Van Hall-beeld komt dichterbij

•juni 14, 2009 • Laat een reactie achter

14-6-2009

Het gaat met horten en stoten, maar het monument voor de Zaanse verzetsheld Walraven van Hall komt steeds dichterbij. Eerst lag het Amsterdamse stadsbestuur om planologische redenen dwars, maar die hobbel werd genomen. En vervolgens kwamen diverse financiële instellingen hun toezeggingen voor een bijdrage niet na, een gevolg van de crisis. Alleen De Nederlandsche Bank -die nog wat goed te maken had voor haar bijdrage in de verkoop van joodse oorlogseffecten- kwam met €25.000,- over de brug. Maar nu heeft het Amsterdamse Fonds voor de Kunsten €90.000,- toegezegd en doneert ook de NS -die eveneens een besmet oorlogsverleden heeft- €25.000,-. Daarmee is ongeveer de helft van het benodigde geld bijeen gebracht om het bronzen gedenkteken op het Amsterdamse Frederiksplein te plaatsen. Met een beetje mazzel staat het beeld in februari 2010 -Van Halls 104de verjaardag, op z’n plaats. Het zal tijd worden dat deze spin in het web van de Nederlandse illegaliteit ook op deze manier geëerd wordt.   

De bruiloft van Walraven van Hall en Tilly den Tex (Amsterdam, 1932) De bruiloft van Walraven van Hall en Tilly den Tex (Amsterdam, 1932)

Maker Zaans oorlogsverslag eindelijk bekend

•januari 16, 2009 • Laat een reactie achter

De Duitse bezetter was nauwelijks verslagen of een van de honderden Zaanse verzetsmensen zette zich aan het schrijven van zijn (of was het haar?) oorlogsmemoires.  De auteur was goed ingevoerd in de illegaliteit. Hij/zij tikte niet minder dan negentig A-viertjes vol met herinneringen aan het regionale verzet en gaf daarbij blijk over veel informatie te beschikken uit de hogere echelons van de illegaliteit. Waar dat wenselijk werd geacht, gebruikte hij/zij overigens veelal de schuilnamen van verzetsstrijders. De maker van het manuscript -het voor zover mij bekend langste Zaanse verslag uit en over de Zaanse ondergrondse- noteerde later met een pen de echte namen van de betreffende personen in de kantlijn.

Na de oorlog belandde het op overwegend dunne vellen papieren getypte document bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (het huidige NIOD). Daar is het te vinden als Doc. II - inventarisnummer 345. Maar ook bij het NIOD bleef onbekend wie de schrijver was van het gedetailleerde, heldere verslag over het Zaanse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In Dagblad Zaanstreek van 5 mei 2006 wijdde redacteur Rob Swart een uitgebreid artikel aan het oorlogsmanuscript. “Wie de negentig pagina’s heeft gemaakt en wanneer, dat is niet bekend”, schreef Swart. ”Maar het was iemand die heel dicht bij de leiding van het Zaans verzet opereerde of daar misschien deel van uitmaakte.” Rob Swart citeerde uitgebreid uit het levendig geschreven document en haalde daarbij regelmatig ene ‘Schagen’ aan. In de kantlijn van de tekst staat gekrabbeld dat dit het oorlogspseudoniem was van ‘AW Sabel’. Deze Sabel was betrokken bij tal van verzetsactiviteiten. Hij bleek direct en indirect betrokken bij executies van verraders, het loskrijgen van gevangen genomen verzetsmensen en gijzelaars, overvallen op bevolkingsadministraties en het verbergen van gestrande geallieerde vliegeniers. Hij onderhield contact met Zaandammer Walraven van Hall (’Van Tuyl’) -de spin in het web van het nationale verzet- en met in de Zaanstreek wonende, landelijk opererende illegalen als Jaap Buijs (’Ruys’) en Remmert Aten (’de Lange’). Maar Sabel sprak indien nodig ook met de uiterst foute NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay. Zou deze Zaandammer de auteur van het NIOD-manuscript kunnen zijn?

August Willem Sabel was directeur van de gelijknamige verffabriek aan de Westzijde, op de plek waar tegenwoordig muziekschool FluXus zit. Over Sabel (17-10-1899/24-8-1980) verscheen in 1984 een 36 pagina’s tellende brochure, geschreven door een geschiedenisleraar van het Zaanlands Lyceum,  J.J. ‘t Hoen (1931-1988). “Tijdens de zomer van 1975 heb ik uitgebreide gesprekken gevoerd met de heer A.W. Sabel, die, op grond van zijn aandeel in het verzet gedurende de Duitse bezetting, na de oorlog een zilveren erepenning der gemeente Zaandam heeft ontvangen. Op basis van de daarbij verkregen inlichtingen schreef ik een verslag, dat daarna door hem is nagelezen en van kanttekeningen voorzien”, schreef ‘t Hoen in zijn voorwoord.

Welicht doordat ‘t Hoen zijn aantekeningen lang liet liggen alvorens ze uit te werken, wemelt zijn in september 1984 verschenen brochure De Zaanstreek gedurende de bezettingstijd (1940-1945) – Herinneringen van een ereburger der gemeente Zaandam van de fouten. Namen zijn verkeerd geschreven, data kloppen niet en veel beschreven gebeurtenissen vonden niet of anders plaats. Maar interessant is wel de door ‘t Hoen beschreven banden tussen de Zaandamse politie en het Zaanse verzet, alsmede de gedetailleerde beschrijving van een razzia rondom de Zaandamse Burcht, begin februari 1945. Sabel heeft als direct betrokkene bij zowel die politiecontacten als bij de afhandeling van de Duitse razzia J.J. ‘t Hoen voorzien van een aantal details die ook zijn te vinden in het NIOD-manuscript. Het lijkt er daardoor inderdaad sterk op dat August Sabel de producent was van de negentig velletjes oorlogsverslag.

