, maar hervonden spoedig ons humeur en lachten maar over de zielige pogingen ons klein te krijgen, dat zou toch nooit lukken. En dat lukte ook nooit; ten eerste omdat wij ons, met ongeveer 1000 man, door elkander gedragen gevoelden, wetende dat wij allen bezield waren door dezelfde idealen en dezelfde vaderlandsliefde. Ten tweede door ons onverwoestbaar optimisme, niet alleen ten aanzien van de afloop van de oorlog, doch ook ten aanzien van de tijd waarop dat zou geschieden. Elk gunstig bericht nam in onze gedachten en gesprekken enorme proporties aan, de ongunstige negeerden wij en van het hoera-geschrijf in onze Duitse couranten geloofden wij niets.

Wat hebben wij vaak over de mogelijkheid van een plotselinge bevrijding gesproken. Uit de gevangenis gehaald te worden door een juichende menigte plus pierement leek ons het prachtigste van alles, en vaak spraken wij er over of wij liever nu direct naar huis wilden of nog een poos op zó’n bevrijding wachten. Meestal varieerde de tijd extra zitten die wij daarvoor overhadden zo tussen 14 dagen en een maand.

Het optimisme was in augustus 1941 zo gestegen dat wij onze ons afgenomen bezittingen, die in de zogenaamde Effectenkamer waren opgeborgen, door onze familieleden lieten afhalen, zodat wij – sloeg het bevrijdingsuur – zo weg konden hollen. Ook hadden wij onze koffers, die wij in de cel hadden, gepakt klaar staan! Later werden wij weer wat kalmer, maar dergelijke tegenvallers doodden ons optimisme niet; de stemming was goed en bleef goed!

Ruzie hadden wij ook, de eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Maar zelden en kort en maar over één onderwerp. Ik ben netjes. Dick is netjes, maar Dick was in de cel ‘afgrijselijk’ netjes en hij vond mij maar een slordig mannetje. Dick stapelde zijn bezittingen steeds keurig haaks op, vouwde zijn kleren vóór het naar bed gaan zó op, alsof zij net uit de linnenkast kwamen, Dick dweilde en veegde de vloer tot die steriel was en morste ik daarop bij het handenwassen een paar druppels schoon water, dan huppelde hij met een dweil achter mij aan om die op te vegen. Dat leverde nu en dan wrijving op, maar zoals gezegd: niet ernstig.

Deze voorvalletjes en bezigheden lijken bij elkaar nogal heel wat, maar verdeelt men ze over vier maanden dan is het duidelijk dat menige dag in verveling doorgeworsteld werd en het was daarom een zegen dat wij beiden zo goed sliepen. Wij sliepen om 9 à 10 uur in, soms zelfs vroeger, en waren niet vóór zeven uur wakker, dit nog aangevuld met een middagslaapje van 1,5 à 2 uur bracht de 24 uren van de dag welhaast tot de helft terug.

Eens hebben wij, na enkele vergeefse sollicitaties naar een ‘baantje’ op de gang, de cel van de wachtmeester mogen schrobben en een deel van de gang . Het kon in een half uurtje gebeurd zijn, wij deden er 3 uur over en kregen tot beloning een sigaret, waar Dick, hoewel het roken ook ontwend, vrij goed tegen kon; ik werd er lijkbleek van en voelde mij een uur lang allerbelabberst.

Eenmaal zijn wij beiden – niet tegelijk – uit de gevangenis geweest, om in het hoofdkwartier der SS op het Bezuidenhout gefotografeerd te worden, voor wat wij noemden het ‘boevenboek’. Foto en face, foto en profil, met en zonder hoed! De rit per auto was heerlijk, wij zagen mensen en bomen, zon en licht.

Tegen het einde van oktober kregen wij celgenoot nummer drie, een landarbeider uit ’s-Gravendeel. De man was niet ongeschikt, maar hij verstoorde wat de intimiteit en wij waren blij toen hij na drie weken vertrok. Maar drie man in de cel was rijkelijk veel en wij rekenden uit dat de 800 cellen met per cel 2,5 man 1000 gevangenen opkonden!!

Erg blij met het vertrek van nummer drie waren wij niet meer toen hij nog diezelfde dag vervangen werd door… een Duitser! Hij bleek een anti-Hitlerman te zijn, die, toen ik op de vraag van mijn buren wie er bij ons bijgekomen was antwoordde: ‘Een Duitser’, zelf riep: ‘Sagen Sie ruhig ein Rotmof.’ Niettegenstaande de verhalen die hij over Duitsland deed en de manier waarop hij op de nationaal-socialisten schold, waren wij toch zeer voorzichtig met hem. Ook overigens vonden wij hem maar een indringer en verlangden wij terug naar de dagen van ons rustig samenzijn.

Op 2 november stapte een soort halvegare onze cel binnen, een bijbelvorser of Jehova’s getuige. Met vier man in een ruimte van 3×1.80, dat ging toch niet, maar er werd bij gezegd: ‘Kalff geht hinaus.’ Dat zou dus het einde van ons samenwonen worden; ik verdeelde alles wat ik bezat en dat was veel, daar ik de dag tevoren bezoek gehad had: boter, chocolade, pantoffels, vitaminen, boeken, potloodjes, schrijfpapier, etc. Dick schreef gezwind enige briefjes die ik uit de gevangenis zou smokkelen en gaf mij vuil goed mede, o.a. de rendiertrui. Weinig dachten wij dat ik naar de strafgevangenis ging en de briefjes en kleren daar nog 2 maanden op de zolder zouden blijven.

Na een hartelijk afscheid van Dick werd ik gehaald en verdween ik uit cel 698. Gaarne hadden wij nog even wat intiemer gepraat dan mogelijk met twee vreemden daar bij die elk woord verstaan. Ik kon dus niet meer doen dan wat Dick deed: sterkte toe te wensen, chin up!! Ik verzekerde hem natuurlijk te zullen doen wat ik in zijn belang maar kòn doen en  alle boodschappen aan zijn moeder over te brengen. Een stevige handdruk en… aan ons samenleven van vier maanden was een einde gekomen. Gelukkig was ik de gevangenis te verlaten, ellendig vond ik het Dick te zien blijven en bovendien in zulk naar gezelschap.

En thans weet ik dat deze trouwe kameraad van precies eenderde deel eens jaars voorgoed de ogen heeft gesloten, dat ik, en wat zoveel schrijnender nog is, dat zijn ouders hem niet meer zullen zien. Mogen zij uit de beschrijving van ons leven in Scheveningen de wetenschap krijgen dat hun zoon zich al die tijd flink en als een man gedragen heeft, dat hij naast korte sombere buien opgewekt en vol goede moed gedurende het overgrote deel van de tijd was, dat hij verlangde naar de vrijheid zoals wij allen deden, zei het toch héél goed te kunnen uithouden in de gevangenis en dat ik wéét dat dat de waarheid is.

Mogen zij – met niet minder vertrouwen in hun eigen jongen dan ik in mijn kameraad – wéten dat hij met behoud van zijn geestkracht, en wellicht ook zijn geloof, ook de maanden na november 1941 heeft doorgeworsteld en bovenal wéten dat hij zonder de minste twijfel als een man zal zijn gestorven, met zijn gedachten bij zijn ouders en wel bovenal bij zijn moeder, die hij zozeer liefhad.”


[1] Kurze Vernehmung = kort verhoor, daar daarbij nogal eens geslagen werd, kreeg de uitdrukking de betekenis van een pak rammel.

Dick de Vries (Koog aan de Zaan, 1915 – Berlijn, 1943)

‘Naamloze werker’ doodt twee Duitsers

•december 23, 2011 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In het 22ste en laatste deel twee onbekende Gestapo-agenten.

De geboren en getogen Koger Dick de Vries (10-6-1915) behoorde tot de eerste Nederlanders die verzet pleegden tegen de nationaal-socialistische bezettingsmacht. In de zomer of het najaar van 1940 werd hij lid van een groepje Zaankanters dat spionagewerk verrichtte, in de hoop dat hun bevindingen bij de Engelse geheime dienst zouden komen. De Duitsers maakten, na in deze organisatie te hebben geïnfiltreerd, echter al snel jacht op De Vries. Op 28 april 1941 arresteerden ze hem in het huis van het echtpaar Hinte, waar hij was ondergedoken. Deze inwoners van Wormer waren actief in dezelfde verzetsorganisatie als De Vries en belandden samen met hem in de gevangenis van Scheveningen, bijgenaamd ‘Oranjehotel’. Bij toeval kwam De Vries op 21 juli 1942 terecht in de cel van Jan Kalff, de burgemeester van Krommenie. Die was op 8 mei gearresteerd wegens Duitsvijandige uitingen en zou ruim een half jaar blijven vastzitten. Vier maanden lang brachten De Vries en Kalff door in dezelfde cel, nummer 698.

Naamloze werker

Na de bevrijding schreef Jan Kalff een lange brief aan de familie van De Vries, waarin hij zijn ervaringen met zijn celgenoot uit de doeken deed. “Z33 was hij”, schreef Kalff: “Een naamloze werker voor het vaderland: spionerende, saboterende en ook strijdende, gedreven door liefde voor zijn land, maar ook machtig getrokken door het avontuur.” Waarna de burgemeester -hij zou na zijn vrijlating als zodanig worden ontslagen en zijn verzetsactiviteiten hervatten- een opsomming geeft van de illegale daden van De Vries en diens collega’s. “Hij heeft met zijn medestrijders uit de Zaanstreek (o.a. E. Smit, E. Honig, J. Neuteboom, J. Groot, P.H. de Jong) een garage der Duitse weermacht te Zaandam in brand gestoken, waardoor de met roofgoederen tot vertrek gereedstaande auto’s verbrandden; hij heeft een poging tot brandstichting in een fabriek te Wormerveer gedaan, welke fabriek aan een in Duitse dienst staande NSB’er behoort; hij heeft over werkzaamheden voor de Duitsers bij Fokker en andere fabrieken opgaven gedaan die naar Engeland gezonden zijn; hij heeft bij Fokker aluminiumvoorraden vernield, het werk gesaboteerd, gereedschappen vernietigd, belastingsproeven van materiaal doen mislukken -althans verkeerd doen uitkomen; tekeningen van zweefvliegtuigen door Junkers te slepen naar Engeland gezonden na ze bij  Fokker te hebben ontvreemd; hij heeft aan Engeland opgaven verstrekt over de Nederlandse en Duitse fabrieken die vliegtuigonderdelen vervaardigden, met opgaaf van welke onderdelen; hij heeft tenslotte te Wormer twee Duitse Gestapo-agenten doodgeschoten en -luguber werk- de lijken op een bootje in de Wijdewormer gebracht en ze daar in het veen geduwd. Behoudens het laatste deed hij dit alles niet steeds alleen, doch tezamen met één of meer der genoemde personen.”

De namen van de twee ‘Gestapo-agenten’ zijn niet bekend. Het doodschieten moet in 1940 of begin 1941 hebben plaatsgevonden. Daarmee waren het de eerste liquidaties van de Zaanse illegaliteit, en een van de eerste in Nederland. In de archieven is overigens voor zover bekend niets te vinden over deze liquidaties, en nationaal-socialistische wraakacties hebben er niet plaatsgevonden.

Dick de Vries werd in 1942 van Scheveningen naar een gevangenis in Berlijn getransporteerd. Tijdens het zogenaamde ‘Stijkelproces’ (vernoemd naar de verzetsman J.A. Stijkel, die eveneens terechtstond) werden De Vries en 31 andere Nederlanders veroordeeld tot de doodstraf. Die werd op 4 juni 1943 in Berlijn voltrokken.      

 Dick de Vries 

Hendrik van der Kraan, van beroep jodenjager

•december 10, 2011 • 1 reactie

In vrijwel geen enkel boek over de Zaanstreek tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt zijn naam genoemd. Toch herbergde Zaandam gedurende die jaren een van de grootste jodenjagers die Nederland kende: Hendrik van de Kraan. Hoogste tijd dus om deze meedogenloze politieman wat meer aandacht te geven.  

Hendrik van der Kraan (Schiedam, 13-10-1897) komt in 1930 met zijn vrouw en vier kinderen vanuit Delft, waar hij politieagent is, naar Zaandam. Hij zal tot begin 1944 in de Prins Hendrikstraat 130 wonen en verhuist daarna naar Amsterdam. Ook in Zaandam werkt Van der Kraan als agent. Hij is een blauwe maandag lid van de SDAP, maar kiest tijdens de bezetting voor de NSB. In zijn hoedanigheid als politieagent moet hij op 17 januari 1942 langs een aantal Zaandamse adressen waar joden wonen, met name op de Hogendijk. De personen op zijn looplijstje dienen die dag hun huizen te verlaten, met achterlating van bijna al hun bezittingen. Ze worden ‘geëvacueerd’ naar Amsterdam, waar ze moeten blijven tot hun deportatie naar Westerbork en vervolgens het vernietigingskamp.

Het is de eerste klus bij het uit de samenleving verwijderen van joden die Van der Kraan krijgt. Hij is overigens niet de enige. Die dag zijn er meer Zaandamse politieagenten in touw die de huizen van joden moeten verzegelen en hun sleutels in beslag dienen te nemen. Een paar van hen zullen later zelfs in de illegaliteit belanden en zich tot het uiterste inspannen om joodse levens te redden. Zo niet Van der Kraan.

In 1942 wordt hij geschorst bij de Zaandamse politie. Hij heeft een kolenhandelaar gedwongen om hem voor 2,50 gulden anthraciet te leveren, zonder bon. Zou de verkoper dat niet doen dan dreigt Van der Kraan hem een bekeuring te geven wegens prijsopdrijving. Het plan mislukt, omdat de handelaar de chantage meldt bij de hoofdcommissaris. Van der Kraan krijgt zijn congé. Hij kan vervolgens naar eigen zeggen alleen nog aan de slag bij de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung. Deze in Amsterdam gevestigde instelling ziet toe op het uit Nederland verwijderen van alle joden.

In maart 1943 vertonen de jodendeportaties een dipje. Er wordt een Colonne Henneicke gevormd, zo genoemd naar haar leider Wim Henneicke. Een groep van enkele tientallen collaborateurs wordt vrijgesteld om op jodenjacht te gaan. Ze reizen het land door op zoek naar nog niet opgepakte, veelal ondergedoken joden. Daarbij wordt geen enkel middel geschuwd: verraad, marteling, beloningen en bedreigingen.

Van der Kraan ontpopt zich tot een van de fanatiekste jodenjagers die Nederland heeft gekend. Volgens een naoorlogs verslag brengt hij 143 joden naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, de verzamelplaats waar de slachtoffers meestal terechtkomen alvorens naar Westerbork te worden afgevoerd. Het is een conservatieve schatting. Van der Kraan arresteert zeker 150 en waarschijnlijk nog wel meer joden en levert ze over aan de bewakers van de schouwburg. Ook ’ariërs’ die worden verdacht van hulp aan joden zijn bij hem niet veilig. Zo verraadt hij in 1944 de schuin tegenover hem in de Prins Hendrikstraat wonende Geertruida Pel-Groot, die een anderhalf jaar oud joods meisje in haar huis verbergt, Marion Swaab. De weduwe Pel slaagt er nog wel in om het meisje te laten onderduiken bij familieleden, maar zelf wordt ze een jaar later in de gaskamer van Ravensbrück om het leven gebracht.

Ook de in Koog aan de Zaan ondergedoken Cora en Max van Praag ontkomen niet aan Van der Kraan. Tijdens de inval waarbij het echtpaar wordt aangehouden vinden de jodenjager en een collega ook nog de tijd om een horloge en 800 gulden achterover te drukken. Het tekent het totale gebrek aan scrupules bij Van der Kraan. 

In zijn boek Kopgeld. Nederlandse premiejagers op zoek naar joden 1943 beschrijft historicus Ad van Liempt een ander voorbeeld van diens misdadige karakter. In zijn publicatie geeft Van Liempt deze ‘foute’ Zaandamse politieman overigens het pseudoniem ‘Van der Kraal’, waarschijnlijk omdat hij geen toestemming kreeg diens echte naam te hanteren: “Collega Van der Kraal brengt in september 1943 een flink aantal arrestaties op zijn naam dankzij een vaste tipgeefster, mevrouw D. Het is nogal een treurig geval. Ze is zelf niet joods, haar man wel en die is in Rhenen gearresteerd. Hij is weliswaar gemengd gehuwd en hoeft daarom niet te worden gedeporteerd, maar hij heeft zijn moeder laten onderduiken en haar aan valse papieren geholpen. Dat maakt hem strafbaar en daarom wordt hij op 31 augustus in de Hollandsche Schouwburg binnengebracht. Zijn vrouw wil er alles aan doen om hem vrij te krijgen, en ze neemt contact op met Van der Kraal, die twee huizen van haar vandaan woont, in de Waalstraat, Amsterdam-Zuid. [Hier lijkt Van Liempt zich te vergissen. Van der Kraan verhuist pas op 4 februari 1944 van Zaandam naar Amsterdam, E.S.] Daar weet Van der Kraal wel wat op: als mevrouw D. hem aan adressen van joodse onderduikers helpt, kan hij wel proberen iets voor haar man te doen. In de Berichte komen wel vijf gevallen van afgedwongen verraad door mevrouw D. voor. Eenmaal is er zelfs een joods gezin aangegeven dat mevrouw D. bij zich in huis heeft genomen – ze heeft ze 125 gulden vooruit laten betalen. Maar het helpt niets. Van der Kraal laat haar bungelen, ze zal, ondanks haar bruikbare tips, haar man nooit meer terugzien.”

Dat laatste geldt voor bijna alle slachtoffers van Van der Kraan en de andere medewerkers van de Colonne Henneicke, zo’n 8000-9000 joden. Hendrik van der Kraan groeit uit tot de grootste premiejager van de Zaanstreek – voor elke opgepakte jood vangt hij minstens 7,50 gulden - en een van de grootste in Nederland. Zoals de Duitse Hauptsturmführer Karl Wörlein (een van de oppermannen bij de Zentralstelle) in 1943 complimenteus over hem schrijft in een intern rapport: “Momenteel werkt Van der Kraan bij de groep die ondergedoken joden opspoort; hij heeft daarbij opnieuw bewezen dat hij bereid is zich in ieder opzicht voor de Duitse belangen in te zetten. ”

Hendrik van der Kraan wordt in mei 1945 opgepakt en in november 1948 door het Bijzonder Gerechtshof ter dood veroordeeld. Dat wordt later omgezet in een levenslange gevangenisstraf. Hij sterft uiteindelijk in het Centraal Ziekenhuis voor het Gevangeniswezen te Vught, op 14 oktober 1955.

Het loopbriefje van Hendrik van der Kraan de dato 17 januari 1942, met de namen van de Zaandamse joden die hij uit hun huis moest halen, alsmede zijn instructies.

Speelfilm over leven Walraven van Hall

•november 29, 2011 • 2 reacties

Of zijn naam een plek krijgt in het nieuwe gemeentehuis van Zaanstad is nog helemaal de vraag, ondanks een eerder besluit daartoe van de gemeenteraad. Met ‘dank’ aan het college van B&W, waar historisch eerbetoon laag op het lijstje staat. Maar er komt wel -eindelijk- een speelfim over de man die via ‘zijn’ Nationaal Steunfonds vrijwel het gehele Nederlandse verzet, de Binnenlandse Strijdkrachten, de Spoorwegstakers en tienduizenden onderduikers van financiën voorzag. Voor wie hem niet kent: ik bedoel Walraven van Hall. 

Productiebedrijf NL Film (bekend van onder meer De Storm en Costa!) is van plan om in de winter van 2012/’13 te beginnen met het verfilmen van Wally’s leven als verzetsman. Zie ook hier. Eerder deed Rutger Hauer een poging tot verfilming, maar hij kreeg de financiën niet rond en had bovendien moeite om een acceptabel script te laten schrijven. 

In 2006 verschenen er achtereenvolgens een tweedelige tv-documentaire en een boek over Van Hall. In 2010 ging in het Verzetsmuseum een zeer goed bezochte expositie van start over deze Zaanse bankier, die wegens succes zelfs met vele maanden werd verlengd. Eveneens in 2010 vond de onthulling plaats van een prachtig monument voor de ‘olieman’ (een van zijn vele bijnamen). En nu komt er dus een speelfilm. Met medewerking van zijn drie kinderen. “Omdat het een historisch verantwoorde vertelling wordt”, schreef Walravens zoon Aad me. Ik hoop het. Een Hollywood-achtige benadering doet Walraven van Hall, de belangrijkste verzetsstrijder die Nederland had, geen recht.

Ik hoop tevens tegen die tijd een nieuwe druk te kunnen presenteren van mijn vijf jaar geleden uitgebrachte boek Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945). De vorige editie is sinds lang uitverkocht. Ik houd u op de hoogte.

Nu alleen nog een monument voor Van Hall ergens in Zaandam. Het college heeft iets goed te maken.

Bruiloft van Walraven en Tilly van Hall

Bruiloft van Walraven en Tilly van Hall

Monumenten Spreken

•november 8, 2011 • Geef een reactie

De Zaanstreek herbergt een kleine dertig monumenten die herinneren aan de Tweede Wereldoorlog. Van de plaquette met de namen van omgekomen leraren en leerlingen van het Zaanlands Lyceum tot ‘Dikke Bertha’, het ietwat plompe beeld op het Zaandamse Verzetsplantsoen. In bijna alle gevallen is het verhaal achter de monumenten niet bekend bij het grote publiek. Wellicht komt daarin binnenkort verandering, aan de hand van het project ‘De Monumenten Spreken’.

Een kleine, maar enthousiaste en zeer capabele ploeg is momenteel bezig met het maken van de eerste filmpjes over de Zaanse monumenten. Er is nog flink wat geld nodig om alle monumenten op beeld vast te leggen, maar de fondsenwerving gaat vast wel lukken. Voor wie wil doneren, zie hier

Het eerste filmpje, de pilot, is nu af. Het gaat over de geschiedenis van de gedenksteen op de Zaandamse Leeghwaterweg. Een aanrader. Zie YouTube

Onthulling oorlogsmonument Leeghwaterweg

Zaanse handel met Westerbork

•juli 22, 2011 • 1 reactie

Medio 2011 verscheen het boek ‘Bloembollen’ voor Westerbork. Daarin is onder meer nauwgezet vastgelegd hoe een groep Zaanse doopsgezinden de joodse gevangenen in kamp Westerbork steunde met voedselpakketten en andere goederen. Er is echter ook een ander verhaal te vertellen over Zaanse produkten die naar Westerbork gingen. Want het verzet tegen de nazi’s mag in de Zaanstreek stevig geweest zijn, er werd door sommigen ook aardig verdiend aan diezelfde nationaal-socialisten. Met als wrang dieptepunt de Zaanse bedrijven die op verzoek goederen leverden aan kamp Westerbork.

Bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) zijn fragmenten bewaard gebleven van de documentatie over leveranties aan Westerbork. Deze schaarse restanten betreffen met name de zomer van 1944. Het merendeel van de 140.000 Nederlandse joden was toen al vergast in Auschwitz en Sobibor, na eerder dagen-, weken- of maandenlang in Westerbork te hebben geleefd. Sommige ondernemingen deden uitstekende zaken door en met deze deportatie-industrie. En opvallend is dat daar relatief veel Zaanse ondernemingen tussen zaten.

Neem bijvoorbeeld het Zaandamse Bruynzeel. Op 7 augustus 1944, nog geen maand voor het laatste jodentransport van Westerbork naar Auschwitz (van de ruim duizend getransporteerden die op 3 september naar dat vernietingskamp werden gestuurd, zouden 127 mensen het overleven), zond ‘Bruynzeel’s schaverij N.V. – Zaandam’ een rekening van 2367,42 gulden naar het Durchgangslager voor de leverantie van een enorme stapel dennenhout. Of daarvan nog wat nieuwe barakken gebouwd werden, vermeldt de geschiedenis helaas niet. In dezelfde maand leverde de onderneming ook nog ’10 Stück Bruynzeel Türen 78 cm br.’ alsmede een zelfde aantal met een breedte van 73 centimeter. “Betaling: vooruitbetalen.”

Eveneens in augustus ontving ‘T. Duyvis Jz.’ in Koog aan de Zaan vanuit het concentratiekamp een bestelling voor ‘Salatoma 2000 Flaschen’ en ‘Jucoblokjes 1860 Rationen’. De leverantie(s?) vormde kort na de oorlog geen beletsel om het familiebedrijf het predikaat ‘Koninklijk’ te schenken.

Op 14 augustus 1944 plaatsten de verantwoordelijken in kamp Westerbork een bestelling bij de (nu nog altijd bestaande) firma Jan Dekker in Wormerveer. Ze verzochten om de levering van ‘Aluminiumsulphat technisch 10 K.G.’ en ‘Naphtaline 5 K.G.’. “Wie mit Einkäufer Davids besprochen”, staat er onderaan de bestelbon. Het was een zin die vaker terugkwam zodra er orders moesten worden weggezet. Het verklaart waarschijnlijk, zo ontdekte ik afgelopen week, waarom er relatief veel Zaanse bedrijven handel dreven met kamp Westerbork.

Andries Davids (Rotterdam, 30-1-1905) was de voordien in Groningen wonende vertegenwoordiger binnenland van de Zaandamse essencefabriek Polak & Schwarz. Nadat hij eind 1942 of begin 1943 met zijn gezin was vastgezet in Westerbork werd hij daar benoemd tot inkoper. Gezien zijn vele contacten in de Zaanstreek is het logisch dat hij in deze regio goederen bestelde. Die bestellingen moesten overigens wel eerst worden goedgekeurd door de beruchte -want sadistische- SS-Sturmscharführer Franz Fischer (Bigge, 10-12-1901/19-9-1989). Hij tekende de bestelformulieren. Na de bevrijding is Fischer tot de doodstraf veroordeeld, een straf die later werd omgezet in levenslang. Hij zou bekendheid krijgen als lid van de ‘Vier van Breda’.

Andries Davids plaatste ook bestellingen bij zijn oude werkgever Polak & Schwarz. Dat is des te wranger, omdat deze in Zaandam gevestigde essencefabriek tot 1942 een grotendeels joods bedrijf was. Vijftien joodse personeelsleden en zeven leden van de familie Schwarz zouden de Holocaust niet overleven. Hun ‘arische’ collega’s leverden, in ieder geval in 1944, verschillende keren goederen aan Westerbork. Op 3 juli onder meer 30 kilo ‘Acidum sulfuricum techn.’, 3 kilo ‘Hydras natricus techn.’ en 30 gram ‘Nitras argenticus’. Cynisch genoeg waren dat geneesmiddelen voor de door de nazi’s doodgewenste kampbevolking. Op 11 juli volgde er een opnieuw bestelling bij Polak & Schwarz, voor 2 kilo ‘Grapefruit Essenz’. “Bereits mit Einkäufer Davids mündlich besprochen”, vermeldt bestelbon 36743. Op 25 juli was er wederom een order, op 27 en op 31 juli nog twee. Van andere maanden ontbreken de gegevens, maar het is ongetwijfeld niet gebleven bij deze vijf opdrachten.

Van de Zaanse bedrijven lijkt echter beschuitfabriek Hille (Oostzijde 314, Zaandam) de meeste bestellingen te hebben verwerkt. Op 6 juli 1944 werd er vanuit Westerbork gevraagd om ’650 Rationen Zwieback’ (beschuit). Een week later ging het om 690 porties beschuit. Met een ijzeren (wekelijkse) regelmaat kwamen de bestellingen binnen. Waren de beschuiten bestemd voor de bewoners in het kamp of voor degenen die -eveneens met een ijzeren regelmaat- op de dinsdagen in de trein naar Auschwitz werden gepropt? Was het voor tienduizenden joden en zigeuners een galgenmaal of was het daar voor de achterblijvers ‘slechts’ een voorschot op?

Zijn ‘baan’ als inkoper betekende voor Andries Davids en zijn gezinsleden uitstel van executie. Hij was nodig om de cruciale goederenstroom tussen de buiten- en de binnenwereld op gang te houden. Tot vlak voor het laatste transport naar Auschwitz handelde Davids in Westerbork zaken af. Eind augustus was er van de joodse bevolking in Westerbork slechts een restant over. Davids was niet langer gewenst. Op 3 september 1944 stapten ook hij, zijn echtgenote Esther en zijn drie kinderen in de trein naar Auschwitz. Esther en de kinderen werden daar op 7 oktober vergast. Andries kwam in een werkkamp nabij Auschwitz terecht. Medio januari 1945 was ook hij dood.

Of, en zo ja hoe lang de leveranties van Zaanse bedrijven aan Westerbork nog doorgingen na het gedwongen vertrek van Andries Davids is onbekend.

Andries Davids in Westerbork (8 april 1944)

Antisemitisme door vriend en vijand

•december 10, 2010 • Geef een reactie

Het was een opvallend bericht in het Noordhollands Dagblad van 10 december 2010 (overgenomen door onder meer Het Parool en GeenStijl): in 1943 stuurde een Nederlandse diplomaat in Bern een document naar de Nederlandse regering in ballingschap met daarin een ontluisterend advies over de benoeming van joden. Zijn tekst: “Uit Nederland komen reeds lang vele berichten over de teleurstelling ondervonden bij het verbergen van joden en het veiligstellen van hun vermogens. Vaak komt voor het verraden van christen-gastheren en andere helpers en het aangeven van bergplaatsen van juwelen en dergelijke om zichzelf te redden of door lafhartig gedrag. Geheel onafhankelijk van Duitse propaganda ontstaat hierdoor groeiende anti-joodse stemming. (…) Daarom heb ik de indruk dat de benoeming van joden in hogere officiële regeringsposities in Nederland niet gaarne wordt gezien en vertrouwen in de regering niet bevordert.” Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens vond het bericht blijkbaar dermate belangrijk dat hij het doorstuurde naar de minister van Justitie.

Antisemitisme was tijdens de Tweede Wereldoorlog geen alleenrecht van de nazi’s. Ook binnen andere kringen, en zelfs bij de illegaliteit, kwam het voor. Een paar jaar geleden vond ik bij het Nationaal Archief in Den Haag een voor de Nederlandse inlichtingendienst bestemde notitie van de Zaandijker Andreas Ausems (1904-1955). Deze technisch beambte bij Fokker reisde in september 1943 via Frankrijk, Spanje en Portugal naar Groot-Brittannië. Daar kreeg deze verzetsman van de Nederlandse regering de opdracht krijgt om terug te keren naar Nederland om er een verzetsnetwerk op te bouwen.

In zijn notitie liet Ausems zich erg kritisch uit over zijn joodse landgenoten. Ik citeer: “Er zijn natuurlijk ook goede, doch er zijn er die verbazend indringerig zijn, mopperen over de kinderen en het eten en de huiselijke regelen naar hun wensen willen hebben en er niet over denken dat zij zich volgens de huiselijke regelen van dat gezin hebben te gedragen. Ik heb zelf twee joodse jongens en 1 joods meisje in huis gehad. Mijn vrouw, die geen dienstmeisje had, moest hen de gehele dag nalopen en kreeg geen medewerking. Zij zijn onvoorzichtig door het schrijven van brieven aan elkaar, waarin zij uitvoerige gegevens vertellen over de familie waar zij ondergebracht zijn. Hierdoor zijn ook mensen verongelukt. Aan de andere kant heb ik ook joden ontmoet die zeer goed en sympathiek zijn, doch zij vormen de grote minderheid van de ondergedokenen. Wanneer je aan illegaal werk doet, dan ben je bang voor een jood. Je helpt hen dan niet meer en heb je een slaapadres nodig, dan informeer je eerst of er een jood verborgen gehouden wordt. Het is zeer erg wat de joden wordt aangedaan, doch je moet ook voor de veiligheid van je eigen familie zorgen en daarom kan je ze dan niet meer helpen. Een en ander is mijns inziens de schuld der joden zelf en niet het gevolg van de Duitse of NSB-propaganda.”

De Nederlandse gezant in Bern luisterde overigens naar de naam J.J.B. Bosch ridder van Rosenthal. Deze jonkheer was iemand die, getuige Jacques Pressers standaardwerk Ondergang, weinig op had met joden. Het lijkt er op dat de diplomaat en verzetsman Dré Ausems wat hen betreft op één lijn zaten. En ze waren helaas geen uitzonderingen.

Andreas Wilhelmus Maria Ausems



Ministerieel bericht uit september 1943

Mislukte aanslagen van het Zaanse verzet

•december 4, 2010 • Geef een reactie

In de Zaanstreek werden tussen 1943 en 1945 zo’n twintig mannen gedood door de illegaliteit. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat door deze liquidaties twee tot vier keer zoveel slachtoffers vielen als op grond van het Zaanse inwonertal kan worden verwacht. Verwonderlijk is dat niet; het verzet in de Zaanstreek was bovengemiddeld actief.
Het aantal aanslagen op collaborateurs, zwarthandelaars en dieven bleef echter niet beperkt tot de twintig die elders op deze website zijn terug te vinden. Een handvol pogingen om tegenstanders uit de weg te ruimen mislukte namelijk. Hieronder de namen van de slachtoffers die wel het doelwit waren van het Zaanse verzet, maar de executiepoging voor zover bekend overleefden.

Het waarschijnlijk eerste doelwit van de regionale illegaliteit is de Krommenieër burgemeester A.G. Jongsma. Op dezelfde dag dat deze fanatieke NSB’er een kogel op zich afgevuurd krijgt, wordt er ook een aanslag gepleegd op de Zaandijkse Willem Korf. Onduidelijk is of de aanslag op Korf het gewenste resultaat heeft; de berichten spreken elkaar tegen. De beoogde liquidatie van Jongsma mislukt in ieder geval wel.
In zijn memoires wijdt Jan Brasser, in 1943 de plaatselijk leider van de Raad van Verzet (RVV), een halve pagina aan de aanslag op de gehate Jongsma (bijnaam ‘Gekke Gerrit’). “Op 27 september 1943 liep ie in de Badhuislaan, z’n hond uit te laten. En twee jongens die tot de RVV behoorden en die die opdracht van mij hadden gekregen, die schoten ‘m in z’n borst”, aldus Brasser. Kort daana ziet de communistische verzetsman een exemplaar hangen van het NSB-blad Volk en Vaderland. “Er stond ook in: aanslag op kameraad Jongsma, burgemeester in Krommenie. Kogel in portefeuille blijven steken. Dat zal wel een combinatie van afstand, licht kaliber pistool en dikke portefeuille geweest zijn, dat de kogel bleef steken dus hè.”
De herinneringen van Brasser sluiten aan bij die van Jongsma. De burgemeester laat de NSB een dag later verslag doen van de aanslag: “Hij liep met zijn hond op de openbare weg en werd door twee wielrijders ingehaald, die hem voorbijreden en een schot in de borst afvuurden. De kogel bleef in zijn portefeuille steken. De burgemeester is ongedeerd. Doordat hij op zijn hond viel, kon hij deze de daders niet achterna zenden.”

Een maand na de mislukte aanslag op Jongsma gaat het opnieuw mis, dit keer bij de hulpagent Bloemsma. Deze NSB’er, die woont in de Koogse Tulpstraat 7, is het doelwit van Nico Rem, een lid van de ‘wilde’ verzetsorganisatie Koog-Bloemwijk. In 1984 schrijft Rem -eerder mede-verantwoordelijk voor de moordpoging op Willem Korf- daarover: “In oktober 1943 werd een aanslag gepleegd op het leven van de politieagent Bloemsma te Koog a.d. Zaan. Bloemsma was een fanatiek NSB’er (W.A.-man) en onderhield contacten met de SD. Deze aanslag, welke gepleegd werd door ondergetekende, mislukte evenwel. Later zijn nog 2 pogingen gedaan. Waarschijnlijk argwanend geworden, kreeg men evenwel geen redelijke kans meer hem te benaderen.” Ook Bloemsma haalt levend het eind van de oorlog.

Dat geldt eveneens voor Klaas Kuijper. Op 22 mei 1944 meldt de politie: “Wordt n/m de burgemeester van Krommenie een voorlopig bericht te willen doorgeven, betreffende een aanslag op Klaas Kuijper, won. te Krommenie. Kuijper werd daarbij door het 2e schot gewond, in zijn rug. Dader onbekend. Kuijper is van de Landstorm.” In een ander bericht bericht J. Kalff (de inmiddels ontslagen burgemeester van Krommenie) eveneens over de aanslag: “Om 16.30 werd door een onbekende een moordaanslag gepleegd op de SS-grenadier K. Kuijper. Drie schoten werden gelost en Kuijper werd in de rug niet levensgevaarlijk getroffen. Hij is per auto naar het Luftgau Lazaret te Amsterdam vervoerd. Het onderzoek naar de dader leverde niets op.” Dankzij een artikel van de communistische verzetsleider Jan Brasser weten we inmiddels wie de dader was: Jan Bonekamp. Deze IJmuidenaar, die eerder net als Brasser werkzaam was bij Hoogovens in Velsen, werd in mei 1944 tijdelijk gehuisvest bij een echtpaar in Krommenie. In het artikel is sprake van de ‘Hoofdstraat’, waarschijnlijk de Noorder- of Zuiderhoofdstraat. Vanaf die plek kan Bonekamp de woning van Klaas Kuijper (bijnaam: ‘Sing Sing’) in de gaten houden. Brasser: “Sing Sing was een berucht individu. Weliswaar was er niet achter te komen welke activiteiten hij in ‘actieve dienst’ bedreef, maar gezien het feit dat hij zijn weinige verlofperioden gebruikte om bij vreedzame burgers binnen te dringen, hun woningen in grote wanorde en de mensen in doodsangst achterlatend, was het niet moeilijk te raden wat deze landverrader uitspookte wanneer hij geen verlof had.” Over de mislukte aanslag op Kuijper schrijft Brasser: “Nadat Jan de uitdagend lopende SS’er voorbij de woning had zien wandelen, begaf hij zich kalm naar de achterzijde van het huis, stapte hier op zijn fiets en reed in slakkengang de straat op, achter zijn doelwit aan. Een flink eind van de woning werd Sing Sing gevloerd. Weer terug in het rustige boerderijtje vernam Jan hoe ook deze landverrader -met kans op herstel- in het ziekenhuis was opgenomen.”

Op 3 september 1944 is er een liquidatiepoging op G. Jongsma, niet te verwarren met de bijna gelijknamige NSB-burgemeester van Krommenie. ‘Gestapo-agent’ meldt het gewapend verzet. Maar het hoe en waar(om) van deze aanslag is niet bekend. De Zaandamse C.J. Kuiper uit Zaandam meldt op 6 september in haar oorlogsdagboek: “In Zaandijk is een NSB’er doodgeschoten.” Doelt ze op Jongsma? e weten het niet.

Opvallend is dat in het jaar voor Dolle Dinsdag de meeste moordaanslagen door de ondergrondse mislukken. Gebrek aan ervaring, domme pech, slechte wapens? Hoe dan ook, na 5 september 1944 is er meer succes en leggen in de Zaanstreek zo’n zeventien collaborateurs het loodje. Zo niet ene D. Brinkman. De man in kwestie raakt op 2 maart 1945 zwaargewond na te zijn neergeschoten door een Zaanse Knokploeg. Het is -voor zover bekend- de laatste die een aanslag door de regionale illegaliteit overleeft.
Of betreft dat toch ene Janusek? Deze wordt in een KP-verslag genoemd (‘is er weer bovenop gekomen’), maar zonder verdere specificaties. Meer gegevens komen van BS-commandant J.G. van Marle. In zijn oorlogsmemoires schrijft deze reserve-ritmeester vrij uitgebreid over Janusek (wiens naam Van Marle met een z schrijft). Jammer genoeg noemt hij niet diens voornaam of de datum van de aanslag. Van Marle: “In Wormerveer was reeds herhaalde malen verraad gepleegd zonder dat men wist waar dit vandaan kwam. In dezelfde dag opereert aan de Zaan een zekere Januzek. Hij was vroeger kapper geweest in Purmerend, sprak goed Nederlands, was SD-agent, maar droeg de titel van Ober-Stabartzt, reed altijd met een witte auto met een rood kruis, terwijl hij soms ook met een Rode-Kruiswagen opereerde, waarin altijd dan 6 man Grüne Polizei waren. O.a. had hij bij garage Zwart [in Wormerveer; eigenaar Piet Zwart was aktief in de illegaliteit] beslag gelegd op alle mogelijke onderdelen en bovendien enkele auto’s, die beslist verraden moesten zijn. De directie van garage Zwart zag kans, na oneindig heen en weer gepraat en het opwerpen van alle mogelijke technische moeilijkheden, verreweg het grootste gedeelte van de onderdelen te redden dat na de bevrijding door de BS gebruikt kon worden. (…) Januzek zelf was moeilijk te vinden. Het was een hele toer om hem te pakken te krijgen, maat tenslotte werd zijn auto op de Hemweg tussen de pont en Amsterdam opgewacht en in een vuurgevecht werd Januzek zeer zwaar gewond. Het oude spreekwoord dat onkruid niet vergaat werd weer bewaarheid, want hij genas van zijn wonden.”
Waarmee ook deze kogelregen niet het beoogde resultaat had. In totaal slaagden in de periode 1943-1945 binnen de Zaanstreek twintig aanslagen en werd één Zaanse vrouw daarbuiten geliquideerd. Van zes aanslagen is dus bekend dat de slachtoffers gewond raakten, maar weer opkrabbelden. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat met name na Dolle Dinsdag de Zaanstreek veranderde in een Wild-Westgebied, waar ‘foute’ Nederlanders hun leven niet zeker waren. Omgerekend naar het aantal Zaanse inwoners en het aantal gedode collaborateurs kan bovendien worden gesteld dat het aantal succesvolle aanslagen in deze regio een factor 2 à 3 hoger lag dan gemiddeld elders in Nederland.

Burgemeester A.G. Jongsma

Liquidatie van Jan Boekelaar bijna mislukt

•november 30, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In het 21ste deel Jan Boekelaar (Westzaan, 13-12-1905/Zaandam, 23-2-1945)

Aan de Zaandamse Prins Hendrikkade woont Jan Boekelaar, een autosloper annex caféhouder. Volgens de Binnenlandse Strijdkrachten vormt de man een gevaar, omdat hij materialen levert aan de Duitse Weermacht. Het besluit valt om hem uit de weg te ruimen, een taak die aan de plaatselijke Knokploeg wordt toebedeeld. Het precieze hoe en waarom is niet bekend, maar vast staat dat Boekelaar op 23 februari 1945 in de namiddag wordt geliquideerd. Dat gaat echter nog bijna mis, zo blijkt uit een kort verslag. “Jaap O. had opdracht om Boekelaar neer te leggen. Toen het ogenblik daar was, begon Jaap tegen zijn makker te schreeuwen: ‘Ik kan hem niet krijgen’. Hiermede bedoelde hij zijn Remington [een pistool], die in zijn zak bleef haken.” Ondanks de strubbelingen slaagt de aanslag, die plaatsvindt bij de Zeemansstraat in Zaandam. Boekelaar wordt zwaar gewond naar het Gemeenteziekenhuis vervoerd en overlijdt daar al snel.

De Zaandamse C.J. Kuiper, die op de Zuiddijk woont, schrijft op 25 februari in haar oorlogsdagboek: “Gisteren [dat moet zijn eergisteren, E.S.] is weer een grote zwarte handelaar doodgeschoten door de verzetsmannen. Van tevoren is hij gewaarschuwd dat hij, indien hij zijn zwendel zou voortzetten, de kogel zijn straf zou zijn. Hij heeft niet willen luisteren, en dit is zijn straf.”

Na de oorlog komt oud-KP’er Tj. Groot uit Krommenie in een brief aan voormalig BS-commandant Johann Gottlieb van Marle nog even terug op de moord. Op 21 mei 1947 schrijft de voormalige BS-magazijnmeester en hoofdfourier: “Zoals u mogelijk reeds uit de bladen vernomen zult hebben, werd de ploeg van Boekelaar, Vos en nog vier kornuiten een paar weken geleden in Zaandam gearresteerd. Dit waren de knapen die, onder meer in Duits uniform, tijdens de bezetting nachtelijke overvallen pleegden en geld en goed afpersten. Door ons werd destijds een broer van bovengenoemde Boekelaar neergelegd, maar de rest bleef tot nu toe buiten schot (letterlijk en figuurlijk). Heel Zaandam herademde toen het stel eindelijk achter slot en grendel zat en niemand van de vroegere slachtoffers meer in angst behoefde te zitten. Maar helaas, de vorige week waren de heren al weer op vrije voeten, de bewijzen waren grotendeels verdwenen en belangrijke getuigen zijn te bang.”
Het naoorlogse proces tegen de bende waarvan Boekelaar deel zou hebben uitgemaakt, wordt uitgebreid verslagen door de voormalige verzetskrant De Typhoon. Een citaat: “Eenmaal heeft de BS, of juister gezegd de KP, de jakhalzen iets afhandig gemaakt. Twee vaten benzine, even tevoren op een bakfiets geladen in de Czaar Peterstraat, van het erf achter café Boekelaar op de hoek Hoogendijk-Czaar Peterstraat. Een andere maal was de KP genoodzaakt deze B., een broer van degene die thans gearresteerd is, te elimineren.”
Jan Boekelaar was getrouwd en had één kind.

Binnenlandse Strijdkrachten liquideren drie inbrekers

•november 30, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 18 Cornelis Nicolaas Haleber (Wormer, 1-3-1906/Wormerveer, 11-1-1945), Mijndert (?/Zaandam, 26-1-1945) en Dirk van Rijn (Amsterdam, 15-3-1918/Zaandam, 19-2-1945)

Een inbraakgolf teistert gedurende de Hongerwinter de Zaanstreek. De Binnenlandse Strijdkrachten hebben redelijk zicht op de daders en besluiten tot het sturen van dreigbrieven om het tij te keren. BS-commandant J.G. van Marle schrijft daarover na de oorlog: “Bijna iedere nacht werd alleen in Zaandam op 10 of 12, soms 16 plaatsen ingebroken en het was vrij duidelijk dat dit een paar grote groepen waren die werkten (…) en die systematisch de bevolking terroriseerden. De politie stond hier tegenover volkomen machteloos.” De agenten hebben te weinig personeel en worden bovendien steeds vaker ingeschakeld om in opdracht van de bezetter gebouwen te bewaken.
De dreigbrieven doen sommige inbrekers besluiten te stoppen met hun rooftochten. Anderen gaan door. Na een laatste ‘sommatie’ aan de criminelen ‘om hun ambacht wat kalmer uit te voeren’ besluiten de Binnenlandse Strijdkrachten tot het stellen van een daad. Op 19 oktober 1944 wordt op de Zaandamse Zuiddijk een inbreker doodgeschoten. Van Marle: “In het begin gaf het een aardige verademing. Na enige tijd nam het aantal inbraken weer toe.” De BS besluit nog drie dieven te liquideren. Het eerste slachtoffer is Cornelis Nicolaas Haleber, die op 11 januari 1945 door de Wormerveerse Knokploeg wordt doodgeschoten. Haleber, getrouwd en vader van vier kinderen, is een winkelier in huishoudelijke artikelen. Het laatstbekende adres van Haleber (in 1937) is de Haagse Hoefkade 731. Zowel zijn echtgenote als zijn moeder plaatsen een week later een overlijdensadvertentie waarin ze melden dat Cornelis Nicolaas ‘door een noodlottig ongeval’ in Wormerveer is gestorven.
In Zaandam sneuvelen achtereenvolgens ene Mijndert (op 26 januari) en Dirk van Rijn (19 februari). “Het hoeft geen betoog dat deze actie werd gedaan in overleg met de leiding van de politie [in de persoon van Tonny Jansen], waarmee al lange tijd op verschillende punten werd samengewerkt”, aldus Van Marle. Niet uit te sluiten valt dat ‘Mijndert’ dezelfde persoon is als ene ‘Wilmsen’. Diens naam komt voor in een zin uit dagblad De Waarheid van 11 mei 1945: “H. Vos van de Burg. ter Laanstraat was een der misdadigers van de bende zwarte handelaren en rovers, waartoe ook de reeds eerder door de BS terechtgestelde Boekelaar, van Rijn en Wilmsen behoorden.” Informatie over Jan Boekelaar is elders op deze weblog te vinden. Dirk van Rijn heeft aan het begin van de oorlog als adres Oostzijde 397d, is getrouwd en heeft twee kinderen. Hij werkt in een fabriek als ‘zoetmaler’. En verdient tot aan zijn gewelddadige dood -een schot door zijn hoofd- blijkbaar bij als inbreker. Waarschijnlijk is hij het over wie de Zaandamse C.J. Kuiper op 22 februari 1945 in haar dagboek schrijft (waarbij ze zich twee dagen vergist): “Gister is er weer een doodgeschoten, men zegt een zwarte handelaar. Als het een S.D.’er is krijgen we weer straf.” Van Rijn is geen lid van de Sicherheitsdienst en represailles blijven dan ook uit.  

Willem Korf: dood of niet?

•november 30, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 17 Willem Korf (Zaandam, 1-6-1898/Zaandijk, 27-9-1943)

De Zaanse verzetsman Nico Rem schreef bijna veertig jaar na de bevrijding zijn herinneringen op aan de Tweede Wereldoorlog. Hij besteedt een halve pagina aan de Zaandijkse distributieambtenaar Korf, een man die ‘aanvankelijk zijn medewerking verleende distributiebescheiden te verstrekken aan onderduikers’. Maar volgens Rem verandert Korf allengs van mening en werkwijze, ‘zelfs in die mate dat hij Breeker c.s. chanteerde. Er was gerede aanleiding te veronderstellen dat hij contact zou zoeken of reeds had met de Duitse Sicherheitsdienst’.
Voornoemde Koogse politieman Jan Breeker, die de zorg heeft over ruim honderd onderduikers, geeft daarom Nico Rem, Gerard M. en Gerard Docter opdracht om Korf te liquideren. Ze zijn allen lid van de ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Volgens Rem overleeft Korf (‘hoewel zwaargewond’) de poging hem te doden. “Natuurlijk wist hij waaraan hij dit [de aanslag] te danken had, doch hij heeft ook tegenover de SD, waarschijnlijk uit lijfsbehoud, steeds voorgegeven dat het een vergissing moest zijn geweest. Gedurende de rest van de bezettingstijd heeft hij zich afzijdig gehouden.”
Rems oordeel dat de distributieambtenaar herstelt van de moordpoging wordt ondersteund in het boek De Eerebegraafplaats van Bloemendaal. Daarin is sprake van een mislukte aanslag.
Het NSB-blad Volk en Vaderland schrijft echter na de schietpartij dat Korf ‘dodelijk getroffen’ is. Dat komt overeen met een intern NSB-overzicht de dato 28 september 1943, waarin een mededeling van het directoraat-generaal van politie wordt aangehaald. Korf, die op het Hazenpad 29 woont, ‘stond voor zijn woning te praten over distributiebescheiden en werd door onbekende daders dodelijk getroffen’. Het NSB-bericht wordt overgenomen door de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Corant. De andere media, legaal en illegaal, zwijgen.
De NSB had het fout. Willem Korf komt de poging hem van het leven te beroven te boven en haalt ietwat geschonden de bevrijding. De NSB meldt overigens als saillant detail dat Korf al ‘op 3-11-1937 [is] afgevoerd als lid wegens grote schade in zijn zaak’. Waaruit die schade, reden om hem als NSB’ers te royeren, bestond wordt echter niet duidelijk gemaakt.

Onbekende Landwachter van fiets geschoten

•november 24, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 16 N.N. (?/Wormer, 15-2-1945)

Tijdens de tweede helft van de oorlogsjaren patrouilleert de Landwacht door de Nederlandse straten. Dit paramilitaire korps, vooral bestaande uit NSB’ers, houdt te pas en te onpas mensen aan en is gehaat. Vanwege het jachtgeweer dat hun bewapening vormt, krijgen de leden de spotnaam ‘Jan Hagel’. Sinds 22 december 1944 bewaaakt de Landwacht papierfabriek De Eendracht in Wormer. Op 15 februari houden de bewakers een feestje in het kantoor van de fabriek. Na afloop schiet een afgevaardigde van de illegaliteit, liggend achter een heg aan de Zaandammerstraat, een van de deelnemers van zijn fiets. Het verhaal gaat dat een dokter een verklaring aflegt die de gemeente behoedt voor represailles. Volgens de arts is de Landwachter door de val van zijn fiets zo gewond geraakt dat hij ter plekke overlijdt. De dag na het ‘ongeluk’ verlaten de Landwachters De Eendracht en wordt de bewaking overgenomen door onder Duits bevel staande troepen. De naam van de getroffen Landwachter is onbekend.