In augustus 2008 nam Jeanne van Ammers contact met me op.  Ze was op zoek naar de naam van de Ortskommandant die het gedurende de oorlog in Zaandam voor het zeggen had. Ik wist die naam niet, maar wees haar onder meer op het geschrift van de onbekende Zaanse verzetsman. Die had namelijk wat woorden gewijd aan de Ortskommandantur. Het toeval wil, zo bleek een paar weken later, dat de vader van mevrouw Van Ammers bevriend was met August Sabel en tijdens de oorlog gebruikmaakte van diens illegale diensten. Mevrouw Van Ammers legde de tekst van ‘t Hoen naast het NIOD-document en kwam tot de voorzichtige conclusie dat August Sabel inderdaad wel eens de auteur kon zijn geweest. Om helemaal zeker te zijn ging ze langs bij een nicht van Sabel, Carolien. Die had nog een giro-overschrijving in huis met daarop het handschrift van haar oom. De conclusie is onontkoombaar: August Willem Sabel is de maker van NIOD-doc. II – inventarisnummer 345. Het bewijs vindt u hieronder. 

handschrift-august-willem-sabel

 Foto Jeanne van Ammers

Website over joodse Zaankanters in de maak

•december 12, 2008 • Laat een reactie achter

Anderhalf jaar geleden verscheen onder auspiciën van het Bureau Discriminatiezaken Zaanstreek/Waterland het boek ‘Ik heb een heel tijdje niets van me laten horen.’ Joden in de Zaanstreek (1940-1945). In deze 334 pagina’s tellende publicatie van Pim Ligtvoet staan enkele honderden namen, foto’s en levensbeschrijvingen van joodse Zaankanters die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in de Zaanstreek woonden, alsmede een flink aantal namen van joodse onderduikers in de Zaanstreek.
Het boek voorzag en voorziet in een behoefte. Maar eigenlijk is het nu al gedateerd. Er zitten wat foutjes in en -belangrijker- sinds de publicatie doken er tientallen namen en vaak bijzondere feiten op van en over joodse onderduikers. Pim en ondergetekende hebben daarom het initiatief genomen om ‘Ik heb een heel tijdje…’ om te bouwen tot een website. Inmiddels zijn de benodigde fondsen verworven en wordt er hard gewerkt om alle nieuwe gegevens te verwerken tot leesbare teksten. Het ligt in de bedoeling dat elk joods huishouden dat begin jaren ‘40 in de Zaanstreek woonde een eigen lemma krijgt. Ook alle onderduikers -voor zover bekend, maar het zijn er nu al honderden- krijgen een eigen lemma. Op dit moment vinden er interviews plaats met ooggetuigen uit de oorlogstijd. We hebben een grote collectie unieke foto’s verzameld. En een vormgever en een ICT-bedrijf zijn aan het werk om alle vondsten op een mooie manier te digitaliseren.
Als alles meezit, wordt dit Zaans-joodse monument zichtbaar in mei 2009. Nog even geduld dus. Maar mocht u in de tussentijd -of daarna- gegevens hebben die voor ons van belang kunnen zijn, aarzel dan niet. Ik ben te bereiken via telefoonnummer 075-6313819/6125696 of via havenstraat75@hotmail.com.

Erik Schaap

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

Monument Van Hall uitgesteld

•december 12, 2008 • Laat een reactie achter

Uit Het Parool van 8 december 2008:

Onthulling jaar uitgesteld
Nog geen beeld voor Walraven van Hall

AMSTERDAM – De onthulling van het monument in Amsterdam voor verzetsheld Walraven van Hall is een jaar uitgesteld. Het lukt de organisatie niet de benodigde fondsen bijeen te krijgen. Bovendien is met de vervaardiging van het beeld meer tijd gemoeid dan was verwacht.
Diverse grote financiële instellingen hadden al hun steun toegezegd voor het monument ter ere van Walraven van Hall, de jongere broer van de latere Amsterdamse burgemeester Gijs van Hall.
Alleen De Nederlandsche Bank is tot dusver met 25.000 euro over de brug gekomen. “Dat geld is gebruikt voor de voorfinanciering en de schetsontwerpen die vier kunstenaars voor het monument hebben ingediend”, zegt Hans Weijers van de stichting Monument voor Walraven van Hall. Deze stichting ijvert al drie jaar voor een standbeeld ter nagedachtenis aan de ‘Bankier van het verzet’.
Weijers heeft er een hard hoofd in of de andere financiële toezeggingen zullen worden nagekomen, gezien de problemen waarmee banken momenteel als gevolg van de kredietcrisis kampen.
Walraven van Hall had tijdens de Tweede Wereldoorlog de leiding over het Nationaal Steun Fonds, dat de financiering van het verzet regelde. In 1944 wist hij samen met zijn broer Gijs met behulp van vervalste waardepapieren vijftig miljoen gulden uit de kluizen van De Nederlandsche Bank te verduisteren. Het geld ging naar het verzet. Begin 1945 werd Walraven van Hall door de Duitsers opgepakt en gefusilleerd.
De Spaanse kunstenaar Fernando Sánchez Castillo ontwierp dit jaar een beeld van een in brons gegoten gevelde boom, die symbool moet staan voor Walraven van Hall, die er om bekend stond dat hij mensen bij elkaar gebracht. Het was de bedoeling dat het monument volgend jaar op 10 februari, de geboortedag van Van Hall, of op 12 februari, zijn sterfdag, zou worden onthuld, maar de stichting blijkt de werkzaamheden te hebben onderschat. Weijers: “De boom moet in stukken van twee bij twee meter in brons worden gegoten en daarna aan elkaar worden gelast. Er zit veel meer werk aan dan we hadden gedacht.”
Over de locatie van het monument is inmiddels overeenstemming bereikt met het stadsdeel Centrum en omwonenden. Tijdens een hoorzitting in oktober werden alle partijen het eens dat het monument moet komen te staan in een plantsoen op het Frederiksplein, tegenover De Nederlandsche Bank. Het plein zal de komende jaren ingrijpend worden heringericht.
Walraven van Hall heeft in Nederland nooit de erkenning gekregen die hem toekomt.
Na de oorlog werd hij postuum geëerd met het Verzetskruis, de Amerikaanse Medal of Freedom with Gold Palm en de Israëlische Yad Vashemonderscheiding. Maar hij belandde al snel in de vergetelheid. Het Nederlandse bankwezen wenste bovendien lange tijd niet worden herinnerd aan de megazwendel van de broers Van Hall, nog steeds de grootste bankfraude ooit in Nederland.
De plannen voor een monument ontstonden drie jaar gelden toen de KRO een documentaire over de ‘Bankier van het verzet’ uitzond. De Stichting Monument Walraven van Hall wist in korte tijd een erecomité samen te stellen met tal van klinkende namen, onder wie oud-premier Wim Wok, de huidige informateur Herman Wijffels, oud-minister Onno Ruding en voormalig Philips-topman Jan Timmer.
Filmacteur Rutger Hauer wil een Engelstalige speelfilm over Walraven van Hall maken, die Changing fortunes moet gaan heten. De opnamen staan gepland voor 2010.