Dorus Klut eerste dode in serie van vier

•november 23, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 15 Theodorus Klut (Zaandam, 14-8-1902/Zaandam, 19-10-1944)

De voedselschaarste tijdens de Hongerwinter doet het aantal inbrekers in de Zaanstreek flink stijgen. De politie heeft te weinig personeel om de criminelen te vangen, maar de regionale illegaliteit is bereid om een handje te helpen. “Aan velen zijn dreigbrieven en waarschuwingen verzonden, terwijl ook enkelen zijn geëlimineerd”, meldt de Zaanse Knokploeg in een verslag over deze opponenten. Het bekendste voorbeeld van een doodgeschoten inbreker is Zaandammer Willy Uitendaal, die op 25 december 1944 de laatste adem uitblaast. Maar al op 19 oktober van dat jaar sneuvelt de eerste van in totaal vier dieven, allen slachtoffers van verzetsacties. Deze Theodorus (‘Dorus’) Klut vindt de dood op de Zuiddijk in Zaandam. “Het hoeft geen betoog dat deze actie werd gedaan in overleg met de leiding van de politie, waartoe al lange tijd op verschillende punten werd samengewerkt”, aldus BS-commandant J.G. van Marle in zijn naoorlogse memoires. Hij benadrukt daarin de noodzaak tot handelen: “Ten gevolge van een tekort aan voedsel steeg het aantal inbraken schrikbarend, bijna iedere nacht werd alleen in Zaandam op 10 of 12, soms 16 plaatsen ingebroken en het was vrij duidelijk, dat dit een paar grote groepen waren die werkten (…) en die systematisch de bevolking terroriseerden.”
De dreigbrieven die de Binnenlandse Strijdkrachten sturen hebben slechts gedeeltelijk effect. “Enkele inbrekers kwamen hiervan onder de indruk; de meeste echter trokken zich hiervan niets aan en zo werd overgegaan tot het sturen van een dreigbrief met een laatste sommatie, waarna op 19 oktober de eerste inbreker op de Zuiddijk werd neergeschoten.”
Van Marle noemt overigens niet de naam van het slachtoffer. Dat doet wel de Oostzaner Goos Vonk. In 2005 schrijft hij in De Jol, het tijdschrift van de Stichting Oudheidkamer Oostzaan, hoe zijn moeder Catharina Vonk-Nolte en zijn zus Aafje getuige zijn van de aanslag. “Mijn moeder gaat met mijn zuster naar Zaandam en rijdt op de Zuiddijk bij de Burcht en zij zien voor zich gebeuren dat een zekere Dorus Klut van zijn fiets wordt afgeschoten, door de ondergrondse of de BS. Die hem liquideren. Maar mijn moeder en mijn zus hadden nog nooit zo hard gereden om naar huis te komen. En zijn zij een paar dagen van slag geweest.” Een poelier op Zuiddijk 16 b waarschuwt die avond de politie, als hij verneemt dat er bij zijn deur een man is neergeschoten. Het stervende slachtoffer wordt in allerijl naar het ziekenhuis vervoerd. Daar blaast hij zijn laatste adem uit.
Theodorus Klut is een gehuwde los werkman en zoon van twee in Oostzaan geboren ouders. Hij woont in in de -nu niet meer bestaande- Kalverstraat 45 in Zaandam, een armoedige omgeving. En ontplooit dus blijkbaar criminele activiteiten, tot aan de herfstdag dat hij op de Zuiddijk het leven laat.

Illustratie van Ber Hulsing in het clandestiene tijdschrift Zaans Groen. Titel: Oorlogswinter. Zuiddijk Zaandam.

Gerben de Graaf: gedood wegens collaboratie

•november 23, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 14 Gerben de Graaf (Smallingerland, 2-6-1908/Wormerveer, 8-10-1944)

Het is maar net iets meer dan een voetnoot in de oorlogsmemoires van de Zaanse BS-commandant J.G. van Marle: “De Graaf, Gestapo-spion, 3 oktober te Wormerveer doodgeschoten.” Meer gegevens vermeldt hij niet over deze collaborateur, die op het Krommenieërpad 176 woont. In andere aantekeningen is te lezen dat de aanslag wordt gepleegd door een cel van de Zaanse Knokploeg. Het meeste nieuws komt, op 5 oktober, van het illegale blaadje Zaans Nieuws: “In de eerste plaats willen wij vermelden de moordaanslag gepleegd op de NSB’er G. de Graaf nabij de ‘Dronken Brug’ te Wormerveer. Deze heer de Graaf is een trouwe medewerker van de Sicherheitsdienst, die al heel wat goede vaderlanders aan de moffen heeft verraden. Wij hoorden echter dat zijn toestand niet levensgevaarlijk is en dat hij waarschijnlijk na enige tijd het ziekenhuis weer zal kunnen verlaten. Moge hij het minderwaardige van zijn gedrag hebben leren beseffen.”
Helaas voor winkelier Gerben de Graaf, gehuwd en vader van drie kinderen: hij overleeft de aanslag op zijn leven toch niet. Hij sterft op 8 oktober 1944, een kleine week na de poging hem van het leven te beroven.

Zaanse RVV bevrijdde dwangarbeiders

•november 23, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 13 (?/Wormerveer, 30-7-1944)

Naarmate Hitlers oorlog slechter verloopt, verloopt de jacht op mannen voor de Arbeidseinsatz grimmiger. Degenen die worden opgepakt gaan naar in eerste instantie naar een strafkamp in Amsterdam, waar ze een weinig zachtzinnige behandeling ondergaan. De Raad van Verzet verneemt op 30 juli 1944 dat er in Wormerveer een razzia gaande is. RVV-commandant Jan Brasser: In de loop van die zondag werden we gewaarschuwd. Twee jongens uit Assendelft en ik.” De drie – naast Brasser ook Teun Jonker en Mijndert van der Horst- gaan er per fiets en stevig gewapend op af. De slachtoffers, jongens die net van het voetbalveld kwamen, zijn eerst naar het politiebureau gebracht en worden inmiddels verder vervoerd. Brasser: “We kwamen bij het politiebureau en daar stonden wat vrouwen en meisjes en een enkele volwassen man. Die zei: ‘Waar komen jullie voor?’ Ik zei: ‘We hebben gehoord dat er jongens opgepakt zijn.’ ‘Ja, dat klopt’, zei ie. ‘Daar gaan ze!’” Het is rond 19.00 uur, maar nog lang niet donker. De drie RVV’ers hebben dus goed zicht op de groep arrestanten wanneer die op de Wormerveerse Wandelweg rijden. De verzetsmannen fietsen hen achterna. Over het aantal gevangenen lopen de meningen overigens uiteen. Brasser heeft het ‘een stuk of tien jongens’, RVV’er Henk de Wit -die de slachtoffers later zal opvangen- over veertien arrestanten. In het politierapport van die dag is sprake van slechts vijf arrestanten.

Schietpartij

Hoe dan ook, Jan Brasser zet aan, haalt in en schiet een SD’er (zelf heeft hij het over SS’ers) aan de staart van de groep neer. Brasser weet ook een van de op kop rijdende bewakers te raken. Beide mannen vallen op de grond. “Ik richtte meteen op de rechts voor rijdende, zo half draaiend op de fiets. Maar die vent remde, want die had natuurlijk de schoten gehoord en toen kon ik niet schieten. (…) Alles stopte en viel over de straat.” Als gevolg van de schotenwisseling die er ontstaat worden ook onschuldigen getroffen. Gerrit van Heijningen, zelf eveneens actief in de RVV, slaakt een gil en valt neer. Hij is dodelijk getroffen. Ook de vader van een arrestant, ene Schaap, sterft ter plekke. Hij was ter plekke om zijn zoon te voorzien van persoonlijke documenten. De derde dode is een van de SD’ers, wiens naam niet bekend is. Uit het politierapport van 30 juli 1944: “19.15. Verzoekt de opp. luitnt. van Politie te Wormerveer assistentie van een ziekenauto, daar een convooi arrestanten (5 man) onder geleide van 2 politieambtenaren A.C.D. was overvallen op weg naar Zaandam, waarbij enige doden en gewonden waren gevallen.” Het bericht gaat snel rond. C.J. Kuiper in Zaandam schrijft op 1 augustus in haar oorlogsdagboek: “Zondagavond zijn in Wormerveer 2 Landwachters neergeschoten.”
Henk de Wit, zelf die avond overigens niet aanwezig op de Wandelweg: “We hebben net zo lang geschoten tot die jongens gevlucht waren.” De bevrijde gevangenen duiken onder en ontsnappen zodoende aan de arbeidsinzet.

Vervalst persoonsbewijs van Jan Brasser

Oorlogsmuseum?

•november 21, 2010 • Geef een reactie

Jolande Withuis, onderzoekster bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, hield onlangs een lezing bij de viering van 25 jaar Verzetmuseum. Ik citeer de eerste twee alinea’s van haar behartenswaardige betoog:
“Een van mijn favorieten in de collectie van het jarige Verzetsmuseum is de kartonnen kerstboom die in gevangenschap werd gefröbeld door verzetsman Carel Steensma (1912-2006), Steensma, een meivlieger die in 1940 boven Rotterdam een aantal Duitse vliegtuigen wist te treffen, wilde in september 1941 met twee anderen in een bootje de oversteek naar Engeland maken. Dat liep mis, Bij een Duitse beschieting kreeg hij een kogel in zijn been. Hij kwam via de gevangenis in het beruchte Nacht-und-Nebelkamp Natzweiler terecht, waar zijn geïnfecteerde been zonder narcose door een medegevangene werd geamputeerd. Het is bijna niet te geloven, maar Steensma overleefde vervolgens ook nog Dachau. Hij kon nooit meer vliegen en later ook geen cello meer spelen.
In de kerstboom, vervaardigd in de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans, drukte de protestantse Steensma de hoop uit die hij aan zijn geloof ontleende. Hij maakte het boompje van verduisteringskarton, in reepjes gesneden met een vork die hij geduldig had gescherpt aan de betonnen celvloer. De versieringen kwamen van het zilverfolie om zijn medicijnen; de sneeuw was zijn verbandgaas. Overdag werd het boompje verstopt, maar Kerstavond 1941 zongen de gevangenen van zijn cel rond het boompje kerstliedjes.”
Het Verzetsmuseum in Amsterdam beschouwt Steensma’s kerstboompje als een topstuk. En terecht. De woorden ‘verzetsman’, ‘Dachau’ en ‘cello’ wekten mijmeringen bij me op. Een paar jaar geleden wijdde ik in een boek over de Zaanse illegaliteit een hoofdstuk aan de Zaandamse verzetsman George Louis Jambroes. Deze wiskundeleraar betoonde zich niet alleen -al vanaf 1940- een fel tegenstander van de nazi’s, maar was ook een begeesterd cellist. Met regelmaat hoorden zijn buren op het stille Apolloplantsoen de werken van Brahms voorbij drijven, zijn favoriete, Duitse componist. Zo nu en dan verzorgde hij met het Zaandamsch Symphonie Orkest recitals.

Jambroes ontvluchtte Nederland, belandde na een lange reis in Groot-Brittannië en werd in opdracht van de Nederlandse regering in ballingschap opgeleid tot geheim agent. De regering zag in hem de uitgelezen persoon om het Plan for Holland uit te voeren, een poging om een landelijk dekkend, ondergronds leger op te zetten. Als gevolg van het Englandspiel werd de missie een jammerlijke mislukking. Jambroes viel in handen van de Duitsers. Na ruim twee jaar gevangenschap werd hij begin september 1944 met tientallen collega-agenten op wrede wijze om het leven gebracht in het Oostenrijkse concentratiekamp Mauthausen. Jambroes’ gevangenisjaren werden beheerst door herinneringen aan zijn vrouw, zijn jonge zoon Erik en zijn cello.

Cello

In het kader van mijn te schrijven boek (voor de liefhebbers: Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief 1906-1945) sprak ik met Erik Jambroes. Die overleed korte tijd na ons laatste gesprek. Zijn partner vroeg me vorig jaar of ik een mooie bestemming wist voor de bewaard gebleven cello van George Jambroes. Ik stelde het Zaans Museum -dat een hoekje heeft over het Zaans verzet- voor om de cello in ontvangst te nemen, maar daar had men geen belangstelling. FluXus-directeur Harry Swinkels was wel enthousiast. Als het goed is, speelt er nu een leerling van de muziekschool op de meer dan zeventig jaar oude cello van verzetsman George Louis Jambroes.

Eerder had ik het Zaans Museum ook al benaderd over een andere mogelijke schenking. De familie van een Zaanse verzetsstrijder had me gevraagd of ik een plekje wist voor de gevangeniskleding van een familielid. De man had geruime tijd doorgebracht in kamp Dachau en na de bevrijding zijn kampkleding bewaard. Maar ook hiervoor gold dat het Zaans Museum bedankte voor de eer.

Aan de hand van de cello kan de dramatische geschiedenis van het Englandspiel worden verteld. Aan de hand van de kampkleding het verhaal van verzet en gevangenschap. In beide gevallen is er een duidelijke Zaanse connectie. Het Amsterdamse Verzetsmuseum weet op prachtige wijze aan de hand van dit soort voorwerpen de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog te vertellen. Het Zaans Museum helaas niet.

Hembrugterrein

Een tijdje terug heb ik de gemeenteraad het idee aan de hand gedaan om op het Zaandamse Hembrugterrein een oorlogs- en vredesmuseum op te zetten. Waar kan dat beter dan op het grondgebied van Nederlands oudste (want ruim 325 jaar overeind gebleven) munitie- en wapenfabriek? Daarbij hoeft niet alleen aandacht te zijn voor de Tweede Wereldoorlog, maar kunnen ook de andere conflicten waarvoor de Artillerie Inrichtingen grondstoffen leverde onder de aandacht worde gebracht. De basiscollectie is al aanwezig, in de vorm van de privécollectie die een voormalige A.I.-medewerker ter plekke heeft opgebouwd.

Het Verzetsmuseum trekt jaarlijks tienduizenden bezoekers. Een oorlogs- en vredesmuseum -waarover Nederland nog niet de beschikking heeft- kan ook zulke bezoekersaantallen halen. De Zaanstedelijke raadsmeerderheid toonde zich vorig jaar enthousiast over het idee, maar vooralsnog is het daar blijven steken. Binnenkort maakt B&W de jongste plannen met het in desolate staat verkerende gebied bekend. Ik ben benieuwd of daarin ook een museum wordt genoemd.

George Louis Jambroes (1905-1944)

Liquidatie van ‘louche figuur’ Klaas Meegdes

•november 19, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 12 Klaas Bastianus Meegdes (Wormervee, 11-6-1914/Wormerveer, 17-2-1945)

Tijdens de oorlog woont in de Wormerveerse Transvaalstraat 45 Klaas Meegdes, getrouwd en vader van vier jonge kinderen. Hij handelt in groente en fruit, maar staat bij de illegaliteit ook bekend als leverancier aan de Duitse Weermacht. In zijn naoorlogse memoires schrijft Johann G. van Marle, die commandant is bij de Binnenlandse Strijdkrachten, over Meegdes: “Op 17 februari [1945] werd in Wormerveer een louche figuur neergelegd, lid van de onderwereld, dief van schapen, enz., die zich bedreigd gevoelde door de verzetsbeweging en op een handige, geraffineerde manier er in geslaagd was diverse namen van NBS’ers [Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten] en opslagplaatsen aan de weet te komen. Toen hij begon te dreigen deze te verraden, was zijn vonnis getekend.”
Een lid van de Zaanse Knokploeg voert de opdracht uit. Wellicht betrof het Nic. van der G., die een notitie heeft achtergelaten over een liquidatie in Wormerveer: “In onze verzetsgroep bleek zich op een gegeven moment iemand te bevinden waarvan niemand eigenlijk goed wist door wie en hoe hij binnengebracht was. Zijn tongval verried [een afkomst] uit het Noorden van het land. Na hem geschaduwd te hebben, kwam hij op een dag uit het gebouw van de SD te Amsterdam. Heb hem toen naar een adres in Wormerveer gebracht, waar hij verder aan de tand is gevoeld. Ik ben alleen van dat adres naar huis teruggekeerd…”

De laatste dagen van inbreker Willy Uitendaal

•november 19, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 11 Jacobus Wilhelmus (‘Willy’) Uitendaal (Nijmegen, 11-9-1917/Zaandam, 25-12-1944)

De Hongerwinter van 1944/’45 geeft veel problemen, maar biedt voor degenen die er oog voor hebben ook kansen. Nergens valt zoveel geld te verdienen als in de zwarte handel, maar voor die markt zijn natuurlijk wel goederen nodig. Het Zaanse dievengilde voorziet in de behoefte, tot ergernis van de illegaliteit en de politie. De rechercheurs van het Zaandamse politiebureau zijn dan ook blij als ze op het spoor komen van een inbrekersbende. Op zaterdag 23 december 1944 slagen ze er in om de groep op te rollen en hen een bekentenis af te dwingen. Hun leider, de horlogemaker Willy Uitendaal, weet echter te ontsnappen. Bekend is dat hij in de Russische Buurt woont, maar een huiszoeking door tien politieagenten in die Zaandamse wijk levert niets op.
Terug op het bureau merken ze dat de dader daar inmiddels vast zit. Uitendaal was, slechts gekleed in zijn ondergoed, er in geslaagd om zijn huis te verlaten en zich te verbergen in de heesters van het Czarinaplantsoen, vlakbij zijn woning aan de Czarinastraat 31. Een surveillerende agent ontdekte hem daar en nam hem mee, niet wetend wie hij voor zich had. Op het bureau vertelt Uitendaal dat hij zijn inbraken pleegde in opdracht van de Binnenlandse Strijdkrachten. Tijdens het verhoor noemt hij namen van illegalen en hij blijkt zelfs twee maanden in huis te hebben gezeten bij een vervalser van stempels. Zelf blijkt hij een vervalst persoonsbewijs te bezitten. Dertig, veertig namen gaan er over Uitendaals lippen en al snel wordt duidelijk dat hij betrokken is geweest bij de Koog-/Zaandijkse verzetsgroep van ‘ome’ Jaap Muusse, maar wegens diefstal uit deze organisatie is verwijderd.

Eliminatie

De BS, ingelicht door verhorend agent Tonny Jansen, ziet maar één oplossing: eliminatie van de veelprater. Wanneer Uitendaal op 25 december door enkele agenten naar het ziekenhuis wordt vervoerd om een oogwond te laten hechten, slaat de ondergrondse toe. Uit het politierapport: “Te 16.45 meldt de wachtmeester Louman, die dienst deed a/h arbeidsbureau, dat op de hoek Stationsstraat/Provincialeweg een overval werd gepleegd door met pistolen gewapende personen.” BS-commandant Johann G. van Marle schrijft in zijn memoires over dit moment: “Jammer genoeg had het voor de twee begeleidende agenten zeer onaangename gevolgen. Deze grepen n.l. vlug naar hun revolver, denkende dat inbrekers trachtten hun opperhoofd te ontzetten en schoten op de aanvallers. Op vrij grote afstand schoten deze terug met een dusdanige zekerheid, dat beide agenten in hun been verwond werden.” Het politierapport: “Later werd door inspecteur Jansen gemeld dat de wachtmeester Hartog licht en de wachtmr. v. Brummelen ernstig gewond was. Ook de arrestant Uitendaal en nog twee andere, tot nu toe onbekende personen zouden gewond zijn.” Van Marle over de getroffen agenten: “De een knapte gelukkig gauw op, maar bij de ander was de hoofdzenuw doorgeschoten, zodat het later geamputeerd moest worden.” Willy Uitendaal, gehuwd en vader van twee kinderen, overlijdt op tweede Kerstdag om 14.10 uur in het ziekenhuis.

August W. Sabel

In de brochure De Zaanstreek gedurende de bezettingsjaren vertelt de Zaandamse verzetsman August W. Sabel, zonder diens naam te noemen, wat andere details ove de liquidatie. Hieronder zijn door historicus J.J. ‘t Hoen in 1984 opgetekende versie, die ietwat verschilt van de versie zoals verteld door Van Marle: “Naarmate het verzet meer activiteiten ontplooit, wordt het gevaar van verraad steeds groter. In 1944 komt rechercheur Pel een inbrekersbende van 16 man op het spoor, die er soms gekleed in Wehrmachtsuniformen op uitgaan. Zij dienen natuurlijk gearresteerd te worden.  Aangezien deze criminelen op de hoogte zijn van allerlei ondergronds werk aan de Zaan, wordt door inspecteur Jansen in overleg met Sabel besloten om de arrestatie te laten uitvoeren door ‘goede’ politiemannen, samen met verzetsmensen die eveneens als politieagent zijn gekleed.

Maar dan wordt de aanvoerder, wegens het gebruik van Duitse uniformen, opgeëist door de SD in de Amsterdamse Euterpestraat. De dag voordat de overbrenging naar de hoofdstad zal plaatsvinden, wordt hij verhoord door Jansen, die hij kent als SD-agent, zonder echter te weten van zijn connectie met de illegaliteit. De man raakt in paniek en noemt de namen van tientallen verzetsmensen. Om te voorkomen dat hij bij de Duitse politie hetzelfde zal doen, blijft er niets anders over dan hem te liquideren. Na rijp beraad, maar zonder verdere procedure, wordt de executie meteen uitgevoerd, daar uitstel onmogelijk is. Het stoffelijk overschot wordt door twee verzetsmensen op een verborgen plek begraven. Aan de Duitse politie wordt meegedeeld dat de arrestant door de ondergrondse is neergeschoten. De familie krijgt hetzelfde te horen.”

Willem Ragut: gehate korpschef

•november 19, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 10 Willem Marinus Ragut (Leiden, 31-7-1897/Zaandam, 21-6-1944)

De aanslag op Willem Ragut is ongetwijfeld de bekendste op een nazi-collaborateur in de Zaanstreek. Het is de tweede keer dat er op de Beverwijkse korpschef wordt gevuurd.
De eerste maal is op 1 december 1943. Drie medewerkers van de Sicherheitsdienst doen die dag een poging tot een Silbertanne-moord. Zo’n aanslag vindt normaliter plaats als represaille voor het neerschieten van collaborateurs. In dit geval betreft het een SD-aanslag op de Arbeidsbureau-medewerkers G.W. Paauw en L.B. Verdoorn, hun antwoord op het doden van Hannes van de Bergh door Jan Bonekamp, een kleine twee weken eerder. Bij toeval is Ragut getuige van de moordaanslag op de Beverwijkse Meester van Lingenlaan. Ragut vermoedt een aanslag door het verzet, zet de achtervolging in en schiet zes keer op zijn vluchtende ‘collega’s’. Uit het politierapport: “De daders verdwenen daarop achter de huizen langs in de richting van de Zeestraat. Hij [Ragut] deelde tevens mede, dat hij persoonlijk ook door zijn overjas was geschoten. In de overjas zat een gat in de linker- en rechterpand en eveneens in de gulp van zijn bovenbroek.”

Een tweede poging om Willem Ragut uit te schakelen, op 21 juni 1944, slaagt wel, zij het dat de te betalen tol hoog is. De in Zaandam gestationeerde kapitein van de Staatspolitie is ook medewerker van de Sicherheitsdienst en heeft in die hoedanigheid nogal wat mensen in handen van de Duitsers weten te spelen. Het is voor de Raad van Verzet aanleiding om Ragut te elimineren. Hannie Schaft en haar vriend Jan Bonekamp krijgen de opdracht om Ragut neer te schieten. Ze verkennen de Zaandamse buurten en fietsen in de ochtend van 21 juni van hun schuiladres in Limmen naar Zaandam. Daar heeft Willem Ragut een onderkomen op Westzijde 77a. Bij de splitsing Westzijde/Botenmakersstraat wachten Schaft en Bonekamp hem op. Als Ragut hen passeert schiet Hannie als eerste. Ooggetuige Jo Brochard: “Ineens trekt een van de twee, dat was dus Hannie Schaft, een pistool en schiet. Ik zie nog dat gaatje dat die man in zijn rug had. Nou gaatje? Het was een flink gat. Hij viel neer, maar kwam weer overeind en begon met zijn armen te maaien en te schieten.”

Sicherheitsdienst

Hannie Schaft is dan al volgens afspraak weggefietst. Jan Bonekamp niet. Hij heeft willen controleren of Ragut dodelijk getroffen is en wordt daarvan het slachtoffer. Ragut richt zich op en trekt zijn pistool. Bijna op hetzelfde moment schieten de twee mannen naar elkaar. Ragut sterft onmiddellijk, Bonekamp strompelt -in de buik geraakt- weg en belandt in een woning. De in paniek rakende bewoonsters waarschuwen politie-adjudant Van der Schaaf, waarna de Sicherheitsdienst in Amsterdamse op de hoogte wordt gebracht van de vangst. Bonekamp wordt naar het Luftwaffelazaret in de hoofdstad vervoerd en overlijdt daar. Hannie Schaft weet te ontkomen.

De Zaandamse J.C. Kuiper schrijft die 21-ste juni in haar dagboek: “De commissaris van politie (NSB’er) is vanmorgen in de Westzijde doodgeschoten. Zijn aanvaller heeft zich stervend nog een schuilplaats trachten te zoeken. Dit gelukte, maar helaas kon hij de bewoners niet meer de ware toedracht vertellen, zodat deze de politie haalden, met gevolg zijn arrestatie en vervoer naar het politiebureau.” Zes dagen later schrijft ze: “De man die de commissaris van politie neerschoot is aan zijn bekomen verwondingen bezweken.” 

Op de plek van de aanslag staat tegenwoordig een monument voor Jan Bonekamp en Hannie Schaft.

Willem Ragut

Brief van Ragut uit 1943

Johnny Bloem: een vraagteken

•november 14, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 9 Simon (‘Johnny’) Bloem (Wormer, 4-3-1913/Wormerveer, 23-9-1944)

In zijn oorlogsmemoires wijdt de plaatselijke commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, Johann G. van Marle, enkele woorden aan een dodelijk slachtoffer van het Zaanse verzet: “Eveneens werd in Wormerveer doodgeschoten Johnny Bloem, provocateur.” Eerder schrijft hij al in dezelfde tekst: “Op 21 september [1944] wordt Bloem in Wormerveer als SD-agent herkend en staan de bewijzen van ‘s mans verraderspraktijken onomstotelijk vast. Hij wordt veroordeeld en op 23 september op straat doodgeschoten.” Waaruit het bewijs bestaat vermeldt Van Marle niet, net zo min als duidelijk wordt wie verantwoordelijk is voor de ‘veroordeling’.
De door Van Marle genoemde liquidatiedatum stemt niet overeen met een bericht in het illegale Vrij Nederland van 14 oktober 1944: “In de week van 30-9 tot 7-10 werden te Wormerveer niet minder dan drie gevaarlijke individuen naar de andere wereld geholpen. Het waren (…) de verrader Bloem van de SD, op wien zijn collega’s bij onderzoek 5 flessen olie, alsmede een groot bedrag aan geld vonden, zodat zij ook in hem een smokkelaar moesten ontdekken.” Een plastisch verslag van Bloems laatste seconden is te lezen in het goed gedocumenteerde Beklemmende jaren. Kroniek van Wormer in de Tweede Wereldoorlog. Een naam noemt de auteur echter niet. “Een dansleraar die ervan verdacht werd joden te hebben verraden, werd terwijl hij op de Zaanbrug richting Wormerveer fietste, van vlakbij beschoten. Hij viel voorover op het fietsstuur terwijl de fiets doorreed naar de Edisonstraat. Pas bij de slagerij viel de fiets met de dode berijder om.”
Het illegale blaadje The London news (overigens uitgegeven in Haarlem) houdt het op 1 oktober 1944 op slechts één regel: “In Wormerveer is de Gestapo-agent Johnny Bloem, dansleraar, doodgeschoten.” Helaas, daar blijft het bij. Johnny Bloem, die in ieder geval tot 1941 met zijn echtgenote in de Weverstraat 21 woont en daarna naar Amsterdam verhuist, blijft een schimmige achtergrond houden.

Antoon Petra: SD-man of zwarthandelaar?

•november 14, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 8 Antoon Petra (Amsterdam, 14-4-1916/Wormer, 29-10-1944)

Fabrieksarbeider Antoon Petra (Amsterdam, 4-4-1916) woont in de oorlogsjaren met zijn vrouw aan het Wormerveerse Hennepad 25. Niet helemaal duidelijk is waarom de Wormerveerse Knokploeg van mening is dat Petra dood moet. Op naoorlogse lijsten wordt hij door het verzet betiteld als ‘SD-agent’, maar het Nederlands Algemeen Politieblad van 24 december 1944 houdt het er op dat Petra zwarthandelaar is (“Geen lid der NSB.”).
De Zaandamse verzetsman August W. Sabel doet tientallen jaren later uit de doeken hoe Petra -overigens zonder diens naam te noemen- aan zijn eind komt. “Een employé op het laboratorium van Dekker’s zeepfabriek in Wormerveer blijkt een agent van de SD te zijn, die rapporten uitbrengt over al wat hem in zijn omgeving ter ore komt. Daarop wordt hij eind oktober 1944 door twee in politie-uniform gestoken leden der B.S. [Binnenlandse Strijdkrachten] uit zijn woning opgehaald. Hij wordt verhoord, tekent een schriftelijke bekentenis en wordt daarna doodgeschoten. Zijn lijk treft men de volgende dag in een sloot aan.” Ook Sabels BS-collega J.G. van Marle schrijft nadien over de liquidatie, in vrijwel gelijke bewoordingen: “Het blijkt dat de verrader van diverse akkefietjes in Wormerveer woont, waarvan de schriftelijke bewijzen gevonden worden. Hij wordt prompt per auto door twee in politie-uniform gestoken BS’ers van huis gehaald, waarna z’n lijk de volgende morgen in een sloot wordt teruggevonden.”
Die ‘sloot’ is de Zaan, waar de politie hem op 30 oktober uithaalt. Petra wordt geliquideerd bij de Rietvink, een sodafabriek die aan de Veerdijk staat. In het Politieblad staat overigens dat Petra de avond tevoren door drie mannen, van wie één in burger, per auto thuis wordt opgehaald. Hij krijgt het verzoek mee te gaan naar Zaandam, waarna hij later weer naar huis zal worden teruggebracht. B.S.-commandant Van Marle wijdt in zijn op schrift gestelde oorlogsherinneringen nog een paar zinnen aan deze ontvoering: “Door toevallige omstandigheden kwam uit dat de verrader in Wormerveer een vergeten burgermannetje was, waarvan niemand feitelijk ooit had gedacht dat hij in verbinding met de S.D. zou staan. Hij werd op een goede avond door twee geuniformeerde heren van huis gehaald, met verzoek even mee te gaan naar z’n baas, waarna z’n lijk de volgende dag in een sloot gevonden werd.”

Schotwonden

In een opsporingsbericht, gepubliceerd in het Nederlands Algemeen Politieblad, worden ook details gegeven over de omstandigheden waaronder de Wormerveerder om het leven is gekomen: “Het lijk vertoonde twee schotwonden, 1 in de linkerslaap en 1 in het hart. Op de wal ter plaatse waar het lijk gevonden werd, waren bloedsporen en werd een patroonhuls, 9 mm., gevonden.”
Onbekend is waar Petra begraven ligt. Zijn weduwe verhuist na de dood van haar man naar een andere woning in Wormerveer. Antoon Petra laat drie jonge kinderen achter.

Weinig bekende NSB’er, onbekende dader(s)

•november 14, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 7 Alle Pieter Karmelk (Amsterdam, 10-5-1905/Wormer, 15-2-1945)

Op 20 februari 1945 plaatst het NSB-blad De Zwarte Soldaat een rouwadvertentie. “In de strijd voor Leider, Volk en Vaderland viel te Wormer op 15 Febr. 1945 de Lw. Stormman Alle Pieter Karmelk.” Veel bekend is er niet over deze nationaal-socialist, een van de twee ‘foute’ Nederlanders die als gevolg van vijandelijk vuur het leven laten in de gemeente Wormer. Hij lijkt een klein radertje te zijn geweest in de nazi-machinerie en wordt zelfs niet genoemd in de executielijsten van de Zaanse illegaliteit. Karmelk woonde op de Aalsmeerweg 103-II en was gehuwd. Verder is duidelijk dat hij NSB-lid en Landwachter was.
Onbekend is wie de aanslag op Karmelk pleegt en wat de reden is. Voor zover bekend heeft de bezetter na de moordaanslag geen wraak genomen. Karmelk wordt in eerste instantie begraven in Amsterdam en later herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats in het Limburgse Ysselsteyn.

Het einde van de chef van de waterpolitie

•november 14, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 6 Willem Ehlhardt (Gent, 22-10-1905/Zaandam, 1-3-1945)

De Zaandamse verzetsman August W. Sabel haalt 2,5 jaar na de oorlog herinneringen op aan Willem Ehlhardt, chef van de waterpolitie in Zaandam: “Hij was een Nederlander van geboorte, maar een echte moffenknecht, die het ons erg lastig maakte. Enkele malen is hij door de illegaliteit gewaarschuwd, maar hij stoorde zich daar niet aan, zodat wij hem geliquideerd hebben.” Een districtscommandant van de Zaanse Ordedienst, J.G. van Marle, gebruikt soortgelijke bewoordingen: “De waterpolitie was de laatste maanden een nachtmerrie geworden voor de B.S. [Binnenlandse Strijdkrachten]. Er zaten enkele ongure elementen bij en zij, die misschien wel vaderlands gevoel hadden, waren niet in staat om tegen hun chef op te roeien.”
De uit Kampen afkomstige Ehlhardt is een van die ‘ongure elementen’. Van Marle: “De commandant was een N.S.B’er en sloofde zich verschrikkelijk uit om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.” Hij noemt een aantal voorbeelden, waaruit blijkt dat de waterpolitie in de Hongerwinter schepen met voedsel tegenhoudt, het eten afpakt van mensen die met veel moeite een maaltje bij elkaar hebben gescharreld en een schip met kolen weet te ontfutselen aan de Binnenlandse Strijdkrachten. “Waarschuwingen hielpen niet, dreigbrieven van de B.S. hadden geen enkel succes en zo kon het niet anders of er moest tenslotte wat gebeuren en zo werd de commandant van de waterpolitie door de B.S. neergeschoten”, aldus Van Marle.

Schoftig

Eerder al, op 7 februari 1945, heeft de ondercommandant van de Gewestelijke Sabotage Afdeling in de Zaanstreek, ‘Joop’ -de schuilnaam van Joop Jong-, een rapport opgesteld over de waterpolitie en haar baas. “De Waterpolitie te Zaandam bestaat op twee na uit NSB’ers. Deze heren treden buitengewoon schoftig op. De gehele burgerij klaagt erover. Ook de politie en de NBS [Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten] hebben veel last van deze gevaarlijke elementen.” Waarna Joop Jong wat voorbeelden van misstanden opsomt. “De hoofdpersoon, die verantwoordelijk is voor al deze praktijken, waarvan bovenstaande er maar enige van zijn, is de Ct. Edelhart [sic]. Deze schurk heeft geen moraal en is voor de NBS zeer gevaarlijk. Na een gesprek met de politie kwam vast te staan dat ook deze er direct mee accoord gaat als dit duistere figuur uit de weg geruimd wordt. Gaarne met spoed toestemming hiervoor.”
Die toestemming komt er. De Zaandamse Knokploeg, een onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten, neemt de taak op zich. In een politierapport van 1 maart 1945 is te lezen: “Gaf de wmr. [wachtmeester] kennis dat er een schipper van de waterpolitie op de Burgemeester ter Laanstraat was neergeschoten. Genaamd: Willem Ehlhardt won. Burg. van der Stadtstraat 123 aldaar. Hij was niet gedood, doch in beide benen geraakt. Overgebracht naar het St. Jan Ziekenhuis alhier.” Om 23.00 uur overlijdt Ehlhardt alsnog in het Zaandamse ziekenhuis.

Het verhaal van de liquidatie waart al snel door Zaandam. Nog dezelfde dag schrijft de Zaandamse C.J. Kuiper, die op de Zuiddijk woont, in haar oorlogsdagboek: “Zojuist is weer een van de waterpolitie doodgeschoten. NSB’er. Wat zal er van komen.”

Represailles

Op 18 en 19 februari 1945 worden in Alkmaar vijf mannen gearresteerd en naar de Amsterdamse gevangenis aan de Weteringschans gebracht. De eerste die wordt opgepakt is Rens Rempt (Hoogwoud, 1-2-1908). Deze RVV’er/BS’er probeerde eerder -soms met succes- Wehrmacht-personeel te laten deserteren, maar wordt daarbij op 18 februari in de val gelokt en aangehouden. Rempt ondergaat een hardhandig verhoor. In de navolgende uren worden onder meer Johannes Petrus Jacobus van Roon (Deventer, 17-10-1893), Gerardus Hubertus Cevat (Alkmaar, 26-11-1920), Antonius Johannes van de Kamer (Alkmaar, 27-4-1916) en Willem Zwart (Zuid-Scharwoude, 13-2-1919) gearresteerd.
Op 10 maart wordt het vijftal geboeid en per auto naar Zaandam vervoerd. Ze worden opgesteld naast de Troelstrabrug (later Bernhardbrug) en door een executiepeloton doodgeschoten. Begrafenisondernemer Bleekemolen haalt de lichamen op en begraaft ze in het duingebied bij Overveen. Daar worden ze op 20 juni 1945 teruggevonden. Op de plaats waar de slachtoffers vielen staat nu een monument (zie hieronder).

Zware represailles na discutabele aanslag

•november 14, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 5 Jan Willem Bouwens (Nijmegen, 25-7-1913/Wormerveer, 7-10-1944)

Voor de oorlog is Jan Willem Bouwens beroepsmilitair, een luitenant der huzaren. In 1937 treedt hij in het huwelijk. Na de capitulatie van Nederland meldt hij zich aan bij de SS en begint aan een carrière in het genazificeerde politie-apparaat. In 1944 wordt hij waarnemend inspecteur bij de Wormerveerse politie. Hij gaat dan ook in Wormerveer wonen. Hij wordt door het Zaanse verzet beschouwd als staatsgevaarlijk, reden om hem uit de weg te ruimen. Op 7 oktober is het zover dat Bouwens wordt ‘terechtgesteld’, zoals de illegaliteit het noemt. “We hebben die politieman Bouwens neergeschoten op de Zaanweg bij Speckman”, zou Henk de Wit twintig jaar na dato vertellen tegen dagblad De Typhoon. De Wit was commandant binnen de Raad van Verzet, een van de drie onderdelen van de Binnenlandse Strijdkrachten, zij het een veelal op eigen houtje opererend onderdeel. Het illegale Zaans Nieuws weet al dezelfde zaterdag te berichten over de aanslag. “Vanmorgen werd te Wormerveer aan de Zaanweg de Opperluitenant van Politie Bouwens doodgeschoten. Enkele uren later was reeds de Grüne Polizei gearriveerd. Er werden enkele mensen gearresteerd, over verdere represailles kunnen wij nog niet berichten. In Wormerveer zij een ieder op zijn hoede.”
Politieman Bouwens laat een vijf maanden zwangere echtgenote achter. Na de oorlog wordt Bouwens met terugwerkende kracht ontslagen uit de politiedienst, ingevolge Zuiveringsbesluit 1945.

Discussie

Binnen het georganiseerde verzet ontstaat onmiddellijk discussie over nut en noodzaak van deze liquidatie. De districtsleiding van de Binnenlandse Strijdkrachten weet dat Bouwens op 8 oktober 1944 naar het Oostfront zou vertrekken. De BS-redenatie is dat hij daar wel zijn verdiende loon zou hebben gekregen. Nu kost het extra mensenlevens, want zoals gebruikelijk gaan de Duitsers over tot een wraakmaatregel. Zoals BS-commandant J.G. Marle na de oorlog schrijft: “Als een donderslag uit klaarlichte hemel wordt de politiecommissaris Bouwens te Wormerveer doodgeschoten, wat niet geheel in de Delta Zaanstreek [de bundeling van het Zaanse verzet] is besproken. Bouwens zou de volgende dag als SS-man naar het front gaan en was dus waarschijnlijk voor de Zaankanters verde ongevaarlijk.” De communistische daders staan echter op het standpunt dat het Nederlandse verzet solidair dient te zijn met de Sovjet-Unie.
De Grüne Polizei doet kort na de aanslag huiszoeking in Wormerveer. Ze belanden onder meer bij het gezin Hofland en arresteren daar vader Dirk (Krommenie, 17-12-1893). Hij wordt op 11 oktober op de Zaanweg gefusilleerd, samen met vier niet-Zaankanters: de Trouw-medewerkers Jan Goldschmeding (Amsterdam, 23-2-1921) en Cornelis Yno George Dijksterhuis (Groningen, 1-9-1921), alsmede Beene Dijkstra (Amsterdam, 29-7-1915) en Jan van der Weerd (Kampen, 22-5-1891). Het vuurpeloton dat tegenover het huilende groepje Todeskandidaten staat opgesteld, weigert te schieten. Daarop haalt de leider een Schmeisser tevoorschijn en neemt de executie voor zijn eigen rekening. Een 15-jarig meisje dat getuige is, schrijft over één van de slachtoffers: “Hij gilde het uit toen ze daar stonden. Vreselijk was het. De mensen waren er vol van. Moordenaars. Moffen, jullie moesten gehangen worden, schooiers.”
Jan Willem Bouwens wordt in Wormerveer opgevolgd door G.R. Vleeming uit Zandvoort (bijnaam ‘mooie Willem’). Hij zoekt na zijn benoeming contact met het verzet, in de persoon van Wormerveerder Jaap Boot. Het wachtwoord is: “Ik kom uit Brummen.” Boot: “Nauwelijks had ik dat gezegd of hij riep uit: ‘Wat ben ik blij dat u bent gekomen. Ik wil niet dezelfde weg als mijn voorganger.’ Vanaf die tijd tot de bevrijding had ik in wezen de leiding over het politiekorps. Vleeming deed niets zonder vooraf met mij overleg te plegen.” In tegenstelling tot Bouwens haalt Vleeming wel levend het eind van de oorlog.
In het proces tegen de Zaandamse ‘kolenarbeider’ Albert Huisman (Zaandam, 6-7-1918), dat in 1944 plaatsvindt, wordt onder meer de aanslag op Bouwens genoemd. “Van het RVV kreeg Huisman in oktober 1943 verder de opdracht een commissaris van politie, een luitenant van politie en een hulpagent uit de weg te ruimen. Huisman verdeelt deze opdracht onder de leden van zijn groep.” Huisman wordt ter dood veroordeeld en op 24 juli 1944 gefusilleerd.


Oorlogsmonument aan de Wormerveerse Zaanweg met de namen van de vijf omgebrachte slachtoffers

Fransje de Munck: verraad als wraak

•november 13, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 4 Johanna Francisca de Munck-Siffels (Zaandam, 3-2-1920/Beverwijk, 23-5-1944)

Bij alle liquidaties waarbij het Zaanse verzet betrokken was, werd slechts één vrouw gedood: Fransje de Munck-Siffels. Tot op dag van vandaag zijn er vraagtekens over zowel haar werkzaamheden voor de Sicherheitsdienst als over de laatste dagen van haar leven.
Fransje de Munck woont in 1943 met haar echtgenoot Dingeman in de Torneastraat 8, een straatje in de Zaandamse Havenbuurt. Het is een aantrekkelijke vrouw. In de jaren dertig colporeerde Fransje met het Volksdagblad en geregeld wist zij de hoogste omzet te genereren, vooral door de verkoop aan mannelijke klanten.
Fransje werkt in de tweede oorlogshelft als koerierster bij de overwegend links georiënteerde Raad van Verzet (RVV). Dat is niet verwonderlijk: haar latere man vocht tussen 1936 en 1939 in Spanje tegen de fascistische milities van generaal Franco en het echtpaar is actief in de communistische beweging. Na zijn terugkeer uit panje trouwen ze, op 12 oktober 1939. Op 14 maart 1941 wordt hun dochter Francisca geboren. Dingeman, een typograaf, krijgt na de Duitse inval in Nederland financiële steun van het ondergronds opererende CPN-Solidariteitsfonds.

Volgens ‘Recht op wraak’ valt Fransje in 1943 als gevolg van verraad in handen van de Sicherheitsdienst. Ze komt vrij na te hebben beloofd om voor de SD te gaan werken. Eerst geeft ze haar man aan, daarna krijgt ze de opdracht om de Landelijke Knokploegen en de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers in Alkmaar op te rollen.
Er is echter ook een iets andere versie over de start van haar verradersrol, één die meer aanhangers heeft binnen de voormalige illegaliteit. In november 1943 ontdekt of vermoedt Fransje dat Dingeman overspel heeft gepleegd met haar zuster. Woedend reist ze van Zaandam naar de Amsterdamse Euterpestraat, waar zich het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst bevindt. Daar brengt ze niet alleen haar man aan, maar ook tal van andere (al dan niet vermeende) Zaanse communisten. In de nacht van 22 op 23 november rijdt de SD met de nieuw verworven informatiebron door Zaandam en laat haar de adressen aanwijzen waar linkse activisten zouden wonen. Een arrestatiegolf is het gevolg. Tal van verzetsmensen verdwijnen in de cel, zeven van hen zullen het niet overleven. Fransje noemt ook namen van andere illegalen, zo zal de Zaandamse politieman Tonny Jansen in juni 1945 verklaren: “Die meid van Siffels kwam nogal vaak op het bureau. Zij heeft mij veel dingen verteld, bijv. over de aanstaande arrestatie van een aantal bekende communisten (wat ik heb doorgegeven aan [de met het verzet bevriende agent] Pel), en die van een zeer bekende Hilversummer (ook door mij doorgegeven).”
Kort hierna verdwijnt Fransje de Munck om veiligheidsredenen uit de Zaanstreek. Ze scharrelt inmiddels met Gestapo-agent Gerardus Kuiters en wordt in Alkmaar en omgeving ingezet om verzetsgroepen te helpen oprollen. Twee keer per week brengt ze daarover verslag uit aan de SD. Erg lang duurt haar nieuwe carrière niet. De illegaliteit, inmiddels op de hoogte van haar SD-werk, weet haar in 1944 te ontvoeren en op te sluiten.
In het archief van de Zaandamse communistische verzetsman Cornelis Geugjes bevindt zich een moeilijk leesbaar kladbriefje, geschreven vlak nadat in november 1943 de arrestatiegolf plaatsvindt. “Er zijn twee vrouwen uit Zaandam in Euterpestraat geweest, moeder en dochter schoonmoeder”, aldus de tekst. “De namen zijn Siffels en de Munck-Siffels. Hebben gebabbeld. Verbinding [onleesbaar] ze bekomen ‘Kom van Jack’. Archangelstraat 25 of 26. Dit is de moeder van de Munck en kunnen zo verbinding met hem (de Munck) krijgen. Jack Willemszoon heeft tegen 3 getuigen in nood gedwongen bekend dat hij krant [waarschijnlijk De Waarheid, E.S.] afnam en steunde. Bremen alles doorgeslagen. Heeft 16 man stuk gemaakt.” Op een ander, eveneens deels oncijferbaar lijstje, staan de namen van een stuk of dertien arrestanten, onder wie Willemszoon, Gerrit Bakker, [J.] Stolp, R. van Briemen, [Sjef] Swolfs en diens echtgenote en [H.] de Vries. ‘Bremen’ betreft de eveneens gearresteerde P.J. van Breemen.

“Uit de weg geruimd”

Nog altijd is niet helemaal duidelijk wanneer en hoe Fransje aan haar eind is gekomen. In zijn memoires zegt de voormalige RVV-leider Jan Brasser uit Krommenie: “In de Noord is ze gegrepen. Ze had al de benen genomen uit Zaandam. Door het verzet is ze gepakt; ze werd veilig gesteld in een schuur op zolder. Er was altijd een wacht bij. Op een nacht dacht ze te onvluchten; voor ze echt weg kon komen werd ze door kogels geraakt.” Een aantekening bij het -eveneens naoorlogse- proces-verbaal tegen SD-medewerker Emil Rühl maakt duidelijk dat ‘mevrouw de Munck-Siffels niet kon worden verhoord, daar deze tijdens de bezetting door leden van de illegale Communistische Partij Nederland is gelikwideerd’. In ‘Recht op wraak’ heet het dat Fransje ‘op innemende wijze probeerde haar onschuld vol te houden’. Tevergeefs, zoals inmiddels bekend is. “Ze wist een aantal Alkmaarse KP’ers te overtuigen, die haar niet durfden te doden. Dat werd overgelaten aan de KP van Beverwijk. In een schuurtje is het doodvonnis uitgevoerd.”

Dat sluit aan bij -of komt hoogstwaarschijnlijk uit- een alinea in ‘Het grote gebod’, een kort na de oorlog uitgebracht boek over de werkzaamheden van de verzetsorganiaties LO en (L)KP. “Een zeer berucht geval van liquidatie is dat van Ciska de Munk. [sic] Zij was koerierster van de RVV en werd gearresteerd. Zij kwam vrij op voorwaarde dat zij voor de SD ging werken. Reeds had zij haar man verraden, toen zij de opdracht kreeg om de KP en de LO in Alkmaar op te rollen. Men had haar echter spoedig door en zij werd gearresteerd. Ciska was een knap meisje en wist zich zeer onschuldig voor te doen. Haar innemende argeloosheid overuigde een aantal KP’ers, die de opdracht hadden haar te liquideren, van haar onschuld; zij voerden de opdracht niet uit en waren bereid haar zo nodig te verdedigen. Daarom werd zij door de leider van de KP als gevangene van Alkmaar naar Beverwijk gevoerd, waar in een schuur het vonnis aan haar is voltrokken.”   
In een ander rapport staat: “Deze dame is door de toenmalige RVV-mensen uit de weg geruimd, terwijl de K.P. [Knokploeg] zich over haar kind ontfermde en dit veilig heeft ondergebracht.” Dat laatste lijkt te kloppen. Eind juni 1944 plaatsen diverse kranten een artikel waarin wordt gesproken over de ontvoering van een jong meisje. “Namens de familie wordt opsporing gevraagd van Francisca de Munck, geboren te Zaandam 14 maart 1941. Dit kind is op dinsdag 23 mei 1944 ‘s namiddags half zes, te Westzaan, waar het tijdelijk bij familie verbleef, weggehaald door twee heren, die voorgaven van de politie te zijn en zeiden het kind naar de moeder te moeten brengen.” Waarna er een beschrijving volgt van het uiterlijk en de kleding van de peuter. De 23ste is waarschijnlijk ook de liquidatiedatum van haar moeder.
Hoe het de gekidknapte dochter verder verging is niet bekend. Het laatste woord over haar gelijknamige moeder is aan Daan Wakker, een verzetsman die langdurig opgesloten zit in de Weteringschans. Daar komt hij in contact met verschillende Zaankanters die door Fransje de Munck zijn verraden. “Vrouw Siffels, die ook Jacob [Willemszoon, uit Zaandam] verraden had, werd veel later teruggevonden in een diepe put. De illegaliteit te Zaandam had hem en de anderen gewroken en de Gestapo had een handlanger minder. Die vrouw had zelfs haar eigen man verraden, en zeer weinigen van die zij heeft aangebracht zijn teruggekomen, ook onze bedaarde, onverzettelijke Jacob niet.” Dingeman de Munck weet de verschrikkingen na zijn aanhouding wel te overleven. Dagblad Trouw van 19 mei 1945 weet te melden dat hij is teruggekeerd uit concentratiekamp Dachau.

De dood van een jonge collaborateur

•november 12, 2010 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 3 Cornelis Frederik Kater (Zaandam, 3-2-1927/Zaandam, 31-1-1945)

Als het nodig wordt geacht, schrikt de Zaanse illegaliteit er niet voor terug om een minderjarige te doden. Fred Kater is een van de slachtoffers. Enkele dagen voor zijn achttiende verjaardag vindt hij de dood, al wordt ook wel 1 en 3 februari -zijn verjaardag- genoemd als sterfdatum.
Fred is de enige zoon van een banketbakkersfamilie op de Zaandamse Gedempte Gracht. Het is een wat sneue jongen, vanwege zijn omvang ook wel spottend ‘Bul’ genoemd. “Hoewel allerminst een sympathiek iemand, is hij toch ook een wat tragische figuur. Op het Zaanlands Lyceum was hij een behoorlijke leerling, maar hij had het er moeilijk, doordat hij er steeds mee gepest werd dat hij zo dik was”, schrijft een geschiedenisleraar van het lyceum drie decennia na de oorlog. Wonderlijk genoeg heeft Kater een grote bewondering voor zijn leraar George Louis Jambroes. Die komt al in 1940 in opstand tegen de bezetter. Jambroes vlucht na de Februaristaking van 1941 naar Groot-Brittannië, keert als geheim agent per parachute terug in Nederland, wordt gearresteerd en vervolgens -als pion in het Englandspiel-, door de Duitsers vermoord in concentratiekamp Mauthausen.
Katers ouders zijn niet Duits- of NSB-gezind, hun zoon wel. Fred heeft behoefte aan erkenning, aan geld en aan sensatie; allemaal redenen voor de lyceumleerling om als informant voor de Sicherheitsdienst te gaan werken. De Zaanse illegaliteit wantrouwt de jongen. Niet voor niets: al in 1943 waarschuwt Radio Oranje vanuit Londen voor Kater. Tijdens een bezoek aan de hoofdstad wordt hij geschaduwd. Hoewel springend van de ene tram op de andere, zien zijn achtervolgers dat hij het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat binnengaat. Dat bezegelt zijn lot, overigens pas nadat een commissie van drie mannen -onder wie de commandant van de Gewestelijke Sabotage Afdeling, Johan Wastenecker- daarvoor toestemming heeft gegeven.
Net als de NSB-agent Frans Willemse, die deze week ook niet zal overleven, is Fred Kater zich bewust van de risico’s die hij loopt. Hij meldt zich daarom aan als vrijwilliger voor de Waffen-SS. Zijn overplaatsing komt echter te laat.
De aanslag op Kater gaat gepaard met gewetenswroeging. De overwegend gereformeerde Landelijke Knokploegen (LKP) moeten zich veel moeite getroosten iemand te vinden die bereid is om een ‘groot kind’ te doden. In een naoorlogs LKP-bericht beperkt de berichtgeving over de aanslag zich tot een simpel ‘B. Kater te Zaandam neergeschoten (onderwereld)’, maar daaronder liggen veel emoties verborgen. Bij de eliminatie worden diverse LKP’ers/BS’ers ingeschakeld, als uitkijkpost of voor rugdekking. Twee leden voeren de liquidatie uit. In eerste instantie krijgt verzetsman L. de opdracht, maar hij kan het niet over zijn hart verkrijgen Kater dood te schieten. Hij wordt vervangen door B. Die schrijft dertig jaar later: “De kamptijd en vooral de door mij uitgevoerde likwidaties komen steeds naar voren. Ik heb dan geen rust meer, kan niet slapen enz. Dat werd in juli 1975 zo erg dat ik mijn werk moest staken en mij in augustus 1975 onder behandeling van een zenuwarts stelde.” Ook L. heeft te kampen met heftige naweeën. “Het is vooral de herinnering aan [de verschillende liquidaties] die van grote invloed is geweest op zijn verdere leven en zijn huidig maatschappelijk functioneren. De voortdurende vraag bij het ouder worden: ‘Heb ik er eigenlijk wel goed aan gedaan mij daarvoor te laten gebruiken?’ is een voortdurende kwelling voor hem.”
De argwaan van Kater, de bescherming van NSB-burgemeester Vitters -die de jongen een baantje als hulpbode heeft verschaft-; het leidt er niet toe dat de banketbakkerszoon de oorlog overleeft. Door een gericht schot slaat hij eind januari 1945 tegen de grond, vlakbij het Zaandamse gemeentehuis op de Burcht. Het politierapport van die dag vermeldt: “Te 17.30 meldt inspecteur Jansen, dat te plusminus 16.50 uur voor het stadhuis alhier, door onbekend gebleven daders is neergeschoten, de hulpbode van het stadhuis genaamd Kater. Hij is zwaar gewond naar het gemeente-ziekenhuis vervoerd.” Om 19.05 uur volgt de mededeling: “Wordt vanuit het gemeente-ziekenhuis gemeld, dat Kater, genoemd in bovenstaande mutatie is overleden.”