Het bericht dat Walraven van Hall en enkele anderen geëxecuteerd zijn, 13 februari 1945

Het bericht dat Walraven van Hall en zeven andere personen geëxecuteerd zijn, 13 februari 1945

Onzinverhaal over Walraven van Hall

•oktober 9, 2008 • Laat een reactie achter

9-10-2008

Al jarenlang is Rutger Hauer bezig om geld bij elkaar te krijgen voor het maken zijn eerste speelfilm, over de Zaandamse bankier Walraven van Hall. Voor wie het niet weet: Van Hall groeide in de Tweede Wereldoorlog uit tot de centrale man van de Nederlandse illegaliteit, een rol die hij uiteindelijk met zijn leven moest bekopen. Hauer wil van zijn film (titel: Changing fortunes) een internationale, Engelstalige productie maken. Het is een mooi streven om Van Hall de eer te geven die hem toekomt.

Sinds kort is er een website over de filmplannen: www.changingfortunes-themovie.com. Maar wie daar een blik werpt op de filmsynopsis en de karakterbeschrijvingen schrikt zich een ongeluk. Dit wordt geen film over Walraven van Hall, maar een onzinverhaal waarin Wally het middelpunt is. De hoofdrolspeler behoudt weliswaar zijn eigen naam, maar blijkt op het celluloid in zijn ‘early forties’ te zijn. Terwijl de echte Van Hall toch op 39-jarige leeftijd werd gefusilleerd. Van Halls film-echtgenote en film-broer blijken niet alleen een andere leeftijd en andere naam te hebben gekregen, maar ook andere karaktertrekken dan de oorspronkelijke personen. Broer Gijs van Hall heet plotseling Floris; ongetwijfeld een verwijzing naar de ridderrol die Rutger Hauer vroeger speelde. Walraven blijkt opeens een jeugdvriend te hebben, een bakker, die hem het verzet binnensleept, waarna ze samen via een ‘bread delivery network’ geld gaan distribueren naar ’starving families’. Het slaat allemaal werkelijk nergens op. En dat is nog maar het begin van de film. Ik houd dan ook mijn hart vast voor deze Hollywood-parodie en heb dat inmiddels ook laten weten aan het creative team dat deze rolprent bij elkaar fantaseert.

By the way: wordt het niet eens hoog tijd voor een monument voor Van Hall in Zaandam? 

Walraven van Hall als scholier

De aanslag op het Zaandamse Arbeidsbureau

•juli 30, 2008 • Laat een reactie achter

De waarschijnlijk meest spectaculaire verzetsactie in de Zaanstreek betreft de aanslag op het Gewestelijk Arbeidsbureau in Zaandam. In de nacht van 20 op 21 mei 1943 verdween de administratie van het bureau in de vlammen. Onlangs, 65 jaar na dato, dook er een nieuwe foto op van de immense brand die het gevolg was van deze sabotage.

De foto, door een onbekende fotograaf kort na de aanslag gemaakt, is door Ronald Bouwknegt uit Castricum gevonden op een rommelmarkt. Zichtbaar is hoe er van de voormalige Bakkersschool aan de Zaandamse Oostzijde weinig meer resteert dan de buitenmuren. Het binnenwerk is totaal uitgebrand.

Vanaf 1942 probeert de nationaal-socialistische bezetter in toenemende mate om Nederlandse mannen in te zetten aan het Duitse arbeidsfront. Waar dat eerst vrijblijvend gaat, wordt deze inzet vanaf begin 1943 verplicht voor mannen van 18-35 jaar. Voor de Zaanse illegaliteit is dat reden om een poging te doen de administratie van het Gewestelijk Arbeidsbureau in Zaandam te vernietigen. Het initiatief komt van de voormalige Arbeidsbureau-medewerker Frans van Os (wat overigens wordt bestreden door de Wormerveerse verzetsman Jaap Boot, die claimt Van Os te hebben gevraagd voor de klus). Van Os bespreekt zijn idee met Douwe Soepboer, de hoofdbewaker van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen. Die voelt wel voor het plan. Het tweetal haalt Gerrit Huig erbij, van de gelijknamige drukkerij. Zijn woning staat vlakbij het Arbeidsbureau en is daarom een ideale plaats om de benodigde springstoffen te verbergen. Soepboer verzamelt vervolgens bij zijn werkgever 75 kilo lichtsas (een makkelijk ontvlambare stof die zorgt voor grote hitte), kruit en een lont.

Van Os, in het bezit van een valse sleutel, en Soepboer dringen rond middernacht het Arbeidsbureau binnen. Eerder die dag hebben ze, behalve de sleutel, informatie over onder meer de bewaking in ontvangst genomen van Arbeidsbureau-medewerker P. van Strijen. De ambtenaar maakt het hen nog makkelijker door alle kasten in het gebouw open te laten. In de uren na hun inbraak gooien Van Os en Soepboer zoveel mogelijk documenten op een stapel, leggen de lont er onder en verspreiden de lichtsas door het gebouw. Huig en zijn  echtgenote staan in de tussentijd op wacht, gewapend met een pistool. Voor alle zekerheid zijn de avond voor de aanslag diverse ondergronds werkende Zaankanters gewaarschuwd om een nachtje elders te gaan slapen, een voorzorgsmaatregel die moet voorkomen dat de Sicherheitsdienst onmiddellijk na de aanslag mensen van hun bed kan lichten. Huig en Soepboer zijn uren bezig met hun ondermijnende werk, af en toe onderbroken door een niesbui van de aan hooikoorts leidende Van Os. Ter afsluiting schakelen ze de brandmelder uit, draaien een gaskraan open en steken een lont aan. Om 3.00 verlaten ze ongezien het gebouw. Frans van Os gaat naar het echtpaar Huig, Soepboer naar een verzetskennis in de Eendrachtstraat. Vijf minuten na hun vertrek slaan de eerste vlammen uit het Arbeidsbureau.