Het bericht over de liquidatie bereikt de buitenwereld al snel. Mevrouw C.J. Kuiper, woonachtig op Zuiddijk 146, schrijft op de dag van de aanslag in haar oorlogsdagboek: “Fred Kater is aangeschoten (niet gedood) volgens het laatste bericht.” Een dag later noteert ze: “Fred Kater is aan de bekomen verwondingen overleden. Hij heeft het verdiend, zegt men, en toch… Ik zie hem nog altijd als Mieke’s [Fris] jeugdvriendje, een leuk joch en kan moeilijk geloven dat de kern zo rot was.”

Eindelijk monument voor Walraven van Hall

•juli 1, 2010 • Geef een reactie

Ruim 65 jaar na de bevrijding van Nederland is er een blijvende, tastbare herinnering aan verzetsstrijder Walraven van Hall (1906-1945). Want hoewel historici als Loe de Jong en Geert Mak deze jonge Zaandamse bankier bestempelden als de centrale man van de Nederlandse illegaliteit, zakte Van Hall na de Tweede Wereldoorlog langzaam weg in de vergetelheid. Het op 3 september 2010 aan hem gewijde monument op het Amsterdamse Frederiksplein, pal naast De Nederlandsche Bank, maakt aan die situatie een eind.

De keus voor een plek bij de centrale bank heeft te maken met de meest gewaagde verzetsdaad van Walraven van Hall en zijn broer Gijs, de latere burgemeester van Amsterdam. Door een slimme wisseltruc wisten de twee in 1944 ruim vijftig miljoen gulden te roven uit de kluizen van De Nederlandsche Bank (die toen nog gevestigd was op de Oude Turfmarkt). Dat gebeurde onder de ogen van de bezetter. De nationaal-socialistische directeur, Meinout Rost van Tonningen, heeft deze grootste bankfraude uit de Nederlandse geschiedenis desondanks nooit ontdekt. Met het immense geldbedrag werden vrijwel alle verzetsorganisaties, duizenden ondergedoken joden en zeelieden en ruim 30.000 spoorwegstakers gefinancierd.

Walraven van Hall was een van de oprichters en tevens de onbetwiste leider van het Nationaal Steunfonds (NSF). Van 1943 tot aan de bevrijding verdeelden 1900 NSF-medewerkers in bijna heel Nederland tachtig miljoen gulden onder verzetsstrijders en oorlogsgetroffenen. In geen enkel ander door nazi-Duitsland bezet gebied heeft een hulporganisatie van deze aard en omvang bestaan.

Het NSF kwam voort uit een in 1941 opgerichte steunorganisatie voor de vrouwen en kinderen van mariniers en koopvaardijmensen, de zogenaamde Zeemanspot. De salarissen van deze voor Groot-Brittannië varende zeelieden waren door de Duitsers stopgezet. Via een ingewikkeld systeem van giften en leningen zorgden mensen als Abraham Filippo, Iman J. van den Bosch en Walraven van Hall dat duizenden zeemansgezinnen toch voldoende geld ontvingen om in hun levensonderhoud te voorzien.

In de loop van 1942-1943 werd duidelijk dat er steeds meer nazi-slachtoffers moesten worden geholpen. De beide Van Halls richtten samen met Van den Bosch het Landrottenfonds op. De steun werd uitgebreid tot familieleden van gijzelaars en gevangenen, nabestaanden van gefusilleerden, ontslagen ambtenaren, de gezinnen van onderduikers voor dwangarbeid en joden. Na verloop van tijd ging het Landrottenfonds over in het Nationaal Steunfonds.

De bloeiperiode van deze illegale financieringsbron brak aan toen de naar Engeland uitgeweken Nederlandse regering in september 1944 opriep tot een nationale spoorwegstaking. Het NSF nam de salariëring van het stakende spoorwegpersoneel over, een last van 5-6 miljoen gulden per maand. Daar bovenop kwamen de lonen van de Binnenlandse Strijdkrachten. Walravens vermogen om mensen en organisaties samen te brengen leverde hem de bijnaam ‘de olieman’ op. De charismatische, bindende bankier van het verzet stond aan de basis van de Stichting 1940-1945 en was nauw betrokken bij de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten.

Vanaf de herfst van 1944 hield Van Hall zich bezig met het maken van plannen voor de naoorlogse wederopbouw. Die zou hij echter niet meemaken. Drie maanden voor het einde van de oorlog werd ‘Wally’ als gevolg van verraad gearresteerd in Amsterdam. Op 12 februari 1945, twee dagen na zijn 39ste verjaardag, stierf hij in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Enkele maanden na de bevrijding werd zijn lichaam gevonden in de Kennemerduinen. De olieman kreeg zijn laatste rustplaats op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Vanwege zijn enorme inzet, moed en kennis van zaken betitelde de eerste naoorlogse premier, W. Schermerhorn, Walraven van Hall als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Dat zijn naam desondanks niet bekend werd bij het grote publiek komt onder meer doordat zijn naasten de publiciteit meden. Bovendien wilde de financiële wereld – Van Hall werkte op de Amsterdamse Effectenbeurs – niet te koop lopen met frauduleuze handelingen, ook al hadden die een nobel doel gediend. Het door Fernando Sánchez Castillo gemaakte kunstwerk op het Frederiksplein doorbreekt eindelijk de stilte rond een van Nederlands grootste verzetsmensen. Dat het ongeveer €250.000,- kostende kunstwerk is gerealiseerd heeft te maken met het doorzettingsvermogen van de initiatiefnemer, Hans Weijers. De Vlijmense oud-huisarts is een groot bewonderaar van Van Hall en heeft zich jarenlang intensief ingezet om het monument mogelijk te maken. 

De onthulling van het monument vindt op vrijdag 3 september 2010 plaats om 16.30 uur. Aansluitend is er de lancering van de voor jongeren bedoelde website www.walravenvanhall.nl en de opening van een tentoonstelling over Wally van Hall. De expositie is vanaf 4 september te bekijken in het Verzetsmuseum (Plantage Kerklaan 61, Amsterdam).

Het staat los van het monument en de tentoonstelling, maar aardig om te vermelden is ook dat de naam Walraven van Hall te zien zal zijn in de raadszaal van het nieuwe gemeentehuis van Zaanstad. Op de muur van het stadhuis komen enkele tientallen namen van prominente Zaankanters door de eeuwen heen. De gemeenteraad besloot vorig jaar om Van Hall -niet geboren of getogen, maar vanaf 1940 wel wonend in de Zaanstreek- toe te voegen aan de namenlijst. Het nieuwe gemeentehuis wordt eind 2010/begin 2011 officieel geopend.

Zie voor meer informatie www.walravenvanhall.nl.

Maquette, foto van de Stichting Monument Walraven van HallMaquette van het bronzen monument voor Walraven van Hall

Sinterklaas bij de Eikema’s

•oktober 11, 2009 • Geef een reactie

NIOD-medewerkster Hinke Piersma presenteerde in oktober 2009 het boek Zou de goede Sint wel komen… Ze heeft een stuk of vijftig Sinterklaasrijmen uit de oorlog bij elkaar gezet en geduid. Die hebben met elkaar gemeen dat daarin de bezetter en zijn handlangers worden verwenst. De Zaanstreek speelt ook een rol in het boek. Twee keer zelfs. In de inleiding haalt Piersma de joodse onderduiker ‘I. Blitz’ aan, die tijdens de oorlog ’bij het echtpaar Geertje en Jan in Krommenie’ verbleef. Op de website www.joodsmonumentzaanstreek.nl is veel te lezen over deze Isidore Blitz, die bij Jan en Geertje Koomen op de Noorderhoofdstraat gastvrijheid vond en daar ook de pakjesavond meemaakte. “St. Nicolaas is voor ons onmogelijk” schreef een rouwende Blitz in december 1943 in zijn dagboek.

Eén van de vijftig gedichten is geschreven voor dominee Jan Eikema (Piersma vermoedt door een verzetsvriend). In het Sinterklaasrijm uit 1940 komt de strijdbare geest naar voren binnen deze Zaandamse familie (Eikema was dominee in de Bullekerk en belandde al snel tot aan zijn nek in het illegale werk). Het gaat als volgt:

Zeer geachte Ds. (en vriend) Eikema.

 

Ik, de Sint, lach met een lokkend gezicht.

Hoe krijg ik het voor elkaar, een cadeau en een gedicht.

voor Ds. Eikema, o là là!!!!

Eerst op de fiets uit Spanje.

(Want benzine voor auto of vliegtuig was er niet)

Dan driemaal een douane-bureau.

Het was maar een kippeneindje Madrid-Zaandam.

Voor mij geen strubbel, ik ben er zoo!!!! 

Nederland, wat is Uw land veranderd, Dominé?

Ik mis dat echte Hollandsche idée!

De spontaniteit, de vrijheid van weleer.

Die vind en zie ik nergens meer.

Ik zie je land, bezaaid met groene en bruine Heeren.

Zij kijken de menschen aan, ik dacht ‘krijg de kleeren’

Ik heb me maar even kwaad gemaakt.

Iets wat de Sint het hart raakt.

Toen ging ik weer staan, zeer hoog.

Dominé, ik voorspel veel goeds, ik heb een geoefend oog.

…Maar nú, je cadeautje.

Anders leg je nog het loodje!

Ja… Jij hebt ook je portie wel gehad dit jaar.

Blijf toch op beter toekomst hopen, al gaat het nog zoo raar.

Piet zat dikwijls met zijn zender bij je op het kleed.

Hij had dan potlood en papier gereed.

Vol vreugde kwam hij dan bij mij aan.

En vertelde, Dominé heeft het weer ‘reuze’ gedaan.

‘Die steekt niets onder stoelen of banken.’

Hij laat het vrijheidswoord voor ieder weerklanken.

‘Zulke menschen geven ons vertrouwen.

Op vrijheid kan de Sint slechts bouwen.

Dominé zorg jij voor de geestesspijze

Ik zorg voor de belooning en de prijzen.’

Natuurlijk weet ik niet, of je hiervan houdt?

Het is geen opgedroogde kikker, geen parfum of zoethout.

Zelf moet je eerst maar raden, denk maar!

Adieau, mijn waarde vriend collega tot het volgend jaar.” 

Scan10007

Het oorlogspersoonsbewijs van de Zaandamse verzetsman Jan Eikema (1895-1975) 

Scan10005Jan Eikema

Van Hall-beeld komt dichterbij

•juni 14, 2009 • Geef een reactie

14-6-2009

Het gaat met horten en stoten, maar het monument voor de Zaanse verzetsheld Walraven van Hall komt steeds dichterbij. Eerst lag het Amsterdamse stadsbestuur om planologische redenen dwars, maar die hobbel werd genomen. En vervolgens kwamen diverse financiële instellingen hun toezeggingen voor een bijdrage niet na, een gevolg van de crisis. Alleen De Nederlandsche Bank -die nog wat goed te maken had voor haar bijdrage in de verkoop van joodse oorlogseffecten- kwam met €25.000,- over de brug. Maar nu heeft het Amsterdamse Fonds voor de Kunsten €90.000,- toegezegd en doneert ook de NS -die eveneens een besmet oorlogsverleden heeft- €25.000,-. Daarmee is ongeveer de helft van het benodigde geld bijeen gebracht om het bronzen gedenkteken op het Amsterdamse Frederiksplein te plaatsen. Met een beetje mazzel staat het beeld in februari 2010 -Van Halls 104de verjaardag, op z’n plaats. Het zal tijd worden dat deze spin in het web van de Nederlandse illegaliteit ook op deze manier geëerd wordt.   

De bruiloft van Walraven van Hall en Tilly den Tex (Amsterdam, 1932) De bruiloft van Walraven van Hall en Tilly den Tex (Amsterdam, 1932)

Maker Zaans oorlogsverslag eindelijk bekend

•januari 16, 2009 • Geef een reactie

De Duitse bezetter was nauwelijks verslagen of een van de honderden Zaanse verzetsmensen zette zich aan het schrijven van zijn (of was het haar?) oorlogsmemoires.  De auteur was goed ingevoerd in de illegaliteit. Hij/zij tikte niet minder dan negentig A-viertjes vol met herinneringen aan het regionale verzet en gaf daarbij blijk over veel informatie te beschikken uit de hogere echelons van de illegaliteit. Waar dat wenselijk werd geacht, gebruikte hij/zij overigens veelal de schuilnamen van verzetsstrijders. In de kantlijn van het manuscript -het voor zover mij bekend langste Zaanse verslag uit en over de Zaanse ondergrondse- werden met een pen de echte namen van de betreffende personen genoteerd.

Na de oorlog belandde het op overwegend dunne vellen papieren getypte document bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (het huidige NIOD). Daar is het te vinden als Doc. II - inventarisnummer 345. Maar ook bij het NIOD bleef onbekend wie de schrijver was van het gedetailleerde, heldere verslag over het Zaanse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In Dagblad Zaanstreek van 5 mei 2006 wijdde redacteur Rob Swart een uitgebreid artikel aan het oorlogsmanuscript. “Wie de negentig pagina’s heeft gemaakt en wanneer, dat is niet bekend”, schreef Swart. ”Maar het was iemand die heel dicht bij de leiding van het Zaans verzet opereerde of daar misschien deel van uitmaakte.” Rob Swart citeerde uitgebreid uit het levendig geschreven document en haalde daarbij regelmatig ene ‘Schagen’ aan. In de kantlijn van de tekst staat gekrabbeld dat dit het oorlogspseudoniem was van ‘AW Sabel’. Deze Sabel was betrokken bij tal van verzetsactiviteiten. Hij bleek direct en indirect betrokken bij executies van verraders, het loskrijgen van gevangen genomen verzetsmensen en gijzelaars, overvallen op bevolkingsadministraties en het verbergen van gestrande geallieerde vliegeniers. Hij onderhield contact met Zaandammer Walraven van Hall (‘Van Tuyl’) -de spin in het web van het nationale verzet- en met in de Zaanstreek wonende, landelijk opererende illegalen als Jaap Buijs (‘Ruys’) en Remmert Aten (‘de Lange’). Maar Sabel sprak indien nodig ook met de uiterst foute NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay. Zou deze Zaandammer de auteur van het NIOD-manuscript kunnen zijn?

August Willem Sabel was directeur van de gelijknamige verffabriek aan de Westzijde, op de plek waar tegenwoordig muziekschool FluXus zit. Over Sabel (17-10-1899/24-8-1980) verscheen in 1984 een 36 pagina’s tellende brochure, geschreven door een geschiedenisleraar van het Zaanlands Lyceum,  J.J. ‘t Hoen (1931-1988). “Tijdens de zomer van 1975 heb ik uitgebreide gesprekken gevoerd met de heer A.W. Sabel, die, op grond van zijn aandeel in het verzet gedurende de Duitse bezetting, na de oorlog een zilveren erepenning der gemeente Zaandam heeft ontvangen. Op basis van de daarbij verkregen inlichtingen schreef ik een verslag, dat daarna door hem is nagelezen en van kanttekeningen voorzien”, schreef ‘t Hoen in zijn voorwoord.

Welicht doordat ‘t Hoen zijn aantekeningen lang liet liggen alvorens ze uit te werken, wemelt zijn in september 1984 verschenen brochure De Zaanstreek gedurende de bezettingstijd (1940-1945) – Herinneringen van een ereburger der gemeente Zaandam van de fouten. Namen zijn verkeerd geschreven, data kloppen niet en veel beschreven gebeurtenissen vonden niet of anders plaats. Maar interessant is wel de door ‘t Hoen beschreven banden tussen de Zaandamse politie en het Zaanse verzet, alsmede de gedetailleerde beschrijving van een razzia rondom de Zaandamse Burcht, begin februari 1945. Sabel heeft als direct betrokkene bij zowel die politiecontacten als bij de afhandeling van de Duitse razzia J.J. ‘t Hoen voorzien van een aantal details die ook zijn te vinden in het NIOD-manuscript. Het lijkt er daardoor inderdaad sterk op dat August Sabel de producent was van de negentig velletjes oorlogsverslag.

In augustus 2008 nam Jeanne van Ammers contact met me op.  Ze was op zoek naar de naam van de Ortskommandant die het gedurende de oorlog in Zaandam voor het zeggen had. Ik wist die naam niet, maar wees haar onder meer op het geschrift van de onbekende Zaanse verzetsman. Die had namelijk wat woorden gewijd aan de Ortskommandantur. Het toeval wil, zo bleek een paar weken later, dat de vader van mevrouw Van Ammers bevriend was met August Sabel en tijdens de oorlog gebruikmaakte van diens illegale diensten. Mevrouw Van Ammers legde de tekst van ‘t Hoen naast het NIOD-document en kwam tot de voorzichtige conclusie dat August Sabel inderdaad wel eens de auteur kon zijn geweest. Om helemaal zeker te zijn ging ze langs bij een nicht van Sabel, Carolien. Die had nog een giro-overschrijving in huis met daarop het handschrift van haar oom. De conclusie lijkt onontkoombaar: August Willem Sabel is de maker van NIOD-doc. II – inventarisnummer 345. Het bewijs vindt u hieronder.

Of is het toch anders? Eind 2009 kwam ik in contact met de zoon van een Zaanse verzetsstrijder. We wisselden wat informatie uit. Ik gaf hem onder meer een kopiefragment van het NIOD-document. Korte tijd later mailde mijn gesprekspartner me dat het verslag ook te vinden was in het archief van het ministerie van Defensie (BRIOP Hoensbroek, OD-archief A100b) én in het archief van de Stichting 1940-1945. In het BRIOP-exemplaar ontbreken overigens de namen in de kantlijn. Een kopie ervan is bij het NIOD beland, aldus mijn zegsman. Die me er tevens op wees dat in het stuk de naam J.H. op den Velde consequent verkeerd is geschreven (‘Op te Velde’), terwijl August Sabel die naam wel steeds op de juiste wijze schreef.

Het is dan ook niet Sabel die het verslag maakte (zij het dat hij wel de juiste namen in de kantlijn van zijn eigen exemplaar plaatste). Volgens het archief van de Stichting 1940-1945 was J.G. van Marle (alias ‘Wouters’) de schrijver. Van Marle kreeg na Dolle Dinsdag de leiding over de Binnenlandse Strijdkrachten in de Zaanstreek. Deze reserve-ritmeester woonde destijds in Aerdenhout en had de grootste moeite om de regionale LO/LKP, Raad van Verzet en Ordedienst te bundelen, gehecht als die waren aan hun eigen werk- en denkwijzen. Het was ook Van Marle die op 3 mei 1945 de opdracht kreeg om in Zaandam met de Duitsers te spreken over een onvoorwaardelijke overgave. Van Marle had aan het eind van de oorlog zicht op vrijwel de gehele Zaanse illegaliteit en was in staat om er een uitgebreid verslag over te schrijven. Gezien het bovenstaande kan het dan ook nauwelijks anders of hij was degene die het Zaanse oorlogsverslag schreef.   

handschrift-august-willem-sabel

 Foto Jeanne van Ammers

J.G. van Marle

Website over joodse Zaankanters in de maak

•december 12, 2008 • Geef een reactie

Anderhalf jaar geleden verscheen onder auspiciën van het Bureau Discriminatiezaken Zaanstreek/Waterland het boek ‘Ik heb een heel tijdje niets van me laten horen.’ Joden in de Zaanstreek (1940-1945). In deze 334 pagina’s tellende publicatie van Pim Ligtvoet staan enkele honderden namen, foto’s en levensbeschrijvingen van joodse Zaankanters die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in de Zaanstreek woonden, alsmede een flink aantal namen van joodse onderduikers in de Zaanstreek.
Het boek voorzag en voorziet in een behoefte. Maar eigenlijk is het nu al gedateerd. Er zitten wat foutjes in en -belangrijker- sinds de publicatie doken er tientallen namen en vaak bijzondere feiten op van en over joodse onderduikers. Pim en ondergetekende hebben daarom het initiatief genomen om ‘Ik heb een heel tijdje…’ om te bouwen tot een website. Inmiddels zijn de benodigde fondsen verworven en wordt er hard gewerkt om alle nieuwe gegevens te verwerken tot leesbare teksten. Het ligt in de bedoeling dat elk joods huishouden dat begin jaren ’40 in de Zaanstreek woonde een eigen lemma krijgt. Ook alle onderduikers -voor zover bekend, maar het zijn er nu al honderden- krijgen een eigen lemma. Op dit moment vinden er interviews plaats met ooggetuigen uit de oorlogstijd. We hebben een grote collectie unieke foto’s verzameld. En een vormgever en een ICT-bedrijf zijn aan het werk om alle vondsten op een mooie manier te digitaliseren.
Als alles meezit, wordt dit Zaans-joodse monument zichtbaar in mei 2009. Nog even geduld dus. Maar mocht u in de tussentijd -of daarna- gegevens hebben die voor ons van belang kunnen zijn, aarzel dan niet. Ik ben te bereiken via telefoonnummer 075-6313819/6125696 of via havenstraat75@hotmail.com.

Erik Schaap

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

Monument Van Hall uitgesteld

•december 12, 2008 • Geef een reactie

Uit Het Parool van 8 december 2008:

Onthulling jaar uitgesteld
Nog geen beeld voor Walraven van Hall

AMSTERDAM – De onthulling van het monument in Amsterdam voor verzetsheld Walraven van Hall is een jaar uitgesteld. Het lukt de organisatie niet de benodigde fondsen bijeen te krijgen. Bovendien is met de vervaardiging van het beeld meer tijd gemoeid dan was verwacht.
Diverse grote financiële instellingen hadden al hun steun toegezegd voor het monument ter ere van Walraven van Hall, de jongere broer van de latere Amsterdamse burgemeester Gijs van Hall.
Alleen De Nederlandsche Bank is tot dusver met 25.000 euro over de brug gekomen. “Dat geld is gebruikt voor de voorfinanciering en de schetsontwerpen die vier kunstenaars voor het monument hebben ingediend”, zegt Hans Weijers van de stichting Monument voor Walraven van Hall. Deze stichting ijvert al drie jaar voor een standbeeld ter nagedachtenis aan de ‘Bankier van het verzet’.
Weijers heeft er een hard hoofd in of de andere financiële toezeggingen zullen worden nagekomen, gezien de problemen waarmee banken momenteel als gevolg van de kredietcrisis kampen.
Walraven van Hall had tijdens de Tweede Wereldoorlog de leiding over het Nationaal Steun Fonds, dat de financiering van het verzet regelde. In 1944 wist hij samen met zijn broer Gijs met behulp van vervalste waardepapieren vijftig miljoen gulden uit de kluizen van De Nederlandsche Bank te verduisteren. Het geld ging naar het verzet. Begin 1945 werd Walraven van Hall door de Duitsers opgepakt en gefusilleerd.
De Spaanse kunstenaar Fernando Sánchez Castillo ontwierp dit jaar een beeld van een in brons gegoten gevelde boom, die symbool moet staan voor Walraven van Hall, die er om bekend stond dat hij mensen bij elkaar gebracht. Het was de bedoeling dat het monument volgend jaar op 10 februari, de geboortedag van Van Hall, of op 12 februari, zijn sterfdag, zou worden onthuld, maar de stichting blijkt de werkzaamheden te hebben onderschat. Weijers: “De boom moet in stukken van twee bij twee meter in brons worden gegoten en daarna aan elkaar worden gelast. Er zit veel meer werk aan dan we hadden gedacht.”
Over de locatie van het monument is inmiddels overeenstemming bereikt met het stadsdeel Centrum en omwonenden. Tijdens een hoorzitting in oktober werden alle partijen het eens dat het monument moet komen te staan in een plantsoen op het Frederiksplein, tegenover De Nederlandsche Bank. Het plein zal de komende jaren ingrijpend worden heringericht.
Walraven van Hall heeft in Nederland nooit de erkenning gekregen die hem toekomt.
Na de oorlog werd hij postuum geëerd met het Verzetskruis, de Amerikaanse Medal of Freedom with Gold Palm en de Israëlische Yad Vashemonderscheiding. Maar hij belandde al snel in de vergetelheid. Het Nederlandse bankwezen wenste bovendien lange tijd niet worden herinnerd aan de megazwendel van de broers Van Hall, nog steeds de grootste bankfraude ooit in Nederland.
De plannen voor een monument ontstonden drie jaar gelden toen de KRO een documentaire over de ‘Bankier van het verzet’ uitzond. De Stichting Monument Walraven van Hall wist in korte tijd een erecomité samen te stellen met tal van klinkende namen, onder wie oud-premier Wim Wok, de huidige informateur Herman Wijffels, oud-minister Onno Ruding en voormalig Philips-topman Jan Timmer.
Filmacteur Rutger Hauer wil een Engelstalige speelfilm over Walraven van Hall maken, die Changing fortunes moet gaan heten. De opnamen staan gepland voor 2010.