Brandweercomandant J. Koelewijn woont op een steenworp afstand van het Arbeidsbureau, aan de Halstraat. Hij ziet de vlammenzee, maar wacht met uitrukken tot hem een officieel alarm bereikt. Mede door de trage bluswerkzaamheden van de Zaandamse brandweer duurt het een volle dag voor de vlammen gedoofd zijn. Sloop van het Arbeidsbureau is daarna de enige optie. Brandexperts slagen er in om de argwanende Sicherheitsdienst er van te overtuigen dat er sprake is geweest van een gasexplosie. Sancties tegen de Zaanse bevolking blijven daardoor uit. De aanslag maakt het de bezetter in de navolgende jaren een stuk moeilijker om Zaanse mannen op te roepen voor de Arbeitseinsatz.

In de nasleep van deze actie gaat er overigens nog wel iets mis. Gerrit Huig in het boek Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945: “Door een samenloop van omstandigheden geraakten wij door een van de mededaders in gevaar. Op aanraden van de heer Soepboer (…) heb ik mij in verbinding gesteld met Walraven [van Hall, E.S.]. Het was een zeer delicate zaak en ik achtte hem uitermate geschikt om alles in het reine te brengen, wat hij met medewerking van de heer Buijs ook prompt gedaan heeft.” Onduidelijk is overigens welk gevaar verzetsleider Walraven van Hall en diens kameraad Jaap Buijs neutraliseren. Wellicht heeft het te maken met het via een ‘goede politieman’ ontvangen bericht dat de Duitsers het vermoeden hebben dat Soepboer en enkele andere medewerkers van de Artillerie-Inrichtingen betrokken zijn bij de aanslag op het Arbeidsbureau. Er volgt een razzia, maar de gewaarschuwde verzetsmensen zijn dan al gevlogen.

Het verwoeste interieur van het Arbeidsbureau

  

Een bekende foto van het Arbeidsbureau, kort na de aanslag

Elly Premsela: opgepakt in de Botenmakersstraat

•juli 29, 2008 • Laat een reactie achter

In de begin 2008 verschenen biografie over de bekende vormgever, binnenhuisarchitect, kunstenaar en homo-emancipator Benno Premsela (1920-1997) komt de dood van diens zus in Auschwitz slechts summier ter sprake. Elly Premsela werd eind 1943 opgepakt in haar schuilplaats aan de Zaandamse Botenmakersstraat, met noodlottige gevolgen. Wie was deze verplegende kunstenares? 

 

Elly Premsela komt op 29 oktober 1914 ter wereld in Assendelft. Ze is de dochter van Rosalie de Boers en de joodse huisarts Benedictus Premsela. Haar vader krijgt later bekendheid als de seksuoloog die in de jaren dertig voor de VARA-radio een taboedoorbrekende serie lezingen houdt over seksualiteit. Benedictus Premsela opent verder in 1931 het eerste Nederlandse consultatiebureau voor geboortebeperking en seksuele problemen. Benno, geboren nadat de familie Premsela in 1918 Assendelft verlaat, karakteriseert later het gezin waarin hij, zijn broer Robert (’Boet’) en Elly opgroeien als ‘progressief, socialistisch’ en ‘taboeloos’.

Net als Benno volgt Elly na het middelbaar onderwijs de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam. Deze op de Bauhaus-beweging geïnspireerde onderwijsinstelling herbergt veel uit nazi-Duitsland gevluchte kunstenaars. Elly ontwikkelt zich er tot een talentvol beeldhouwster en tekenares. Daarnaast volgt zij een opleiding tot verpleegster.

In mei 1940 wonen alle drie de kinderen Premsela nog bij hun ouders in Amsterdam. Hun vader mag vanaf 1941 alleen nog joodse patiënten verplegen. Omdat in zijn praktijk vooral niet-joden worden behandeld, is hij van de ene dag op de andere zo goed als werkloos. Benno specialiseert zich rond die tijd noodgedwongen in het maken van tassen, Elly wordt schoonheidsspecialiste. Ook zij -kunstenaars- mogen hun eigenlijke professie niet langer uitoefenen.

De Premsela’s zijn desondanks ‘bevoorrecht’ ten opzichte van veel andere joden. Omdat Benedictus Premsela wordt gezien als een vooraanstaande jood, kan hij met zijn gezin een plek krijgen op de zogenaamde Barneveld-lijst. Deze lijst biedt een zekere vorm van bescherming tegen de reis naar de vernietigingskampen. Principieel als de Premsela’s zijn, weigeren ze deze vorm van ’samenwerking’ met de bezetter. Het gezin duikt in plaats daarvan onder, op verschillende plaatsen. Elly trouwt overigens in deze moeilijke periode nog wel met de eveneens joodse journalist Max Wessel (4-8-1916) uit Amsterdam.

Ondanks hun schuilplaats worden vader en moeder Premsela in april 1943 gearresteerd. Ze belanden in Theresienstadt en vervolgens Auschwitz, waar ze in respectievelijk september en oktober 1944 worden vermoord. Elly komt -naar alle waarschijnlijkheid samen met Max- terecht in de regio die ze een kwart eeuw eerder met haar ouders verliet, de Zaanstreek. Ze kan onderdak krijgen op de Zaandamse Botenmakersstraat 82. Op dat adres wonen Marcus Plooijer en zijn echtgenote Johanna Dooves met hun dochter Guurtje (’Uut’). De progressief denkende Elly moet zich hebben thuisgevoeld bij het sociaal-democratische gezin Plooijer, bij wie ze de achterkamer op de bovenverdieping mag gebruiken. 

 Verraad

In de Zaandamse Havenbuurt woont eind 1943 Fransje de Munck-Siffels. Ze is getrouwd met een communistische man die tijdens de Spaanse burgeroorlog heeft gevochten tegen de fascistische troepen van generaal Franco. Hij krijgt financiële steun van het CPN-solidariteitsfonds en onderhoudt contacten met gelijkgestemden. Een ruzie met haar man over al dan niet vermeende ontrouw is voor Fransje de Munck reden om op hoge poten naar de Amsterdamse Sicherheitsdienst te stappen. Uit wraak geeft ze daar de namen door van een aantal Zaankanters die volgens haar communistische sympathieën hebben. Het is koren op de molen van de nazi’s. In de nacht van 22 op 23 november 1943 rijdt de SD met de nieuw verworven informatiebron door Zaandam en laat haar de adressen aanwijzen waar linkse activisten zouden wonen. Een arrestatiegolf is het gevolg. Diverse verzetsmensen verdwijnen in de cel. Uit het oorlogsdagboek van de Zaanse verzetsman Mijndert van der Horst: “Wie worden er verder gearresteerd? G. Bakker, P.J. van Breemen, R. van Briemen, A. Huisman, J. Stolp, J. Willemszoon, H. de Vries, C. Zwart, M. Plooier en mevr. J. Plooier-Dooves. Een ondergedoken Joods meisje, Premsela, wordt ook meegenomen.”

Elly Premsela -want zij is het genoemde ‘meisje’ van inmiddels 29 jaar oud- vlucht, waarschijnlijk samen met echtgenoot Max, via de achtertuin van Botenmakersstraat 82 voor de razzia. Ze rent door een aantal buurttuinen, gaat richting de Vaart en slaat dan rechtsaf, naar de weilanden die dan nog achter de enkele honderden meters verder gelegen Westzijderkerk liggen. Dan realiseert ze zich dat ze haar tas met papieren op haar schuiladres heeft laten liggen. Ze keert terug en wordt alsnog opgepakt, samen met haar onderdakgevers. Die komen na enkele weken vrij. Voor Elly Premsela en Max Wessel wacht echter het transport naar de gevangenis en vervolgens kamp Westerbork. Ze arriveren daar op 9 december 1943 als ’strafgevallen’.

Omdat er in het kamp een epidemie van besmettelijke ziekten als kinderverlamming, difterie, roodvonk en geelzucht heerst, gaan er rond deze tijd geen transporten naar de vernietigingskampen in het oosten. Ieder contact met de buitenwereld is voor even taboe. In januari 1944 komt het wegvoeren van de joodse gevangenen echter weer op gang. Elly en Max krijgen een plek op de transportlijst van 25 januari, maar worden daar op het laatste moment vanaf gehaald. Het uitstel duurt slechts kort. Op 8 februari 1944 volgt er een nieuw transport. De gevangen zittende joodse verslaggever Philip Mechanicus meldt daarover in zijn illegale dagboek: “”Misschien wel het beestachtigste transport van alle transporten, die er zijn gegaan. Men raakt door de veelheid, de grofheid, de beestachtigheid het zicht erop kwijt, maar dit transport spande toch wel de kroon wat gebrek aan consideratie voor de zieken. Nog voor het transport vertrokken was, was er reeds een zieke overleden.”

De kans bestaat dat Elly aan dit als ziekendeportatie beoogde transport wordt toegevoegd vanwege haar verpleegsterservaring. Wellicht moet ze de 268 zieken in de veewagens (overigens aangevuld met 747 mensen die niet in de ziekenboeg verblijven) bijstaan. Max probeert nog aan transport te ontkomen door een kniekwaal te simuleren. Zijn pogingen zijn echter tevergeefs; ook hij krijgt een plek in de trein. Drie dagen duurt de reis naar Polen, in beestachtige weersomstandigheden. Onmiddellijk na aankomst in Auschwitz, op 11 februari 1944, worden Elly Premsela en Max Wessel de gaskamer ingeleid.   

Elly Premsela in museaal en literair gezelschap op het balkon van Arthur van Schendels woning in het Italiaanse Sestri Levante, 1937. V.l.n.r. Kennie van Schendel, Ant ter Braak, Ary Bob de Vries, Elly Premsela, Menno ter Braak, Carmen Zolessi, Arthur van Schendel, Aty Greshoff en Annie van Schendel

242B004

Tekening ‘Stadsgezicht vanuit zolderraam’ (1936), gemaakt door Elly Premsela. Collectie Joods Historisch Museum

398B5902 431N00000700

Studie van een portretkop (door Elly Premsela gemaakt tussen 1932 en 1942) en Elly werkend aan een buste (1939). Collectie Joods Historisch Museum

Eisendrath en Juchenheim

•juli 21, 2008 • Laat een reactie achter

In verband met een beoogde publicatie over de familie Eisendrath (voor de lotgevallen van deze joodse familie uit Zaandam: zie elders op dit weblog) en de aan hen gerelateerde familie Juchenheim ben ik op zoek naar informatie. Hoe weinig ook; alle details, foto’s, verhalen en andere bronnen zijn welkom. Ik ben bereikbaar via havenstraat75@hotmail.com of telefoonnummer 075-6313819. Bij voorbaat dank!

Erik Schaap

Emma Juchenheim, Rudolf, Selma en Lidy Eisendrath op stap in Amsterdam, begin jaren ‘30

(Fotocollectie B. Zwart)

Biografie over Walraven van Hall niet uitverkocht

•juli 21, 2008 • Laat een reactie achter

Diverse wederverkopers melden dat het boek Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) uitverkocht is. Weliswaar zijn er inmiddels bijna tweeduizend exemplaren over de toonbank gegaan, maar er zijn nog wat biografieën over. Indien u ‘nee’ verkocht hebt gekregen via de boekhandel dan is het voldoende om €19,50 per exemplaar over te maken op giro 357143 van het Bureau Discriminatiezaken in Zaandam (o.v.v. ‘Van Hall’). Uw bestelling wordt dan, zonder verdere portokosten, zo snel mogelijk verzonden. Wel svp even het adres vermelden waar het boek heen moet!

Oorlog voorspeld

•mei 25, 2008 • Laat een reactie achter

Tijdens werkzaamheden in zijn woning aan de Burgemeester Ter Laanstraat 17 stuitte Zaandammer Robin Leek in de gang op een oude plafondplaat. Aan de onderkant stond met potlood een tekst geschreven, een goed gebruik onder timmerlieden wanneer ze een nieuwe woning bouwden. Het huis dateert uit 1938 en dat correspondeert met het jaartal dat timmerman G. Roos noteerde.  