Het bericht dat Walraven van Hall en enkele anderen geëxecuteerd zijn, 13 februari 1945

Het bericht dat Walraven van Hall en zeven andere personen geëxecuteerd zijn, 13 februari 1945

Onzinverhaal over Walraven van Hall

•oktober 9, 2008 • Geef een reactie

9-10-2008

Al jarenlang is Rutger Hauer bezig om geld bij elkaar te krijgen voor het maken zijn eerste speelfilm, over de Zaandamse bankier Walraven van Hall. Voor wie het niet weet: Van Hall groeide in de Tweede Wereldoorlog uit tot de centrale man van de Nederlandse illegaliteit, een rol die hij uiteindelijk met zijn leven moest bekopen. Hauer wil van zijn film (titel: Changing fortunes) een internationale, Engelstalige productie maken. Het is een mooi streven om Van Hall de eer te geven die hem toekomt.

Sinds kort is er een website over de filmplannen: www.changingfortunes-themovie.com. Maar wie daar een blik werpt op de filmsynopsis en de karakterbeschrijvingen schrikt zich een ongeluk. Dit wordt geen film over Walraven van Hall, maar een onzinverhaal waarin Wally het middelpunt is. De hoofdrolspeler behoudt weliswaar zijn eigen naam, maar blijkt op het celluloid in zijn ‘early forties’ te zijn. Terwijl de echte Van Hall toch op 39-jarige leeftijd werd gefusilleerd. Van Halls film-echtgenote en film-broer blijken niet alleen een andere leeftijd en andere naam te hebben gekregen, maar ook andere karaktertrekken dan de oorspronkelijke personen. Broer Gijs van Hall heet plotseling Floris; ongetwijfeld een verwijzing naar de ridderrol die Rutger Hauer vroeger speelde. Walraven blijkt opeens een jeugdvriend te hebben, een bakker, die hem het verzet binnensleept, waarna ze samen via een ‘bread delivery network’ geld gaan distribueren naar ’starving families’. Het slaat allemaal werkelijk nergens op. En dat is nog maar het begin van de film. Ik houd dan ook mijn hart vast voor deze Hollywood-parodie en heb dat inmiddels ook laten weten aan het creative team dat deze rolprent bij elkaar fantaseert.

By the way: wordt het niet eens hoog tijd voor een monument voor Van Hall in Zaandam? 

Walraven van Hall als scholier

De aanslag op het Zaandamse Arbeidsbureau

•juli 30, 2008 • Geef een reactie

De waarschijnlijk meest spectaculaire verzetsactie in de Zaanstreek betreft de aanslag op het Gewestelijk Arbeidsbureau in Zaandam. In de nacht van 20 op 21 mei 1943 verdween de administratie van het bureau in de vlammen. Onlangs, 65 jaar na dato, dook er een nieuwe foto op van de immense brand die het gevolg was van deze sabotage.

De foto, door een onbekende fotograaf kort na de aanslag gemaakt, is door Ronald Bouwknegt uit Castricum gevonden op een boekenmarkt. Zichtbaar is hoe er van de voormalige Bakkersschool aan de Zaandamse Oostzijde weinig meer resteert dan de buitenmuren. Het binnenwerk is totaal uitgebrand.

Vanaf 1942 probeert de nationaal-socialistische bezetter in toenemende mate om Nederlandse mannen in te zetten aan het Duitse arbeidsfront. Waar dat eerst vrijblijvend gaat, wordt deze inzet vanaf begin 1943 verplicht voor mannen van 18-35 jaar. Voor de Zaanse illegaliteit is dat reden om een poging te doen de administratie van het Gewestelijk Arbeidsbureau in Zaandam te vernietigen. Het initiatief komt van de voormalige Arbeidsbureau-medewerker Frans van Os (wat overigens wordt bestreden door de Wormerveerse verzetsman Jaap Boot, die claimt Van Os te hebben gevraagd voor de klus). Van Os bespreekt zijn idee met Douwe Soepboer, de hoofdbewaker van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen. Die voelt wel voor het plan. Het tweetal haalt Gerrit Huig erbij, van de gelijknamige drukkerij. Zijn woning staat vlakbij het Arbeidsbureau en is daarom een ideale plaats om de benodigde springstoffen te verbergen. Soepboer verzamelt vervolgens bij zijn werkgever 75 kilo lichtsas (een makkelijk ontvlambare stof die zorgt voor grote hitte), kruit en een lont.

Van Os, in het bezit van een valse sleutel, en Soepboer dringen rond middernacht het Arbeidsbureau binnen. Eerder die dag hebben ze, behalve de sleutel, informatie over onder meer de bewaking in ontvangst genomen van Arbeidsbureau-medewerker P. van Strijen. De ambtenaar maakt het hen nog makkelijker door alle kasten in het gebouw open te laten. In de uren na hun inbraak gooien Van Os en Soepboer zoveel mogelijk documenten op een stapel, leggen de lont er onder en verspreiden de lichtsas door het gebouw. Huig en zijn  echtgenote staan in de tussentijd op wacht, gewapend met een pistool. Voor alle zekerheid zijn de avond voor de aanslag diverse ondergronds werkende Zaankanters gewaarschuwd om een nachtje elders te gaan slapen, een voorzorgsmaatregel die moet voorkomen dat de Sicherheitsdienst onmiddellijk na de aanslag mensen van hun bed kan lichten. Huig en Soepboer zijn uren bezig met hun ondermijnende werk, af en toe onderbroken door een niesbui van de aan hooikoorts leidende Van Os. Ter afsluiting schakelen ze de brandmelder uit, draaien een gaskraan open en steken een lont aan. Om 3.00 verlaten ze ongezien het gebouw. Frans van Os gaat naar het echtpaar Huig, Soepboer naar een verzetskennis in de Eendrachtstraat. Vijf minuten na hun vertrek slaan de eerste vlammen uit het Arbeidsbureau.

Brandweercomandant J. Koelewijn woont op een steenworp afstand van het Arbeidsbureau, aan de Halstraat. Hij ziet de vlammenzee, maar wacht met uitrukken tot hem een officieel alarm bereikt. Mede door de trage bluswerkzaamheden van de Zaandamse brandweer duurt het een volle dag voor de vlammen gedoofd zijn. Sloop van het Arbeidsbureau is daarna de enige optie. Brandexperts slagen er in om de argwanende Sicherheitsdienst er van te overtuigen dat er sprake is geweest van een gasexplosie. Sancties tegen de Zaanse bevolking blijven daardoor uit. De aanslag maakt het de bezetter in de navolgende jaren een stuk moeilijker om Zaanse mannen op te roepen voor de Arbeitseinsatz.

In de nasleep van deze actie gaat er overigens nog wel iets mis. Gerrit Huig in het boek Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945: “Door een samenloop van omstandigheden geraakten wij door een van de mededaders in gevaar. Op aanraden van de heer Soepboer (…) heb ik mij in verbinding gesteld met Walraven [van Hall, E.S.]. Het was een zeer delicate zaak en ik achtte hem uitermate geschikt om alles in het reine te brengen, wat hij met medewerking van de heer Buijs ook prompt gedaan heeft.” Onduidelijk is overigens welk gevaar verzetsleider Walraven van Hall en diens kameraad Jaap Buijs neutraliseren. Wellicht heeft het te maken met het via een ‘goede politieman’ ontvangen bericht dat de Duitsers het vermoeden hebben dat Soepboer en enkele andere medewerkers van de Artillerie-Inrichtingen betrokken zijn bij de aanslag op het Arbeidsbureau. Er volgt een razzia, maar de gewaarschuwde verzetsmensen zijn dan al gevlogen.

Het verwoeste interieur van het Arbeidsbureau

  

Een bekende foto van het Arbeidsbureau, kort na de aanslag

Douwe Soepboer

Elly Premsela: opgepakt in de Botenmakersstraat

•juli 29, 2008 • Geef een reactie

In de begin 2008 verschenen biografie over de bekende vormgever, binnenhuisarchitect, kunstenaar en homo-emancipator Benno Premsela (1920-1997) komt de dood van diens zus in Auschwitz slechts summier ter sprake. Elly Premsela werd eind 1943 opgepakt in haar schuilplaats aan de Zaandamse Botenmakersstraat, met noodlottige gevolgen. Wie was deze verplegende kunstenares? 

Elly Premsela komt op 29 oktober 1914 ter wereld in Assendelft. Ze is de dochter van Rosalie de Boers en de joodse huisarts Benedictus Premsela. Haar vader krijgt later bekendheid als de seksuoloog die in de jaren dertig voor de VARA-radio een taboedoorbrekende serie lezingen houdt over seksualiteit. Benedictus Premsela opent verder in 1931 het eerste Nederlandse consultatiebureau voor geboortebeperking en seksuele problemen. Benno, geboren nadat de familie Premsela in 1918 Assendelft verlaat, karakteriseert later het gezin waarin hij, zijn broer Robert (‘Boet’) en Elly opgroeien als ‘progressief, socialistisch’ en ‘taboeloos’.

Net als Benno volgt Elly na het middelbaar onderwijs de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam. Deze op de Bauhaus-beweging geïnspireerde onderwijsinstelling herbergt veel uit nazi-Duitsland gevluchte kunstenaars. Elly ontwikkelt zich er tot een talentvol beeldhouwster en tekenares. Daarnaast volgt zij een opleiding tot verpleegster.

In mei 1940 wonen alle drie de kinderen Premsela nog bij hun ouders in Amsterdam. Hun vader mag vanaf 1941 alleen nog joodse patiënten verplegen. Omdat in zijn praktijk vooral niet-joden worden behandeld, is hij van de ene dag op de andere zo goed als werkloos. Benno specialiseert zich rond die tijd noodgedwongen in het maken van tassen, Elly wordt schoonheidsspecialiste. Ook zij -kunstenaars- mogen hun eigenlijke professie niet langer uitoefenen.

De Premsela’s zijn desondanks ‘bevoorrecht’ ten opzichte van veel andere joden. Omdat Benedictus Premsela wordt gezien als een vooraanstaande jood, kan hij met zijn gezin een plek krijgen op de zogenaamde Barneveld-lijst. Deze lijst biedt een zekere vorm van bescherming tegen de reis naar de vernietigingskampen. Principieel als de Premsela’s zijn, weigeren ze deze vorm van ‘samenwerking’ met de bezetter. Het gezin duikt in plaats daarvan onder, op verschillende plaatsen. Elly trouwt overigens in deze moeilijke periode nog wel met de eveneens joodse journalist Max Wessel (4-8-1916) uit Amsterdam.

Ondanks hun schuilplaats worden vader en moeder Premsela in april 1943 gearresteerd. Ze belanden in Theresienstadt en vervolgens Auschwitz, waar ze in respectievelijk september en oktober 1944 worden vermoord. Elly komt -naar alle waarschijnlijkheid samen met Max- terecht in de regio die ze een kwart eeuw eerder met haar ouders verliet, de Zaanstreek. Ze kan onderdak krijgen op de Zaandamse Botenmakersstraat 82. Op dat adres wonen Marcus Plooijer en zijn echtgenote Johanna Dooves met hun dochter Guurtje (‘Uut’). De progressief denkende Elly moet zich hebben thuisgevoeld bij het sociaal-democratische gezin Plooijer, bij wie ze de achterkamer op de bovenverdieping mag gebruiken. 

 Verraad

In de Zaandamse Havenbuurt woont eind 1943 Fransje de Munck-Siffels. Ze is getrouwd met een communistische man die tijdens de Spaanse burgeroorlog heeft gevochten tegen de fascistische troepen van generaal Franco. Hij krijgt financiële steun van het CPN-solidariteitsfonds en onderhoudt contacten met gelijkgestemden. Een ruzie met haar man over al dan niet vermeende ontrouw is voor Fransje de Munck reden om op hoge poten naar de Amsterdamse Sicherheitsdienst te stappen. Uit wraak geeft ze daar de namen door van een aantal Zaankanters die volgens haar communistische sympathieën hebben. Het is koren op de molen van de nazi’s. In de nacht van 22 op 23 november 1943 rijdt de SD met de nieuw verworven informatiebron door Zaandam en laat haar de adressen aanwijzen waar linkse activisten zouden wonen. Een arrestatiegolf is het gevolg. Diverse verzetsmensen verdwijnen in de cel. Uit het oorlogsdagboek van de Zaanse verzetsman Mijndert van der Horst: “Wie worden er verder gearresteerd? G. Bakker, P.J. van Breemen, R. van Briemen, A. Huisman, J. Stolp, J. Willemszoon, H. de Vries, C. Zwart, M. Plooier en mevr. J. Plooier-Dooves. Een ondergedoken Joods meisje, Premsela, wordt ook meegenomen.”

Elly Premsela -want zij is het genoemde ‘meisje’ van inmiddels 29 jaar oud- vlucht, waarschijnlijk samen met echtgenoot Max, via de achtertuin van Botenmakersstraat 82 voor de razzia. Ze rent door een aantal buurttuinen, gaat richting de Vaart en slaat dan rechtsaf, naar de weilanden die dan nog achter de enkele honderden meters verder gelegen Westzijderkerk liggen. Dan realiseert ze zich dat ze haar tas met papieren op haar schuiladres heeft laten liggen. Ze keert terug en wordt alsnog opgepakt, samen met haar onderdakgevers. Die komen na enkele weken vrij. Voor Elly Premsela en Max Wessel wacht echter het transport naar de gevangenis en vervolgens kamp Westerbork. Ze arriveren daar op 9 december 1943 als ‘strafgevallen’.

Omdat er in het kamp een epidemie van besmettelijke ziekten als kinderverlamming, difterie, roodvonk en geelzucht heerst, gaan er rond deze tijd geen transporten naar de vernietigingskampen in het oosten. Ieder contact met de buitenwereld is voor even taboe. In januari 1944 komt het wegvoeren van de joodse gevangenen echter weer op gang. Elly en Max krijgen een plek op de transportlijst van 25 januari, maar worden daar op het laatste moment vanaf gehaald. Het uitstel duurt slechts kort. Op 8 februari 1944 volgt er een nieuw transport. De gevangen zittende joodse verslaggever Philip Mechanicus meldt daarover in zijn illegale dagboek: “”Misschien wel het beestachtigste transport van alle transporten, die er zijn gegaan. Men raakt door de veelheid, de grofheid, de beestachtigheid het zicht erop kwijt, maar dit transport spande toch wel de kroon wat gebrek aan consideratie voor de zieken. Nog voor het transport vertrokken was, was er reeds een zieke overleden.”

De kans bestaat dat Elly aan dit als ziekendeportatie beoogde transport wordt toegevoegd vanwege haar verpleegsterservaring. Wellicht moet ze de 268 zieken in de veewagens (overigens aangevuld met 747 mensen die niet in de ziekenboeg verblijven) bijstaan. Max probeert nog aan transport te ontkomen door een kniekwaal te simuleren. Zijn pogingen zijn echter tevergeefs; ook hij krijgt een plek in de trein. Drie dagen duurt de reis naar Polen, in beestachtige weersomstandigheden. Onmiddellijk na aankomst in Auschwitz, op 11 februari 1944, worden Elly Premsela en Max Wessel de gaskamer ingeleid.   

Elly Premsela in museaal en literair gezelschap op het balkon van Arthur van Schendels woning in het Italiaanse Sestri Levante, 1937. V.l.n.r. Kennie van Schendel, Ant ter Braak, Ary Bob de Vries, Elly Premsela, Menno ter Braak, Carmen Zolessi, Arthur van Schendel, Aty Greshoff en Annie van Schendel

Eisendrath en Juchenheim

•juli 21, 2008 • Geef een reactie

In verband met een beoogde publicatie over de familie Eisendrath (voor de lotgevallen van deze joodse familie uit Zaandam: zie elders op dit weblog) en de aan hen gerelateerde familie Juchenheim ben ik op zoek naar informatie. Hoe weinig ook; alle details, foto’s, verhalen en andere bronnen zijn welkom. Ik ben bereikbaar via havenstraat75@hotmail.com of telefoonnummer 075-6313819. Bij voorbaat dank!

Erik Schaap

Emma Juchenheim, Rudolf, Selma en Lidy Eisendrath op stap in Amsterdam, begin jaren ’30

(Fotocollectie B. Zwart)

Oorlog voorspeld

•mei 25, 2008 • Geef een reactie

Tijdens werkzaamheden in zijn woning aan de Burgemeester Ter Laanstraat 17 stuitte Zaandammer Robin Leek in de gang op een oude plafondplaat. Aan de onderkant stond met potlood een tekst geschreven, een goed gebruik onder timmerlieden wanneer ze een nieuwe woning bouwden. Het huis dateert uit 1938 en dat correspondeert met het jaartal dat timmerman G. Roos noteerde.  

De gang waar de beschreven plafondplaat werd ontdekt

Timmerman Gerrit Roos (geboren op 31-1-1901 en zelf wonend in de Zaandamse Herderstraat 3) bleek een voorspellende boodschap op het hout te hebben gezet toen hij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog (die op 1 september 1939 begon met de inval van Duitsland in Polen) noteerde dat Adolf Hitler uit was op de wereldmacht. De volledige tekst luidt als volgt:

“15 september 1938

De wereldtoestand is gespannen. Hitler grijpt met ze grijpklauwen naar de wereldmacht. Ten koste van Engeland en Frankrijk. Hoe is dat geval afgeloopen. Hij heeft eerst Oostenrijk ingepikt en nu aast hij op Tesscha Slawai

G. Roos

timmerman”

‘Tesscha Slawai’ is ongetwijfeld Tsjechoslowakije. Nadat Duitse troepen in het najaar van 1938 Sudetenland bezetten, volgden op 15 maart 1939 Bohemen en Moravië en op 23 maart het Memelgebied. Daarmee was Roos’ voorspelling zo ongeveer helemaal uitgekomen.  

Het bewuste plafonddeel. Foto’s Robin Leek

Twee oorlogspublicaties

•mei 17, 2008 • Geef een reactie

Enkele maanden na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 telde de Zaanstreek al meerdere verzetshaarden. Relatief veel Zaankanters namen stelling tegen de nieuwe orde. Massaal, zoals tijdens de Februaristaking. En in kleiner verband, door groepjes gelijkgezinden die op uiteenlopende manieren de nazistische machthebbers poogden te dwarsbomen. De meest invloedrijke vrijheidsstrijder werd Walraven van Hall. Hij groeide in korte tijd uit tot de spil van de Nederlandse illegaliteit. Maar ook andere Zaankanters bleken tijdens de bezettingsjaren van landelijk of zelfs internationaal belang. In het in mei 2008 verschenen boek Vrijgevochten schets ik aan de hand van zes portretten de onmisbare Zaanse inbreng binnen de nationale tegenbeweging. De fabrieksarbeider Piet Bosboom, dominee Jan Eikema, de Engelandvaarders Dré Ausems en George Jambroes en de houthandelaars Jaap Buijs en Remmert Aten; allen streden ze op hun eigen wijze tegen de bezetter. Na de Tweede Wereldoorlog zakten ze weg in de geschiedenis. Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945) is bedoeld om hen uit de vergetelheid te halen en aan de hand van hun verhalen de reikwijdte van het Zaanse verzet te tonen.

Vrijgevochten (248 pagina’s, €19.50) is verkrijgbaar in de boekhandel.

In 2006 publiceerde ik al de levensbeschrijving Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945). De reacties op dit boek waren zeer positief, met als gevolg dat er inmiddels ruim tweeduizend exemplaren van zijn verkocht. Via het Bureau Discriminatiezaken zijn nog enkele exemplaren verkrijgbaar. Walraven van Hall (176 pagina’s, met unieke foto’s) is verkrijgbaar door overmaking van €19.50 (=inclusief verzendkosten) naar giro 357143 van het Bureau Discriminatiezaken in Zaandam. Vermeld svp wel even het adres waar het boek heen moet.

De start van het Verzetsplantsoen

•mei 5, 2008 • Geef een reactie

Op 4 mei 2008 was het om 20.00 uur als vanouds druk bij het Verzetsplantsoen aan de Zaandamse Savornin Lohmanstraat. Onder een blauwe hemel verzamelden zich een paar honderd mensen voor ‘Dikke Bertha’, zoals het door Theo van Reijn ontworpen standbeeld dat daar staat in de volksmond heet. Weinigen zullen zich hebben gerealiseerd dat het precies zestig jaar geleden was dat het monument werd onthuld. Ter herinnering daaraan citeer ik het een  en ander uit de brochure De Zaandamse Gemeenschap in de jaren 1945 1946 1947. Houd daarbij in gedachte dat veel van de daarin genoemden oud-verzetsstrijders zijn. Ik vermoed dat er niet een meer van in leven is, helaas.

“Op 6 October 1945 werd een commissie gevormd om in Zaandam te komen tot oprichting van een monument ter nagedachtenis van de Zaandamse gevallen illegale strijders. In deze commissie namen zitting de heren D.H. van Onselder, J. Westerbroek, C. Buijs, A.H. Groot, W. Hartsuijker, B. Hulsing, M. v.d. Schaaf, W. Wolbers en C. Kraaij. In de week van 4 tot en met 9 Februari 1946 werd ter verkrijging van het benodigde geld voor dit monument een huis aan huis collecte gehouden. Tevens werd een circulaire huis aan huis bezorgd. Hierin werd de bevolking verzocht bij aanbieding van de intekenlijst zo ruim mogelijk de collecte te gedenken. Het op deze circulaire voorkomende comité van aanbeveling was als volgt samengesteld: Mr J. in ‘t Veld, A. Admiraal, Jb. Buijs, E.P. Clijnk, F.C.A. Gebhard, C. Geugjes, mevr. J.M.J. Glazenburg-Decker, W. Hart, J.H. v.d. Stadt, mr P.H. Wuyster, E. Heere, M.J. Hille, G.C. Huig, dr E.A. Immink, dr A. Kummer, G. Maas, Pastoor J.H.M.S. v.d Mark, ds A. Noorman, A.W. Sabel, T.A. van Zoest.

Op de lijsten werd ingezameld: fl. 11.878.04; aan giften, niet op de lijsten verantwoord, ontvangen fl. 900,- en de stortingen op de giro-rekening bedroegen fl. 1984.50. Tevens werd van Comité Veringstraat ontvangen fl. 1000,-. In totaal dus een bedrag van fl. 15.762.54. Dit beantwoordde niet ten volle aan de verwachtingen van de commissie, hoewel hierbij niet uit het oog mag worden verloren dat voor een inzameling als deze geen grote reclamecampagne kon en mocht worden op touw gezet. Tevens werd de inzameling na de geldsanering gehouden. De gemiddelde opbrengst per woning bedroeg ongeveer fl. 1.50. De giften varieerden van fl. 0.10 tot fl. 400,-. Aan den beeldhouwer Theo van Reijn werd de opdracht verleend tot het ontwerpen van een groot monument, dat zal worden geplaatst op de voormalige begraafplaats aan de Sav. Lohmanstraat. De totaalprijs voor dit monument bedraagt fl. 16000,-. Aan de voorontwerpen werden reeds onkosten gemaakt, zodat de monumentencommissie wegen diende te zoeken om het in kas zijnde bedrag aan te vullen tpot fl. 16000,-. Zij is hiermede doende en hoopt een gunstig resultaat te bereiken. Volgens mededeling van den heer Van Reijn zal het centrale monument nu definitief op 5 Mei 1948 kunnen worden onthuld [dat werd dus 4 mei, E.S.]. Het beeldhouwwerk stelt een jeugdige zittende vrouwenfiguur voor, in brons gegoten, voorstellende: ‘Bezinning’. De figuur is gedacht uit haar overpeizing ontwakend over het leed dat aan vele inwoners van Zaandam is berokkend. De hand die aanvankelijk het hoofd ondersteunde, is thans in vererende houding opgeheven. Met een blijde glimlach, het hoofd gericht naar de bloemen, herdenkt zij allen, die vielen en houdt zij ons voor: ‘Laat hen niet vergeefs gestorven zijn’.”

 

Dries Riphagens dubbelrol in Zaandam

•mei 2, 2008 • Geef een reactie

Een van de grootste Nederlandse oorlogsmisdadigers is ook een van de onbekendste. De Amsterdammer Bernardus Andreas (‘Dries’) Riphagen (7-9-1909) ontwikkelde zich tot een door antisemitisme en geldhonger gedreven souteneur, die schuldig was aan de dood van minstens tweehonderd mensen. Een van zijn slachtoffers was de Zaandammer Jan van Lienen. 

De jonge Dries Riphagen is al in de jaren dertig lid van de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP), een buitengewoon antisemistische partij die Nederland wil omvormen tot een Duitse provincie. Hij combineert zijn nazi-ideaal met zijn werk als pooier, gokker en zwarthandelaar. Zijn rol in de onderwereld groeit in de vooroorlogse jaren in rap tempo en is op een gegeven moment zo groot dat Riphagen bekendheid krijgt als ‘Al Capone’. De bezetting van Nederland komt voor hem als geroepen. Door als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst te gaan werken, weet hij zijn inkomen verder te vergroten. Hij drukt geld, sieraden en andere kostbaarheden achterover bij invallen in joodse huizen. De oorspronkelijke eigenaars worden vervolgens door hem en zijn kameraden overgedragen aan de nazi’s. Met tal van onderwereldfiguren exploiteert hij verder clandestiene gokhuizen en houdt hij er een zwarte handel in deviezen, diamanten en goud op na.

Het gaat Riphagen voor de wind. Het judenrein maken van Nederland en zijn criminele aktiviteiten leveren hem een dik belegde boterham op. Door zijn contacten met hooggeplaatste nazi’s houdt hij zichzelf, bevriende zwarthandelaren en andere misdadigers uit de wind. Dat blijkt bijvoorbeeld begin 1944. Het Devisenschutzkommando (DSK) maakt jacht op zwarthandelaren, maar vist regelmatig achter het net. Wanneer er in januari 1944 een anonieme brief op het DSK-kantoor arriveert waarin de dagelijkse routine in het clandestiene Amsterdamse gokparadijs Rijswijk wordt beschreven, aangevuld met een namenlijst van de dertig belangrijkste zwarthandelaren in dat café, schakelt de DSK Riphagen in. Hij krijgt opdracht vast te stellen wat het beste tijdstip is voor een razzia. Opnieuw bewijst Al Capone een dubbele agenda te hanteren. Hij prikt als ideale datum voor de inval maandag 14 februari en haalt even voor de razzia plaatsvindt vier criminele maatjes weg uit Rijswijk: Gerrit Verbeek, diens medewerker Folkert van den Berg, ‘Manke Toon’ Kuijper en Harry Rond.

Verbeek heeft dubbel geluk. De Zaandammer Jan van Lienen, zijn grootste concurrent als bookmaker, wordt wel gearresteerd. Verbeek en Van Lienen kennen elkaar al vele jaren, zijn zelfs bevriend geweest. Maar toen Van Lienen eind jaren dertig in navolging van Verbeek bookmaker werd bij de Belgische paardenraces kwam het eind van de kameraadschap snel in zicht.