De gang waar de beschreven plafondplaat werd ontdekt

Timmerman Gerrit Roos (geboren op 31-1-1901 en zelf wonend in de Zaandamse Herderstraat 3) bleek een voorspellende boodschap op het hout te hebben gezet toen hij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog (die op 1 september 1939 begon met de inval van Duitsland in Polen) noteerde dat Adolf Hitler uit was op de wereldmacht. De volledige tekst luidt als volgt:

“15 september 1938

De wereldtoestand is gespannen. Hitler grijpt met ze grijpklauwen naar de wereldmacht. Ten koste van Engeland en Frankrijk. Hoe is dat geval afgeloopen. Hij heeft eerst Oostenrijk ingepikt en nu aast hij op Tesscha Slawai

G. Roos

timmerman”

‘Tesscha Slawai’ is ongetwijfeld Tsjechoslowakije. Nadat Duitse troepen in het najaar van 1938 Sudetenland bezetten, volgden op 15 maart 1939 Bohemen en Moravië en op 23 maart het Memelgebied. Daarmee was Roos’ voorspelling zo ongeveer helemaal uitgekomen.  

Het bewuste plafonddeel. Foto’s Robin Leek

Twee oorlogspublicaties

•mei 17, 2008 • Laat een reactie achter

Enkele maanden na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 telde de Zaanstreek al meerdere verzetshaarden. Relatief veel Zaankanters namen stelling tegen de nieuwe orde. Massaal, zoals tijdens de Februaristaking. En in kleiner verband, door groepjes gelijkgezinden die op uiteenlopende manieren de nazistische machthebbers poogden te dwarsbomen. De meest invloedrijke vrijheidsstrijder werd Walraven van Hall. Hij groeide in korte tijd uit tot de spil van de Nederlandse illegaliteit. Maar ook andere Zaankanters bleken tijdens de bezettingsjaren van landelijk of zelfs internationaal belang. In het in mei 2008 verschenen boek Vrijgevochten schets ik aan de hand van zes portretten de onmisbare Zaanse inbreng binnen de nationale tegenbeweging. De fabrieksarbeider Piet Bosboom, dominee Jan Eikema, de Engelandvaarders Dré Ausems en George Jambroes en de houthandelaars Jaap Buijs en Remmert Aten; allen streden ze op hun eigen wijze tegen de bezetter. Na de Tweede Wereldoorlog zakten ze weg in de geschiedenis. Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945) is bedoeld om hen uit de vergetelheid te halen en aan de hand van hun verhalen de reikwijdte van het Zaanse verzet te tonen.

Vrijgevochten (248 pagina’s, €19.50) is verkrijgbaar in de boekhandel.

In 2006 publiceerde ik al de levensbeschrijving Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945). De reacties op dit boek waren zeer positief, met als gevolg dat er inmiddels ruim tweeduizend exemplaren van zijn verkocht. Via het Bureau Discriminatiezaken zijn nog enkele exemplaren verkrijgbaar. Walraven van Hall (176 pagina’s, met unieke foto’s) is verkrijgbaar door overmaking van €19.50 (=inclusief verzendkosten) naar giro 357143 van het Bureau Discriminatiezaken in Zaandam. Vermeld svp wel even het adres waar het boek heen moet.

De start van het Verzetsplantsoen

•mei 5, 2008 • Laat een reactie achter

Op 4 mei 2008 was het om 20.00 uur als vanouds druk bij het Verzetsplantsoen aan de Zaandamse Savornin Lohmanstraat. Onder een blauwe hemel verzamelden zich een paar honderd mensen voor ‘Dikke Bertha’, zoals het door Theo van Reijn ontworpen standbeeld dat daar staat in de volksmond heet. Weinigen zullen zich hebben gerealiseerd dat het precies zestig jaar geleden was dat het monument werd onthuld. Ter herinnering daaraan citeer ik het een  en ander uit de brochure De Zaandamse Gemeenschap in de jaren 1945 1946 1947. Houd daarbij in gedachte dat veel van de daarin genoemden oud-verzetsstrijders zijn. Ik vermoed dat er niet een meer van in leven is, helaas.

“Op 6 October 1945 werd een commissie gevormd om in Zaandam te komen tot oprichting van een monument ter nagedachtenis van de Zaandamse gevallen illegale strijders. In deze commissie namen zitting de heren D.H. van Onselder, J. Westerbroek, C. Buijs, A.H. Groot, W. Hartsuijker, B. Hulsing, M. v.d. Schaaf, W. Wolbers en C. Kraaij. In de week van 4 tot en met 9 Februari 1946 werd ter verkrijging van het benodigde geld voor dit monument een huis aan huis collecte gehouden. Tevens werd een circulaire huis aan huis bezorgd. Hierin werd de bevolking verzocht bij aanbieding van de intekenlijst zo ruim mogelijk de collecte te gedenken. Het op deze circulaire voorkomende comité van aanbeveling was als volgt samengesteld: Mr J. in ‘t Veld, A. Admiraal, Jb. Buijs, E.P. Clijnk, F.C.A. Gebhard, C. Geugjes, mevr. J.M.J. Glazenburg-Decker, W. Hart, J.H. v.d. Stadt, mr P.H. Wuyster, E. Heere, M.J. Hille, G.C. Huig, dr E.A. Immink, dr A. Kummer, G. Maas, Pastoor J.H.M.S. v.d Mark, ds A. Noorman, A.W. Sabel, T.A. van Zoest.

Op de lijsten werd ingezameld: fl. 11.878.04; aan giften, niet op de lijsten verantwoord, ontvangen fl. 900,- en de stortingen op de giro-rekening bedroegen fl. 1984.50. Tevens werd van Comité Veringstraat ontvangen fl. 1000,-. In totaal dus een bedrag van fl. 15.762.54. Dit beantwoordde niet ten volle aan de verwachtingen van de commissie, hoewel hierbij niet uit het oog mag worden verloren dat voor een inzameling als deze geen grote reclamecampagne kon en mocht worden op touw gezet. Tevens werd de inzameling na de geldsanering gehouden. De gemiddelde opbrengst per woning bedroeg ongeveer fl. 1.50. De giften varieerden van fl. 0.10 tot fl. 400,-. Aan den beeldhouwer Theo van Reijn werd de opdracht verleend tot het ontwerpen van een groot monument, dat zal worden geplaatst op de voormalige begraafplaats aan de Sav. Lohmanstraat. De totaalprijs voor dit monument bedraagt fl. 16000,-. Aan de voorontwerpen werden reeds onkosten gemaakt, zodat de monumentencommissie wegen diende te zoeken om het in kas zijnde bedrag aan te vullen tpot fl. 16000,-. Zij is hiermede doende en hoopt een gunstig resultaat te bereiken. Volgens mededeling van den heer Van Reijn zal het centrale monument nu definitief op 5 Mei 1948 kunnen worden onthuld [dat werd dus 4 mei, E.S.]. Het beeldhouwwerk stelt een jeugdige zittende vrouwenfiguur voor, in brons gegoten, voorstellende: ‘Bezinning’. De figuur is gedacht uit haar overpeizing ontwakend over het leed dat aan vele inwoners van Zaandam is berokkend. De hand die aanvankelijk het hoofd ondersteunde, is thans in vererende houding opgeheven. Met een blijde glimlach, het hoofd gericht naar de bloemen, herdenkt zij allen, die vielen en houdt zij ons voor: ‘Laat hen niet vergeefs gestorven zijn’.”

 

Dries Riphagens dubbelrol in Zaandam

•mei 2, 2008 • Laat een reactie achter

Een van de grootste Nederlandse oorlogsmisddadigers is ook een van de onbekendste. De Amsterdammer Bernardus Andreas (’Dries’) Riphagen (7-9-1909) ontwikkelde zich tot een door antisemitisme en geldhonger gedreven souteneur, die schuldig was aan de dood van minstens tweehonderd mensen. Een van zijn slachtoffers was de Zaandammer Jan van Lienen. 

De jonge Dries Riphagen is al in de jaren dertig lid van de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP), een buitengewoon antisemistische partij die Nederland wil omvormen tot een Duitse provincie. Hij combineert zijn nazi-ideaal met zijn werk als pooier, gokker en zwarthandelaar. Zijn rol in de onderwereld groeit in de vooroorlogse jaren in rap tempo en is op een gegeven moment zo groot dat Riphagen bekendheid krijgt als ‘Al Capone’. De bezetting van Nederland komt voor hem als geroepen. Door als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst te gaan werken, weet hij zijn inkomen verder te vergroten. Hij drukt geld, sieraden en andere kostbaarheden achterover bij invallen in joodse huizen. De oorspronkelijke eigenaars worden vervolgens door hem en zijn kameraden overgedragen aan de nazi’s. Met tal van onderwereldfiguren exploiteert hij verder clandestiene gokhuizen en houdt hij er een zwarte handel in deviezen, diamanten en goud op na.

Het gaat Riphagen voor de wind. Het judenrein maken van Nederland en zijn criminele aktiviteiten leveren hem een dik belegde boterham op. Door zijn contacten met hooggeplaatste nazi’s houdt hij zichzelf, bevriende zwarthandelaren en andere misdadigers uit de wind. Dat blijkt bijvoorbeeld begin 1944. Het Devisenschutzkommando (DSK) maakt jacht op zwarthandelaren, maar vist regelmatig achter het net. Wanneer er in januari 1944 een anonieme brief op het DSK-kantoor arriveert waarin de dagelijkse routine in het clandestiene Amsterdamse gokparadijs Rijswijk wordt beschreven, aangevuld met een namenlijst van de dertig belangrijkste zwarthandelaren in dat café, schakelt de DSK Riphagen in. Hij krijgt opdracht vast te stellen wat het beste tijdstip is voor een razzia. Opnieuw bewijst Al Capone een dubbele agenda te hanteren. Hij prikt als ideale datum voor de inval maandag 14 februari en haalt even voor de razzia plaatsvindt vier criminele maatjes weg uit Rijswijk: Gerrit Verbeek, diens medewerker Folkert van den Berg, ‘Manke Toon’ Kuijper en Harry Rond.

Verbeek heeft dubbel geluk. De Zaandammer Jan van Lienen, zijn grootste concurrent als bookmaker, wordt wel gearresteerd. Verbeek en Van Lienen kennen elkaar al vele jaren, zijn zelfs bevriend geweest. Maar toen Van Lienen eind jaren dertig in navolging van Verbeek bookmaker werd bij de Belgische paardenraces kwam het eind van de kameraadschap snel in zicht.

Na zijn aanhouding wordt Van Lienen naar het DSK-kantoor aan de Keizersgracht gebracht. De aan Riphagen schatplichtige Toon Kuijper en Harry Rond worden vervolgens bij hem in de cel geplaatst. Ze zijn zogenaamd eveneens gearresteerd, maar in werkelijkheid is het hun taak uit te vissen of er bij Van Lienen nog iets te halen valt. De bookmaker vertrouwt de twee en na hun vraag of ze iets voor hem kunnen doen, geeft Van Lienen het duo een briefje met instructies voor zijn vrouw Elisabeth. Maar zodra Kuijper en Rond uit hun cel ‘mogen’, spelen ze de boodschap door aan Riphagen.

Al Capone onderneemt meteen actie. Hij reist naar Zaandam, naar de bovenwoning van het echtpaar Van Lienen aan de Westzijde 77a (al dan niet toevallig ook het huis waar de nazigezinde politiecommissaris Willem Ragut woont, tot aan het moment dat hij -op 21 juni 1944- op enkele tientallen meters van zijn huis door de verzetsstrijders Hannie Schaft en Jan Bonekamp wordt doodgeschoten). Na de oorlog zal Bets van Lienen in een proces-verbaal verklaren dat haar man de veertiende februari om 11.30 uur ‘voor zaken’ de woning heeft verlaten, maar daar niet terugkeert. Dezelfde dag belt Dries Riphagen bij haar aan. Het is inmiddels 20.00 uur. Hij presenteert zich als een vriend van Jan van Lienen. Bets: “Hij zeide: ‘Ik ben André en kan ik u even spreken, want uw man is gearresteerd’. Hij gaf mij een briefje waarop met potlood geschreven stond: ‘Bets, ik ben gearresteerd. Doe alles de deur uit. Revolver ligt in dressoir bij het lichtje, doe radiotoestellen de deur uit; alles de deur uit. Laat Koos [een compagnon, E.S.] helpen’.”