Na zijn aanhouding wordt Van Lienen naar het DSK-kantoor aan de Keizersgracht gebracht. De aan Riphagen schatplichtige Toon Kuijper en Harry Rond worden vervolgens bij hem in de cel geplaatst. Ze zijn zogenaamd eveneens gearresteerd, maar in werkelijkheid is het hun taak uit te vissen of er bij Van Lienen nog iets te halen valt. De bookmaker vertrouwt de twee en na hun vraag of ze iets voor hem kunnen doen, geeft Van Lienen het duo een briefje met instructies voor zijn vrouw Elisabeth. Maar zodra Kuijper en Rond uit hun cel ‘mogen’, spelen ze de boodschap door aan Riphagen.

Al Capone onderneemt meteen actie. Hij reist naar Zaandam, naar de bovenwoning van het echtpaar Van Lienen aan de Westzijde 77a (al dan niet toevallig ook het huis waar de nazigezinde politiecommissaris Willem Ragut woont, tot aan het moment dat hij -op 21 juni 1944- op enkele tientallen meters van zijn huis door de verzetsstrijders Hannie Schaft en Jan Bonekamp wordt doodgeschoten). Na de oorlog zal Bets van Lienen in een proces-verbaal verklaren dat haar man de veertiende februari om 11.30 uur ‘voor zaken’ de woning heeft verlaten, maar daar niet terugkeert. Dezelfde dag belt Dries Riphagen bij haar aan. Het is inmiddels 20.00 uur. Hij presenteert zich als een vriend van Jan van Lienen. Bets: “Hij zeide: ‘Ik ben André en kan ik u even spreken, want uw man is gearresteerd’. Hij gaf mij een briefje waarop met potlood geschreven stond: ‘Bets, ik ben gearresteerd. Doe alles de deur uit. Revolver ligt in dressoir bij het lichtje, doe radiotoestellen de deur uit; alles de deur uit. Laat Koos [een compagnon, E.S.] helpen’.”

Bets pakt het in de brief genoemde wapen uit het kastje en overhandigt het aan Riphagen. “Hij zeide: ‘Die gooi ik aanstonds in de Zaan’. Ik vertrouwde deze André volkomen in verband met het briefje. ‘En nu de radiotoestellen’, zeide hij. Wij braken de grond bij mij open en haalden daar de twee radiotoestellen uit.” Dat is het teken voor twee Duitsers in uniform om de woning binnen te stappen. ”Zij dreigden ons met een revolver, en André fouilleerde Koos.” De inval is daarmee nog niet ten einde. Het huis wordt doorzocht, de brandkast geleegd en Bets van Lienen moet ook nog de plek aanwijzen waar haar echtgenoot zijn spaargeld heeft verborgen. “Het was in de straat naast ons huis verstopt. Zover ik mij herinner was dit een bedrag van ongeveer vijfduizend gulden.”

Bets en Koos worden vervolgens afgevoerd naar het DSK-bureau in de hoofdstad. Zij wordt elf weken opgesloten in achtereenvolgens de gevangenis aan de Amstelveenseweg en het strafkamp in Vught, hij wordt drie maanden vastgezet in de Amersfoortse gevangenis. “Ik heb geen nadelige gevolgen van die gevangenschap ondervonden. Maar wel zijn van mij zeven gouden tientjes, een vijftig-dollarbiljet en een radiotoestel in beslag genomen, en wel door Riphagen”, vertelt Koos na de bevrijding. 

Voor Bets en Jan van Lienen is het leed groter. Bets merkt na haar vrijlating dat haar huis is geplunderd en vervolgens gevorderd door een NSB’er. Erger nog is dat haar man niet terugkomt uit gevangenschap. Jan van Lienen wordt in september 1944 gedeporteerd naar Duitsland en belandt via verschillende concentratiekampen in het Poolse Gross-Rosen. Daar bezwijkt hij aan longontsteking en uitputting.

 

Pas eind jaren tachtig maakt de Nederlandse Justitie serieus jacht op Riphagen. Die is echter al in 1946 uitgeweken naar respectievelijk Spanje en Argentinië, waar hij nauwe banden weet aan te knopen met dictator Juan Perón. Vanuit Argentinië reist Riphagen vrolijk de wereld rond. In 1973 overlijdt hij in Zwitserland, in een kliniek te Montreux, ongestraft en onontdekt. De zoektocht van Justitie is minimaal vijftien jaar te laat begonnen. 


Dries Riphagen

De nodeloze dood van Piet Zwart

•mei 1, 2008 • Geef een reactie

In het door Jack Kooistra en Albert Oosthoek geschreven boek ‘Recht op wraak’ wordt gesteld dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim vijfhonderd mensen heeft geliquideerd. Zo’n 70% van die aanslagen is door Kooistra en Oosthoek gedocumenteerd. Acht daarvan betreffen de Zaanstreek. Maar in werkelijkheid is hier minstens het dubbele aantal mannen (en één vrouw) gedood. Daarnaast raakten diverse Zaankanters zwaargewond. Op deze website komen de dodelijke slachtoffers allemaal aan bod.
In deel 1 Piet Zwart (Wormerveer, 11-3-1909/Koog aan de Zaan, 5-4-1945).

De onder-districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten klinkt geladen, die 11de mei 1945. Temidden van een grote schare zwijgende mensen op de begraafplaats van Wormerveer houdt hij een bewogen, schuldbewuste afscheidsrede. “Gij staat hier aangetreden met weemoed in het hart en, naar ik hoop, ook met schaamte. Met weemoed, omdat wij staan aan het graf van één onzer besten. Met schaamte, omdat hij niet gevallen is door een Duitse kogel, erger nog, door een kogel van onszelf. Wij zijn weemoedig dat een der voornaamste illegale werkers van de Zaanstreek deze dagen van glorie niet heeft mogen beleven en de vruchten van zijn werk niet heeft mogen plukken.”

De man voor wie deze woorden bedoeld zijn, heet Pieter Jacob Zwart. De commandant memoreert dat deze Wormerveerse garagehouder jarenlang een belangrijke rol speelde binnen het Zaanse verzet, ‘dag en nacht, met inzet van heel zijn markante persoonlijkheid en zijn grote energie’. En toch zijn het zijn eigen kameraden van de Binnenlandse Strijdkrachten die besluiten om hem, een maand voor de Duitse capitulatie, om het leven te brengen. Wat is er gebeurd?

Piet Zwart is al in een vroeg stadium van de oorlog actief binnen het Zaanse verzet. Hij regelt onder meer buitenboordmotoren voor mensen die per -meestal niet of nauwelijks zeewaardige- boot naar Engeland willen vluchten, steunt de hulp aan onderduikers, het Nationaal Steunfonds en de ondergrondse pers.  Hij leent tevens wagens uit aan knokpoegen. Maar garagehouder Zwart heeft ook contacten met de nazi’s. Al in de zomer van 1940 huurt het Duitse leger autobussen bij Zwart om voor het oorlogsgeweld gevluchte Franse burgers terug te brengen naar hun woonplaatsen. Om een oogje te houden op de bussen en er voor te zorgen dat ze heelhuids retour gaan, reist Zwart mee naar Frankrijk. Niet iedereen in het latere verzet heeft daar waardering voor, net zomin als voor zijn keuze om door te werken als garagehouder, ook al betekent het dat hij soms de Weermacht van dienst moet zijn. Maar liever dat, zo redeneert hij, dan zijn personeel ontslaan bij gebrek aan opdrachten. 

Zwart -illegale naam Piet Zwikkers- wordt steeds actiever binnen de illegaliteit en belandt in de Ordedienst, de organisatie die in september 1944 opgaat in de Binnenlandse Strijdkrachten. Maar in deze laatste, door naijver gekleurde organisatie gaat al snel een anonieme brief rond waarin de schrijver de invloed van ondernemers binnen de BS aan de orde stelt. Een andere tekst, waarin de vermeende collaboratie van garage Zwart wordt beschreven, bereikt zelfs de kolommen van het illegale communistische blad De Waarheid.

Op 2 april 1945 loopt de Wormerveerse BS-commandant Jaap Boot naar het huis van Piet Zwart om hem te waarschuwen voor de geruchtenstroom. “Piet, het dreigt fout te gaan. Straks krijgt een of andere idioot het in zijn kop een van de OD-figuren neer te schieten. In de handen van sommigen is een wapen levensgevaarlijk. Bij de mannen van de OD moet veel veranderen, zo niet dan vrees ik het ergste.” Piets echtgenote reageert benauwd en zegt: “Piet, hou er mee op. Ik ben zo bang dat er iets gebeuren gaat.”

Die angst is terecht. Verzetsman Gerard Müller blijkt opdracht te hebben gekregen om Zwart te liquideren. Müller is echter overtuigd van Zwarts onschuld. Hij kent hem goed, helpt vaak in Zwarts Zaandamse garage. Piet Zwart redt hem daar zelfs een keer het leven, als er koolmonoxide ontsnapt terwijl Müller onder een auto ligt te sleutelen. Hij is al bewusteloos op het moment dat Piet Zwart hem, net op tijd, onder de wagen vandaan trekt. Sindsdien voelt Gerard Müller zich schatplichtig aan de garagedirecteur. Maar hoe Müller ook pleit voor het leven van zijn vriend, binnen de BS blijft het besluit gehandhaafd om deze ‘verrader’ om te brengen.

Groepscommandant H. Buntsma wijst na Müllers weigering een ander aan om het fatale schot te lossen: Johan Bak. Buntsma heeft het liquidatebevel weer gekregen van de 42-jarige KP-sectiecommandant Henk Mannessen, die het op zijn beurt ontving van compagniecommandant P.J. Visser. Op 5 april, een maand voor de bevrijding van Nederland, wordt de opdracht uitgevoerd. Johan Bak, terzijde gestaan door vier andere verzetsmensen, schiet rond het middaguur Piet Zwart ter hoogte van De Waakzaamheid in Koog aan de Zaan van zijn fiets. Zwart sterft ter plaatse.

De Koger P. Heinis is getuige van de aanslag. “Voor de ingang van het Sluispad valt een man van zijn fiets, zijn groene hoed rolt de schuinte van het Sluispad af en ligt nog niet eens stil als ik bij het slachtoffer ben”, schrijft hij ruim veertig jaa later. “Het is heel stil, is was de enige die bij het slachtoffer stond, een van de kogels was van de kin naar boven gegaan. De man moet op slag dood geweest zijn.”

Een familielid van Zwart, C.J. Kuiper in Zaandam, schrijft de volgende dag in haar oorlogsdagboek: “Gister is onze neef P. Zwart doodgeschoten op de Provincialeweg door een onbekende dader. Tineke Fris [een familielid, E.S.] vertelde dat er ook een ander doodgeschoten was. Hier waren echter niet alleen de dader, doch ook het lijk verdwenen.” Wie dat tweede slachtoffer zou zijn geweest blijft overigens onduidelijk en berust waarschijnlijk op een onjuist gerucht.

Al snel blijkt de vergissing om Piet Zwart te doden. Andere leden van de Binnenlandse Strijdkrachten arresteren de daders en brengen hen onder in een illegale gevangenis. Hen wordt gefingeerde overtredingen ten laste gelegd, zoals boterdiefstal. Dat maakt het mogelijk om hen onder toezicht te houden van de politie. Er wordt een rechtbank samengesteld, waarna er in de Oostzijderkerk een proces van start gaat. Tot een uitspraak komt het echter niet, als gevolg van de bevrijding.

Op 26 september 1945 dient de zaak alsnog, dit keer voor de krijgsraad in Alkmaar. De Krommenieër schoolmeester Henk Mannessen doet daar uit de doeken hoe het bevel tot stand is gekomen om Zwart uit de weg te ruimen: “Er was een overval op een gevangenentransport mislukt. Ik was bij mijn commandant Visser en vroeg: ’Wie kan dat gedaan hebben?’ Waarop Visser zei: ‘Zwart natuurlijk.’ Ik vroeg: ‘Wat moet je met zo’n vent aan?’ En toen antwoordde Visser: ‘Schiet hem neer, je hebt mijn zegen.’ Dit heb ik als een bevel opgevat. Twee dagen later was ik bij Visser en vertelde hem dat de eerste aanslag was mislukt, maar dat de tweede spoedig beproefd zou worden. Opnieuw zei Visser: ‘Je hebt mijn zegen’.”

Volgens Visser ligt het iets genuanceerder. Hij zou voorafgaand aan de eerste liquidatiepoging slechts in het algemeen gezegd hebben: ‘Je moest zulke kerels neer kunnen schieten.’ Pas toen Mannessen hem vertelde over de mislukking zou hij gereageerd hebben met de woorden: ‘Ga je gang, je hebt mijn zegen.’

Uit de getuigenverhoren blijkt dat het nogal eens botste tussen de verschillende BS-commandanten. Piet Zwart fungeerde daarbij soms als buffer. De rechtbankpresident beschouwt voormalig commandant van de Landelijke Knokploegen Dik Bus overigens als de aanstichter van de achterklap die Zwart fataal werd. Maar Bus is slechts als getuige opgeroepen en kan daardoor niet veroordeeld worden. Uit het blad De Nieuwe Dag van 27 september 1945: “De naam Bus kronkelt als een sissende slang door alle stukken. Bus heeft gekletst als een oud wijf en als er tenslotte mensen veroordeeld worden is het zijn schuld. Rivaliteit en eigen roem waren zijn drijfveer. Hij heeft Mannessen tegen Zwart opgestookt.”

Er is nog een (naoorlogse) getuige met vuile handen: rechercheur De Wit van de Politieke Opsporingsdienst. Die blijkt een rapport te hebben opgesteld waarin Zwart wordt afgeschilderd als collaborateur, verrader en profiteur. Hij blijkt de weinig adequate informatie over Piet Zwart te hebben vastgelegd op basis van roddels onder het personeel van garage Zwart.

Hoofddader Bus wordt niet veroordeeld door de rechtbank in Alkmaar, net zo min als schutter Johan Bak (die slechts in opdracht handelde). Mannessen en Visser ontspringen de dans niet. Beiden worden schuldig verklaard en verdwijnen in de gevangenis. “Het is een zwarte bladzijde in onze Zaanse illegaliteit”, zal de Zaandamse verzetsleider Jaap Buijs na de oorlog noteren in het herdenkingsboek De Zaanstreek in droeve en blijde tijden. “Voor de familie, vooral zijn vrouw, is dit verlies verschrikkelijk. De enige verontschuldiging is dat in de spanning dier dagen gemakkelijker werd besloten iemand terecht te stellen dan in rustiger tijden.”  

                                          Piet Zwart

Exil-poëzie van Johanna Petersen

•maart 16, 2008 • Geef een reactie

De Duitse familie Petersen verliet in 1934 hun vaderland en belandde in Zaandam. Moeder Johanna (‘Henny’) Petersen-Stock (14-4-1888) had als joodse niets meer te zoeken in nazi-Duitsland en ook -de niet-joodse- vader Jacob Willy Heinrich (1-2-1895) ging daar als sociaal-democraat en Esperantist een weinig rooskleurige toekomst tegemoet. Het gezin (vader, moeder, twee dochters) kwam heelhuis door de oorlog, al had Henny Petersen wel te lijden onder de jodenvervolging. Op 16 mei 1939, een jaar voor de Duitse inval in Nederland, schreef ze onderstaand gedicht. Het is hier overgenomen met toestemming van haar dochter Barbara:

WIR SIND BESTIMMT ZU WANDERN

Das Leben wurde einfach

Und darum ist es schön.

Zwar welkten viele Worte:

Was heisst: “Nach Hause gehn”?

         Wir lernten fremde Sprache.

         Wir lernten arm zu sein.

         Und wenn die Kinder satt sind,

         Schlafen wir dankbar ein.

Doch deine starken Hände

Helfen uns so gut.

Sie sind wie Holz und Eisen,

Das Obdach um uns tut.

            Sie biegen unablässig

           Am Gitter unsrer Not.

           Sie bringen was wir brauchen

           Und brechen unser Brot.

Wir sind bestimmt zu wandern,

Am Wege zu vergehn,

Und fern am Wüstenrande,

Den Tempel noch zu sehn.

           Und werden wir verwehen,

           Wie Löwenzahn im Wind,

           Am Firmament steht: “Ewig”,

           Wo wir zusammen sind.

Und sterben wir im Wandern,

Geschlecht, das Gott nicht glich.

Wir bleiben wie ein Sternbild,

Die Kinder, du und ich.

Henny en Hein Petersen met hun dochters Barry en Conny voor hun woning aan de Zaandamse Jan Steenstraat 3 (jaren dertig)

Monument voor Walraven van Hall (2)

•maart 16, 2008 • Geef een reactie

De Spaanse kunstenaar Fernando Sanchez Castillo (1970) gaat het monument maken voor de in 1945 geëxecuteerde Zaandamse verzetsman Walraven van Hall. Zijn monument, dat naast het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank in Amsterdam komt, stelt een gevelde boom voor. Volgens Hans Wijers (stichting Monument voor Walraven van Hall) ‘is de boom weliswaar omgevallen, maar functioneert ze nog steeds als ontmoetingsplek’. Van Hall was een bindend element binnen het Zaanse en nationale verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en kan worden beschouwd als de centrale man van de illegaliteit.

Het is de bedoeling dat het monument in februari 2009 wordt onthuld. Castillo volgde een opleiding aan de Amsterdamse Rijksacademie en werkt zowel in Spanje als in Nederland.   

Het laatste restje ethiek van Anton van der Waals

•februari 2, 2008 • Geef een reactie

Verrader zwijgt over in Zaandam ondergedoken joods meisje

De Zaandamse wiskundeleraar en verzetsman George Louis Jambroes vlucht in het najaar van 1941 naar Engeland, waar hij in maart 1942 aankomt. De Nederlandse regering in ballingschap besluit hem in te zetten als geheim agent. Jambroes moet leiding gaan geven aan de opbouw van een ondergronds leger in zijn vaderland. Maar wanneer hij in de nacht van 26 op 27  juni per parachute wordt gedropt in de buurt van Steenwijk wacht hem daar een onaangename verrassing. De Sicherheitsdient blijkt als gevolg van het zogenaamde Englandspiel op de hoogte van zijn komst en arresteert hem onmiddellijk na zijn landing. Het is het begin van een kat- en muisspel, waarvan onder andere een onschuldig joods meisje bijna het slachtoffer wordt.

Na diens gevangenname onderzoekt de Sicherheitsdienst Jambroes’ kleding. Ze vinden een briefje met daarop drie adressen waar de agent zich kan melden na zijn terugkeer in Nederland. De Zaandamse apotheek van Henny Eskens-Krabbé staat er ook tussen. SD-voorman Joseph Schreieder redeneert dat de (illegale) Ordedienst wellicht via een van de genoemde adressen contact zal zoeken met de gedropte agent en besluit om Anton van der Waals, de man die Jambroes kort daarvoor zo verraderlijk verwelkomde op Nederlands grondgebied, naar Zaandam te sturen. Schreieder wil dat deze voor de Duitsers werkende verrader uitvindt of de illegale Ordedienst bemoeienis heeft met een van de vrouwen die in Jambroes’ ‘operational order’ genoemd worden als OD-contactpersonen. Onbewust helpt de gevangenzittende leraar zijn cipiers een handje. Hij mist zijn echtgenote enorm en vraagt Schreieder of haar een brief kan worden bezorgd. De Kriminaldirektor gaat gretig in op het verzoek. “Na de arrestatie bemerkte ik dat deze Jambroes een zeer bekende persoonlijkheid was te Zaandam. (…) Hierdoor ontstond het gevaar dat juist door deze bekendheid het uit zou lekken dat hij gevangen was. Ik heb Jambroes toen een tweetal brieven laten schrijven, beide gericht aan adressen te Zaandam. Van één weet ik nog dat hij gebracht moest worden bij een apotheker. De andere kan ik mij niet meer herinneren. Door mijn V-Mann Van der Waals heb ik deze brieven laten bezorgen, met de boodschap dat Jambroes goed was aangekomen, doch zelf niet kon komen”, schrijft Schreieder later in zijn memoires. Het geeft hem een unieke kans om zonder veel risico’s informatie te verzamelen. “Toen nu Jambroes mij vroeg of hij via die apotheek aan zijn vrouw mocht schrijven, stemde ik daarin dadelijk toe, omdat ik daardoor de mogelijkheid had om te controleren of er nog van andere zijde geprobeerd werd contact met hem te krijgen.”
Van der Waals reist met de brieven op zak naar Zaandam. Vanaf het station wandelt hij in een kwartiertje naar de woning van Guusje Jambroes, Apolloplantsoen 11. Ze is niet thuis. De Vertrauensmann steekt daarop de straat over en belt aan bij Schubertstraat 2, vijftig meter verderop. Henny Eskens-Krabbé doet de deur open. “Ik kom van een oude vriend die al anderhalf jaar weg is”, zegt Van der Waals. Het is een codetekst. De apothekeres realiseert zich onmiddellijk over wie hij het heeft. De slanke man tegenover haar maakt een nette indruk. Ze nodigt hem uit om binnen te komen, een invitatie waaraan hij graag gehoor geeft. Er blijkt nog iemand in huis te zijn, een jonge vrouw, maar Henny Eskens stelt de bezoeker op zijn gemak. De vrouw in de huiskamer is George Jambroes’ zuster Elizabeth, die toevallig op visite is. Van der Waals maakt zich bekend als ingenieur De Wilde en overhandigt het door Jambroes geschreven briefje dat ‘brenger dezes’ betrouwbaar is. Hij legt uit dat Jambroes en hij zijn gedropt met een boodschap van de regering in ballingschap. De ‘ingenieur’ vertelt over zijn opdracht -het opbouwen van een landelijk opererende, ondergrondse organisatie- en een op handen zijnde invasie, de komst van nog meer geheim agenten en zijn zoektocht naar opvangadressen voor deze parachutisten.

Onderduikster

Het valt Van der Waals op dat een van de twee kleine meisjes in huis Henny Eskens-Krabbé aanspreekt met ‘tante’. Dat is zeker een joods kindje, vraagt hij. Haar pleegmoeder antwoordt bevestigend. “Ze had de kleine onderduikster zelfs voor haar beste vrienden verborgen gehouden, maar tegenover deze prettige ‘agent’ uit Engeland was ze plotseling openhartiger dan anders. ‘Ik beschik over goede verbindingen’, improviseerde Van der Waals. ‘Meld het mij gerust als er nog meer joden in uw kennissenkring zijn, dan kan ik hen ook helpen. Nee, nee, dat kost niets. Deze mensen zijn al zo zielig, wij doen dat graag’”, verwoordt Jelte Rep de ontmoeting in zijn boek Englandspiel

Het bewuste joodse meisje is de 8-jarige Hanna Jacobson. Eerder die maand is ze ondergebracht bij de Zaandamse apothekeres, die haar en haar ouders kort daarvoor heeft ontmoet op een verjaardagsfeestje in Amsterdam. Daar was het gezin ingekwartierd bij Maarten Krabbé (de vader van de latere acteur Jeroen Krabbé), nadat het eerder hun woonplaats Blaricum had moeten verlaten. Hanna’s moeder duikt elders onder, haar vader meldt zich vrijwillig voor Westerbork. Voor Hanna’s komst naar de Zaandamse Schubertstraat geeft Eskens-Krabbé als verklaring tegenover nieuwsgierige buitenstaanders dat het meisje uit het twee jaar eerder gebombardeerde Rotterdam komt. Haar vader is zogenaamd zeeman, haar moeder ziek en hulpbehoevend. Dit alibi geeft Hanna de mogelijkheid om relatief rustig de oorlog uit te zitten. Ze krijgt thuis les van Chris Coté, een in het Zaanse verzet actieve onderwijzer uit de buurt, en kan zelfs gewoon op straat spelen. 

Ter afsluiting van het bezoek stelt Anton van der Waals zijn gastvrouw voor om aan Jambroes’ echtgenote te vragen een koffer met warme kleding klaar te zetten in een kluis op het Amsterdamse Centraal Station. Daartoe is ze uiteraard bereid. Ze geeft hem het adres van Guusje, die met haar moeder en zoon Erik in hotel De Wageningse Berg logeert, en vraagt wat bedenktijd voor zijn verzoek om parachutisten onder te brengen. De twee spreken af elkaar korte tijd later te ontmoeten in het Amsterdamse Café Americain. Joseph Schreieder is tevreden over het werk van zijn ondergeschikte. Hij geeft Van der Waals opdracht om naar Wageningen te gaan en contact te leggen met Guusje Jambroes. Die ontmoeting verloopt al net zo soepel als met Henny Krabbé. Ingenieur De Wilde weet ook haar vertrouwen te winnen. Hij herhaalt zijn fantasie over de gezamenlijke dropping en de komende geallieerde invasie. Guusje ontvangt ƒ500,- en de door haar man geschreven brief. Helaas kan hij haar om veiligheidsredenen niet vertellen wanneer George en hij in Nederland zijn geland en waar haar echtgenoot zich momenteel bevindt, excuseert De Wilde zich. Hij stelt voor dat Guusje een brief schrijft aan haar man en geeft haar daartoe een adres. Na ook bij haar te hebben geluncht vertrekt de man met de dubbele agenda, Guusje Jambroes blij achterlatend met het eerste levensteken van haar man in driekwart jaar tijd. In Zaandam informeert Henny Krabbé verzetsman Chris Coté over haar ontmoeting met de aardige ingenieur De Wilde en vraagt hem of hij geen joodse onderduikers kent die het onveilige Nederland willen verlaten. Coté is argwanend en adviseert haar om niet verder in zee te gaan met de hem onbekende man. Hij besluit mee te gaan naar de afspraak in Americain en van een afstandje de genereuze Londense agent te bestuderen terwijl die in gesprek is met Henny.

Provocateur

Op het chique caféterras legt Krabbé aan De Wilde uit te hebben nagedacht over de mogelijkheid om haar huis open te stellen voor parachutisten, maar er van af te zien. De ingenieur vindt het jammer, maar reageert begripvol. Hij zegt dat George Jambroes het ook zal begrijpen. Verstopt achter een krant beziet Coté het tafereel. De zelfbenoemde ingenieur en de apothekeres nemen voor de tweede en laatste keer afscheid. Henny stapt op de tram naar het Centraal Station, waarop even later ook Coté plaatsneemt. Zij heeft nog steeds het volste vertrouwen in de charmante De Wilde, maar Coté’s argwaan is alleen maar gegroeid. Die wordt nog eens gevoed door de ontdekking dat de met kleren gevulde koffer die Guusje Jambroes volgens afspraak achterlaat op het Amsterdamse treinstation niet wordt opgehaald.

Pas twee jaar later krijgen Guusje en Henny zekerheid. In Paraat, het illegale blad van oud-Zaandammer Jan Rot, zien ze tot hun afgrijzen dat De Wilde annex Van der Waals een ‘levensgevaarlijke provocateur’ is. De bijgevoegde foto van de verrader neemt de laatste twijfels weg. Opluchting is er ook, met name bij Krabbé. Ondanks Van der Waals’ kennis over het joodse onderduikstertje in de apothekerswoning hebben de Duitsers nooit getracht om het meisje weg te halen. Blijkbaar heeft de V-Mann al die tijd zijn mond gehouden.

De vader van Hanna Jacobson overleeft het concentratiekamp niet. Haar moeder wordt verraden op haar onderduikadres en belandt uiteindelijk in Auschwitz, maar wordt daar aan het eind van de oorlog bevrijd. Ze wordt herenigd met haar dochter. De oorlogservaringen hebben echter een dusdanige impact op moeder en kind, dat Hanna na een jaar terugkeert naar Henny Eskens-Krabbé. Daar brengt ze haar verdere jeugdjaren door. 

Anton van der Waals  wordt na de oorlog voor de rechter gebracht en vanwege zijn grootschalige verraderswerk -hij is wel de grootste Nederlandse verrader tijdens de Tweede Wereldoorlog genoemd- ter dood veroordeeld. Volgens de rechtbank is hij betrokken bij de arrestatie van minstens 83 verzetsmensen, van wie er minimaal 34 de oorlog niet overleven. Hij sterft op 26 januari 1950 voor het vuurpeloton.

 Anton van der Waals

Klein oorlogsleed

•januari 27, 2008 • Geef een reactie

Aannemer Kakes beboet wegens vernieling 

De Zaandamse aannemer Reinder Kakes heeft het niet zo op de nationaal-socialisten. Geen wonder dat de Zaandamse NSB-groepsleider L. van Westervoort op 19 december 1941 een brief opstelt met de tekst:

“Kameraad,

Bij informatie is komen vast te staan, dat de heer R. Kakes, Westzijde 262b, te Zaandam, fel anti-N.S.B. is. Zijn uitlatingen en houding moeten dit bevestigen.

Hou Zee!

De Groepsleider.”

Aanleiding voor de notitie is wellicht een akkefietje dat twee maanden eerder speelt. In het najaar van 1941 gooien de eveneens op de Westzijde wonende broers Reijling de winkelruiten in van kapper J. de Boer (Westzijde 236) en sigarenhandelaar Th. van Doorn (Westzijde 211d). Beide middenstanders staan bekend als NSB’ers. Anderhalve week later ontvangt Kakes een brief van NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay. De reden daarvoor, zo laat de burgemeester aan Kakes weten, is ‘uw bekende politieke gezindheid’, waardoor ‘aan te nemen is dat gij handelingen als die waardoor de schade is aangericht bevordert of goedkeurt’. Als straf dient de aannemer voor 1 december 180,25 gulden te betalen aan de Zaandamse gemeente-ontvanger. “Bij nalatigheid zal worden overgegaan tot gerechtelijke tenuitvoerlegging, waarbij lijfsdwang kan worden toegepast”, eindigt de burgemeester zijn brief. Kakes neemt geen risico en betaalt. Een met Kakes sympathiserende wethouder, voorheen zelf aannemer, regelt echter dat de vermeende ruitentikker na korte tijd zijn geld terugkrijgt. Reinder Kakes komt ongeschonden de oorlog door en weet zich in latere oorlogsjaren onder meer verdienstelijk te maken door in de Zaanstreek schuilplaatsen te bouwen voor  onderduikers.

NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay

Walraven van Hall, premier van het verzet

•januari 26, 2008 • Geef een reactie

Historici als Loe de Jong en Geert Mak bestempelden Walraven van Hall als de centrale man van de illegaliteit gedurende de Tweede Wereldoorlog. Desondanks zakte deze Zaandamse ’bankier van het verzet’ langzaam weg in de vergetelheid. Op 10 februari 2006, zijn honderdste geboortedag, verscheen er een biografie over Zaandammer ‘Wally’ van Hall.

Walraven van Hall komt op 10 februari 1906 ter wereld in een welgesteld, liberaal Amsterdams particiërsgezin. Onder zijn voorvaderen bevinden zich tal van Kamerleden, gemeentebestuurders en bankdirecteuren. Wally, zoals zijn roepnaam luidt, kiest echter een andere route en besluit om zeeman te worden. Hij bezoekt de Zeevaartschool op Terschelling en monstert vervolgens aan bij de Koninklijke Hollandsche Lloyd. Vier jaar lang reist hij als koopvaardij-officier tussen met name Europa en Zuid-Amerika. In 1929 worden zijn ogen niet meer goed genoeg bevonden voor de grote vaart. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader en wordt bankier. Hij werkt anderhalf jaar in New York en grijpt dan de kans om bankdirecteur te worden in Zutphen. In 1932 trouwt hij met Tilly den Tex, ook al een telg uit een roemrijk bankiersgeslacht, met wie hij drie kinderen krijgt.
In maart 1940 treedt Van Hall in dienst bij de Zaandamse bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon, gevestigd aan de Westzijde 47. Hij betrekt diezelfde maand een vlakbij gelegen herenhuis, aan de Westzijde 42 (op de plek waar nu het Holland Handelshuis staat). Als commissionair in effecten reist hij dagelijks naar de Amsterdamse effectenbeurs. Naast zijn werk wordt Van Hall vrijwilliger bij de plaatselijke Luchtbeschermingsdienst, in 1939 opgericht ter voorbereiding op de dreigende oorlog.

Nederlandse Unie

Als reactie op de Duitse bezetting van Nederland ontstaat de Nederlandse Unie. Deze nieuwe volksbeweging wil het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Ruim anderhalf jaar schippert de Unie tussen toegeven aan de steeds verdergaande eisen van de bezetter en het volgen van een eigen koers. Desondanks groeit de organisatie uit tot de grootste politieke partij ooit, met 600.000-900.000 leden. De meeste mensen sluiten zich aan uit weerzin tegen de nationaal-socialistische partijen NSB, NSNAP en Nationaal Front. Van Hall wordt in november voorzitter van de nieuwe afdeling Zaandam, zijn stadgenoot Jaap Buijs secretaris/penningmeester. In mei 1941 opent de Nederlandse Unie een winkel aan de de Gedempte Gracht 10. Voorin zijn kranten, speldjes en ander propagandamateriaal verkrijgbaar, in een achterzaaltje vindt kadervorming plaats. “Het thans bereikte aantal van duizend leden voor Zaandam is nog veel te gering”, spreekt Van Hall tijdens de opening de achterban toe.
Buijs en Van Hall missen zelfs het kleinste stukje affiniteit met de bezetter en haar aanhang. Ze roepen het Unie-bestuur op om stelling te nemen tegen de NSB en Buijs laat het partijsecretariaat weten ‘liever geen loten voor de Winterhulp te willen verkopen’. “Van de verkoop mag niets worden verwacht”, geeft hij als reden op. In dat beeld past ook de vaderlandslievende actie van een Zaandamse Uniehuis-medewerker. Uit een Unie-verslag: “In Zaandam liep de conciërge van de winkel een proces-verbaal op, omdat hij van de op het trottoir voor de winkel geklodderde leuze ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen het eerste gedeelte had weggeschrobd.” Van Hall zal de selectieve schoonmaakactie ongetwijfeld met een glimlach hebben waargenomen.
In december 1941 hebben de Duitsers genoeg van de wispelturige Nederlande Unie. De organisatie wordt verboden. Relatief veel Unie-leden belanden vervolgens in de illegaliteit. Zo ook Van Hall. Begin 1941 is hij al gestart met het inzamelen van geld voor slachtoffers van de Februaristaking en datzelfde jaar raakt hij betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor de gezinnen van koopvaardij- en marinepersoneel dat vanuit Groot-Brittannië bijdraagt aan de geallieerde oorlogsvoering. Samen met zijn broer Gijs -de latere burgemeester van Amsterdam- slaagt Walraven er in om tonnen aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Wanneer anderen, die er misschien direct meer voor in aanmerking komen, het niet aandurven om te steunen, dan moeten zij dat zelf weten, maar ik denk er niet aan om mijn makkers, waarmee ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, zegt de oud-zeeman tegen een vriend.

Nationaal Steunfonds

In de loop van 1942 wordt duidelijk dat steeds grotere aantallen nazi-slachtoffers hulp nodig hebben. De beide Van Halls richten daartoe samen met oud-Philipsmedewerker Iman J. van den Bosch het Landrottenfonds op. Walraven stelt voor om uit oogpunt van veiligheid -hoe meer leners, hoe groter de kans op verraad- leningen lager dan 25.000 gulden niet langer te accepteren. Die opzet lukt wonderwel, door aan te kloppen bij banken en vermogende Nederlanders. De organisatie groeit in 1943 uit tot een landelijk netwerk. De steun wordt uitgebreid naar gezinnen van gijzelaars en gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van Arbeidsinzet-onderduikers en (via een speciale Vakgroep J, met in het bestuur onder andere Zaandammer Remmert Aten) 8000 à 9000 joden. Een door Van Hall uitgedacht, ingenieus administratiesysteem voorkomt misbruik van de verzamelde gelden.
Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstaat na verloop van tijd het Nationaal Steunfonds. Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider is, financiert gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gaan er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw, Het Parool en De Typhoon. De bloeiperiode van het NSF breekt aan als de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 oproept tot de spoorwegstaking. Het fonds neemt de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een last van 5-6 miljoen gulden per maand. Walraven en Gijs van Hall zorgen dat er op grote schaal schatkistpromessen worden vervalst. Met deze waardepapiereen weten ze De Nederlandsche Bank onder leiding van nationaal-socialist M. Rost van Tonningen 51 miljoen gulden afhandig te maken. Het is tot vandaag de dag de grootste bankfraude ooit in Nederland.
In het laatste oorlogsjaar raakt Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, de Binnenlandse Strijdkrachten (dat eveneens door het NSF wordt betaald) en een landelijke campagne om Duitse dwangarbeid te voorkomen. Hij houdt zich verder onder meer bezig met de hulp aan geallieerde piloten, de leverantie van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens conflicten binnen de landelijke illegaliteit. Aan zijn rol als intermediair houdt hij de bijnaam ‘olieman’ over. Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken zal premier Schermerhorn na de oorlog Van Hall betitelen als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Een andere minister-president, Drees, gebruikt vergelijkbare woorden.
Hoewel het NSF uiteindelijk meer dan 100 miljoen gulden onder haar beheer heeft en relatief makkelijk aan voedsel en kleding kan komen, weigeren Van Hall en zijn directe medewerkers gebruik te maken van hun ‘privileges’. Walravens gezondheid gaat dan ook snel achteruit tijdens de hongerwinter van 1944-’45. Geert Mak beschrijft in zijn boek ‘Een kleine geschiedenis van Amsterdam’ de vermoedelijk laatste keer dat de dan 11 jaar oude Attie haar vader ziet. “Het moet op een koude avond in de laatste oorlogswinter zijn geweest, zij wist de datum niet meer precies, dat Walraven van Hall -beter bekend als Van Tuyl, soms als Barends of Oom Piet- opgebrand na maanden van keihard werken, onverwacht bij zijn vrouw en drie kinderen de keuken binnen kwam zeilen. Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”
Op 27 januari 1945 wordt Van Hall gearresteerd, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans belandt hij in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs, die twee weken eerder is opgepakt. Op 12 februari 1945, twee dagen na zijn 39ste verjaardag, sterft Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Enkele maanden na de bevrijding wordt zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen. De olieman krijgt dichtbij de vindplaats zijn laatste rustplaats, op de Erebegraafplaats in Bloemendaal.

cawdshgr.jpg

‘Wally’ van Hall op de Zeevaartschool van Terschelling (links voor).

 

Hannie Schaft geëerd met planetoïde

•januari 23, 2008 • Geef een reactie

Kleine planeet vernoemd naar verzetsvrouw

Planetöide nummer 85119 draagt voortaan de naam Hannieschaft. Het circa twee kilometer grote planeetje is op voordracht van Loes Timmerman en Carl Koppeschaar vernoemd naar de Haarlemse verzetsvrouw, die drie weken voor het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werd doodgeschoten. De vernoeming is op 22 januari 2008 door de Internationale Astronomische Unie (IAU) bekrachtigd.
Kleine planeten zijn rotsachtige objecten die voor het merendeel bewegen in banen om de zon, gelegen tussen de banen van de planeten Mars en Jupiter. Planetoïde (85119) Hannieschaft doet twee jaar en bijna acht maanden over een volledige omloop. De gemiddelde afstand van het kleine planeetje tot de zon bedraagt 286 miljoen km. Ter vergelijking: de afstand van de aarde tot de zon bedraagt 150 miljoen km. Planetoïde (85119) Hannieschaft werd in 1972 ontdekt door de Amerikaanse astronoom van Nederlandse afkomst Tom Gehrels.
Een bijzonderheid van de baan van (85119) Hannieschaft is dat het planeetje dichter bij de zon kan komen te staan dan Mars. Die situatie doet zich voor als Mars zich in zijn elliptische baan het verst van de zon bevindt en (85119) Hannieschaft in haar elliptische baan het dichtst bij de zon. Mars staat ook wel bekend als de ‘Rode Planeet’. Het is dus een zeer toepasselijke coïncidentie dat de planetoïde voor het ‘meisje met het rode haar’ tot de klasse van de zogenoemde Mars-kruisers, of ‘Mars-crossing Asteroids’ wordt gerekend.
Hoewel zo’n 15.000 van de thans (stand op 19 december 2007) 173.116 genummerde planetoïden tegenwoordig een naam dragen, gebeurt het niet zo vaak dat Nederlanders een dergelijk hemellichaam naar zich vernoemd krijgen. In totaal zijn nu bijna 300 van de 15.000 van een naam voorziene planetoïden vernoemd naar bekende Nederlanders, Nederlandse steden, sterrenwachten, romanfiguren en andere Nederlandse zaken. Tegelijkertijd met Hannie Schaft werd planetoïde (12151) naar Willem van Oranje . Hannie Schaft bevindt zich voortaan in een select gezelschap van Nederlandse wetenschappers, ontdekkingsreizigers, schrijvers en anderen wier namen reeds eerder op deze manier zijn vereeuwigd in het zonnestelsel.

Levensloop

Jannetje Johanna Schaft, roepnaam ‘Jo’ en beter bekend als Hannie Schaft, werd geboren in Haarlem als dochter van de leraar op de Rijkskweekschool Pieter Schaft en Aafje Talea Vrijer. Haar moeder was doopsgezind en haar vader voelde zich sterk verwant aan de SDAP. Ze volgde de HBS en ging in 1938 rechten studeren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Schaft raakte bevriend met haar joodse medestudentes Philine Polak en Sonja Frenk (zij zaten later beiden tijdens de oorlog bij Hannies ouders ondergedoken). Hierdoor voelde ze zich toen de Tweede Wereldoorlog begon persoonlijk geraakt door de discriminatie van de joden. Nadat ze als student had geweigerd de loyaliteitsverklaring te tekenen, trok ze weer bij haar ouders in. Ze nam steeds actiever deel aan het verzet en hielp onderduikers met gestolen bonkaarten en persoonsbewijzen. Haar schuilnaam werd Hannie en haar bijnaam ‘het meisje met het rode haar’. Uiteindelijk sloot ze zich aan bij de Raad van Verzet (RVV), een organisatie die door haar nauwe banden met de CPN door andere verzetsbewegingen sterk werd gewantrouwd. Samen met Truus en Freddy Oversteegen pleegde ze verschillende aanslagen op Duitsers, collaborateurs en landverraders. Ze was veelal actief in de Zaanstreek.

Op 8 juni 1944 pleegde ze te Heemstede samen met verzetsstrijder Jan Bonekamp een aanslag op de NSB’er en banketbakker Piet Faber. Hij overleed zes dagen later. Bekend is de succesvolle aanslag op de Zaandamse politiecommissaris Willem Ragut op 21 juni 1944, waarbij Jan Bonekamp dodelijk gewond raakte. Op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) mislukte een aanslag van Hannie Schaft en Jan Heusdens op politieagent Willemsen. Hannie Schaft en Truus Oversteegen waren van plan om Fake Krist op 25 oktober 1944 te liquideren, maar andere Haarlemse verzetsstrijders waren hen voor.

Hannie Schaft leerde vloeiend Duits spreken en papte aan met Duitse soldaten. Hierdoor werd ze door sommige verzetslieden beschouwd als een verrader. Nadat een subafdeling van de RVV in Velsen zonder toestemming van hogerhand een boer vermoordde, bracht ze met twee andere vrouwen een lijst met de daders naar haar leiders. Later werden de personen die hier op stonden verraden aan de Sicherheitsdienst, waardoor ze een gewisse dood tegemoet gingen. Zelf heeft ze waarschijnlijk niet geweten wat de gevolgen waren van haar actie. Na de oorlog is deze affaire door een speciale onderzoekscommissie grondig onderzocht.

Op 1 maart 1945 werd NSB-agent van politie Willem Zirkzee door Hannie Schaft en Truus Oversteegen doodgeschoten. Dit vond plaats ter hoogte van het Krelagehuis aan de Leidsevaart in Haarlem. Op 15 maart pleegden Hannie Schaft en Truus Oversteegen een succesvolle aanslag op Ko Langendijk. Deze succesvolle kapper uit IJmuiden was voor de Sicherheitsdienst gaan werken. Een eerdere aanslag op hem door Jan Bonekamp was mislukt.

Arrestatie en executie

Schaft werd door de Duitse bezetter gehaat, omdat ze aan het einde van de oorlog nog allerlei in hun ogen zinloze aanslagen pleegde. Ze werd op 21 maart 1945 bij een wegversperring aan de Haarlemse Jan Gijzenkade (bij de Mauermuur) gearresteerd toen ze illegale bladen en een wapen bij zich bleek te hebben. Op het politiebureau van Haarlem ontdekten de Duitsers met wie ze van doen hadden. Het is Emil Rühl geweest die Hannie Schaft vanuit Haarlem naar het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg te Amsterdam heeft gebracht. Hoewel aan het einde van de oorlog een akkoord bestond tussen de bezetters en de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) om geen vrouwen om te brengen, werd Schaft drie weken voor het einde van de oorlog (op 17 april 1945) in opdracht van Willy Lages gefusilleerd in de duinen bij Bloemendaal.
Op 27 november 1945 werd haar stoffelijk overschot herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal te Overveen. Koningin Wilhelmina, prinses Juliana en prins Bernhard waren hierbij aanwezig. Voor haar strijd tegen de nazi’s kreeg Schaft het Verzetskruis 1940-1945 en een speciale Amerikaanse onderscheiding.

Changing fortunes

•januari 19, 2008 • Geef een reactie

Rutger Hauer wil leven Walraven van Hall verfilmen

Ondanks financiële tegenslag wil Rutger Hauer nog altijd de speelfilm ‘Changing fortunes’ maken en zo het (verzets-)leven van Zaandammer Walraven van Hall vastleggen op celluloid. “De film is een getuigenis over een individu dat de wereld daadwerkelijk kan verbeteren en het toont hoezeer hij zich wil opofferen om deze verbetering te realiseren”, aldus Hauer in het Noordhollands Dagblad van 16 juni 2006.

De plannen voor deze internationale, Engelstalige productie bestaan al vele jaren, maar liepen vertraging op als gevolg een zich terugtrekkende financier en problemen met het filmscript. Aan dat laatste wordt nog steeds geschaafd en acteur Hauer is nu op zoek naar alternatieve financieringsbronnen. In het blad De Pers van 17 januari 2008 zegt hij: “Ik wil bewijzen dat het anders kan, eerlijker verdeeld. Ik ga mensen zoeken die bij elkaar horen en voor niets willen werken. Ik verfilm een verhaal omdat ik dat mooi vind, ik betaal jou een beetje om daar bij te helpen en dan betaal ik je later meer – als de film ook echt iets opgeleverd heeft. Het komt er gewoon op neer dat iedereen meer verantwoordelijkheid en een stem heeft. Ik zie niet in waarom dat niet kan. (…) Ik heb nog een voorzet nodig. Een financiële voorzet. Maar ik ben niet bang om te wachten. Ik heb geduld.”  

Rutger Hauer met de in 2007 overleden verzetsman Erik Hazelhoff Roelfsema

De arrestatie van Jaap Buijs

•januari 14, 2008 • Geef een reactie

Verzet tot het laatst

De Zaandamse houthandelaar Jacob Buijs behoorde tot de top van zowel het Zaanse als het landelijke verzet. Ruim vier jaar lang weet hij de bezetter om de tuin te leiden, maar in de ochtend van 12 januari 1945 valt de Sicherheitsdienst binnen op het adres waar een vergadering plaatsvindt van de Stichting 1940-1945. Jaap Buijs hield een dagboek bij over zijn zware tijd in de gevangenis. Zijn -ongecorrigeerde- verslag van de eerste maand in eenzame opsluiting (hij zat vast tot de bevrijding van Nederland) staat hieronder.

12/1 Hadden een vergadering ter voorbereiding van de stichting 1940/1945. Deze verg. was uitgeschreven ‘s morgens 10 uur ten huize van een advocaat aan de Z. Amstellaan te A’dam. 10 1/2 uur kwam deze advocaat zeggen dat de gestapo aan de deur stond. In paniek trachtte ieder een kant uit te komen. Ik realiseerde mij toen ik achter het huis ook Duitsche stemmen hoorde dat het huis was omsingeld en bracht vlug wat belastende papieren in veiligheid achter een centrale verwarming. Smallenbroek, v. Namen en ik werden gearresteerd. De advocaat (die onze adviseur was) Gillieron en Hugo waren ontkomen. Om 11 1/2 uur werden wij ingesloten in het huis van bewaring aan de Weteringschans. Ik werd ingesloten in cel 18A1 een zeer donkere en ellendige cel. ’s Avonds verhoord door Fiebahn. Toen hij er niet in slaagde een bekentenis los te krijgen en ik geen namen wilde noemen stoof hij op mij af en met z’n gezicht vlak voor het mijne beet hij mij toe dat als ik niet onmiddellijk bekende hij vanaf 10 uur zijn maatregelen zou nemen. Hij zou mijn huis in de lucht laten vliegen en vrouw en kinderen arresteeren. Ik antwoordde hem dat ik dit dan zou moeten aanvaarden, hij had nu eenmaal die macht, maar daarom kon ik geen dingen zeggen waarvan ik niets afwist. Hij wuifde met z’n hand en zei, We krijgen je wel klein vriend dat lukt ons bij iedereen. Terug in mijn cel streek ik bij toeval langs mijn jas, hoorde iets kraken en ontdekte dat drie brieven, die sterk belastend waren en die ik in een bepaalde prop gedraaid in een notaris-zak bij mij had om ze ’s morgens op een “Kern”vergadering te gebruiken door de kerel die ons visiteerde over ‘t hoofd waren gezien. Dit was een opluchting daar ik verder niets bij mij had dat belastend kon werken. Ondanks dit bofje had ik een beroerde nacht uit angst voor wat ze thuis zouden doen. Ik heb deze briefjes in propjes gedraaid en in de luchtrooster weggewerkt.
14/1 Uit mijn cel gehaald, moest tegen de muur staan maar werd toen zonder meer weer teruggebracht.
19/1 Opnieuw uit mijn cel gehaald. Thans werd ik door een zekere Rühl langdurig en zeer scherp verhoord. Ik had echter de tijd gehad om na te denken wat ik zou zeggen en hij kwam dan ook niets bijzonders te weten. Tenslotte werd hij razend en beet mij toe: Je dacht zeker je vrienden te sparen, maar die hebben we spoedig genoeg te pakken ook je vriend v. Hall. We weten waar ze vergaderen en dan spreken we elkaar wel nader. Ik gaf hier geen antwoord op, waarop hij zei: Ga maar eerst weer een 14 dagen naar je donkere celletje dan kom je wel bij. Door de onmacht om ze te waarschuwen raakte ik in een moedeloze bui en kon niet meer slapen.
(Later is mij gebleken dat 26 Jan. Hugo is gepakt die helaas zoo slap is geweest om de vergadering die v. Hall Nieuwenhuis en anderen 27/1 zouden houden te verraden waardoor ze 28/1 zijn opgepakt.)
(Ongedateerd) Plotseling werd 28 januari de bewaking zeer streng. De wachtmeesters liepen zwaar bewapend rond en machinegeweren waren in de gangen opgesteld. Ook honden liepen rond. Dit hoorde ik door medegevangenen aan elkaar vertellen. Daar ik nooit gelucht werd heb ik het zelf niet gezien. Ze vreesden, zoo zeiden ze dat de gevangenis zou worden overvallen. Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens een stroozak zoo goed als zonder stroo op de steenen vloer. Bovendien geen licht.
2/2 Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn groote ontsteltenis kwam Wallie tussen 2 D. wachtmeesters mijn cel binnen. Hij werd er meteen weer uitgeleid. Of dit opzet of een vergissing was weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en hij werd daarin opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad verstond ik dat niet. Hij kwam toen met z’n mond voor de spleet van z’n raam, riep mij op en vertelde dat hij 27/1 was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht. Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zoo’n smerige cel zit. Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ‘s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen met elkander tikkend gesproken. Ik was toen zoo moe door de inspanning dat ik voor ‘t eerst vast heb geslapen.
3/2 Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wallie buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest. Ik werd daarna zeer langdurig door Rühl verhoord. R. werd woedend dat ik niets bekende.
4/2 Weer opnieuw verhoord, ik moest de grofste dreigementen verwerken.
5/2 Dito.
6/2 Stien jarig. Veel te verwerken zoo’n dag. ‘s Middags uit mijn cel gehaald, weer tegen de muur geplaatst met anderen die ik niet kende. Deze werden weggevoerd en ik werd naar de cel teruggebracht.
7/2 8/2 Bitter koud, eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8e zeer somber was en veel steun nodig had daar ze alles van hem wisten ook dat hij v. Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt vertroosten door dat koude tikken je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft.
(Later bleek dat Hugo een tekening van de illegaliteit had gemaakt 6/2 door hem ingeleverd en alles had verraden. De rotvent!)
9-2: Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wallie besproken die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tusschen te zijn waardoor dit niet zou gebeuren. ‘t Was gek maar er zat een zekere troost in dat Wallie nu niet alleen die ellende doormaakte maar jezelf ook onder dezelfde druk leefde.
(‘t Zat als volgt: Lom had gezegd ons wel te willen verraden mist wij niet gefusilleerd werden. Fiebahn en Rühl wilden die belofte houden. Lages niet toen bleek wie we waren.)
10/2 Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ‘s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat v. Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans weer alles ontkend.
(In Scheveningen heb ik aan Hugo gevraagd of dit waar was. Hij ontkende dit heftig. Later bleek het echter volkomen waar te zijn.)
11-2: Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en van Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wallie te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kernvergaderingen op die hij op een lijstje had.
(Hugo!!)
12-2: Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wallie werd 2x achter elkaar uit zijn cel gehaald. De 2e keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wenschen op voor toezicht op zijn kinderen enz. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zooveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij geeneens wilde vragen omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Halfvier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam zei hij dat hij ‘s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreeselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barsche bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.
(Later gehoord dat hij in Haarlem is gefusilleerd o.a. met W. Speelman en Nieuwenhuis)

cac1av45.jpg

Jaap Buijs en echtgenote

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.