Bets pakt het in de brief genoemde wapen uit het kastje en overhandigt het aan Riphagen. “Hij zeide: ‘Die gooi ik aanstonds in de Zaan’. Ik vertrouwde deze André volkomen in verband met het briefje. ‘En nu de radiotoestellen’, zeide hij. Wij braken de grond bij mij open en haalden daar de twee radiotoestellen uit.” Dat is het teken voor twee Duitsers in uniform om de woning binnen te stappen. ”Zij dreigden ons met een revolver, en André fouilleerde Koos.” De inval is daarmee nog niet ten einde. Het huis wordt doorzocht, de brandkast geleegd en Bets van Lienen moet ook nog de plek aanwijzen waar haar echtgenoot zijn spaargeld heeft verborgen. “Het was in de straat naast ons huis verstopt. Zover ik mij herinner was dit een bedrag van ongeveer vijfduizend gulden.”

Bets en Koos worden vervolgens afgevoerd naar het DSK-bureau in de hoofdstad. Zij wordt elf weken opgesloten in achtereenvolgens de gevangenis aan de Amstelveenseweg en het strafkamp in Vught, hij wordt drie maanden vastgezet in de Amersfoortse gevangenis. “Ik heb geen nadelige gevolgen van die gevangenschap ondervonden. Maar wel zijn van mij zeven gouden tientjes, een vijftig-dollarbiljet en een radiotoestel in beslag genomen, en wel door Riphagen”, vertelt Koos na de bevrijding. 

Voor Bets en Jan van Lienen is het leed groter. Bets merkt na haar vrijlating dat haar huis is geplunderd en vervolgens gevorderd door een NSB’er. Erger nog is dat haar man niet terugkomt uit gevangenschap. Jan van Lienen wordt in september 1944 gedeporteerd naar Duitsland en belandt via verschillende concentratiekampen in het Poolse Gross-Rosen. Daar bezwijkt hij aan longontsteking en uitputting.

Pas eind jaren tachtig maakt de Nederlandse Justitie serieus jacht op Riphagen. Die is echter al in 1946 uitgeweken naar respectievelijk Spanje en Argentinië, waar hij nauwe banden weet aan te knopen met dictator Juan Perón. Vanuit Argentinië reist Riphagen vrolijk de wereld rond. In 1973 overlijdt hij in Zwitserland, in een kliniek te Montreux, ongestraft en onontdekt. De zoektocht van Justitie is minimaal vijftien jaar te laat begonnen. 

Dries ‘Al Capone’ Riphagen (illustratie HP/De TIjd)

De nodeloze dood van Piet Zwart

•mei 1, 2008 • Laat een reactie achter

De onder-districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten klinkt geladen, die 11de mei 1945. Temidden van een grote schare zwijgende mensen op de begraafplaats van Wormerveer houdt hij een bewogen, schuldbewuste afscheidsrede. “Gij staat hier aangetreden met weemoed in het hart en, naar ik hoop, ook met schaamte. Met weemoed, omdat wij staan aan het graf van één onzer besten. Met schaamte, omdat hij niet gevallen is door een Duitse kogel, erger nog, door een kogel van onszelf. Wij zijn weemoedig dat een der voornaamste illegale werkers van de Zaanstreek deze dagen van glorie niet heeft mogen beleven en de vruchten van zijn werk niet heeft mogen plukken.”

De man voor wie deze woorden bedoeld zijn, heet Pieter Jacob Zwart. De commandant memoreert dat deze Wormerveerse garagehouder jarenlang een belangrijke rol speelde binnen het Zaanse verzet, ‘dag en nacht, met inzet van heel zijn markante persoonlijkheid en zijn grote energie’. En toch zijn het zijn eigen kameraden van de Binnenlandse Strijdkrachten die besluiten om hem, een maand voor de Duitse capitulatie, om het leven te brengen. Wat is er gebeurd?

Piet Zwart is al in een vroeg stadium van de oorlog actief binnen het Zaanse verzet. Hij regelt onder meer buitenboordmotoren voor mensen die per -meestal niet of nauwelijks zeewaardige- boot naar Engeland willen vluchten, steunt de hulp aan onderduikers, het Nationaal Steunfonds en de ondergrondse pers.  Hij leent tevens wagens uit aan knokpoegen. Maar garagehouder Zwart heeft ook contacten met de nazi’s. Al in de zomer van 1940 huurt het Duitse leger autobussen bij Zwart om voor het oorlogsgeweld gevluchte Franse burgers terug te brengen naar hun woonplaatsen. Om een oogje te houden op de bussen en er voor te zorgen dat ze heelhuids retour gaan, reist Zwart mee naar Frankrijk. Niet iedereen in het latere verzet heeft daar waardering voor, net zomin als voor zijn keuze om door te werken als garagehouder, ook al betekent het dat hij soms de Weermacht van dienst moet zijn. Maar liever dat, zo redeneert hij, dan zijn personeel ontslaan bij gebrek aan opdrachten. 

Zwart -illegale naam Piet Zwikkers- wordt steeds actiever binnen de illegaliteit en belandt in de Ordedienst, de organisatie die in september 1944 opgaat in de Binnenlandse Strijdkrachten. Maar in deze laatste, door naijver gekleurde organisatie gaat al snel een anonieme brief rond waarin de schrijver de invloed van ondernemers binnen de BS aan de orde stelt. Een andere tekst, waarin de vermeende collaboratie van garage Zwart wordt beschreven, bereikt zelfs de kolommen van het illegale communistische blad De Waarheid.

Op 2 april 1945 loopt de Wormerveerse BS-commandant Jaap Boot naar het huis van Piet Zwart om hem te waarschuwen voor de geruchtenstroom. “Piet, het dreigt fout te gaan. Straks krijgt een of andere idioot het in zijn kop een van de OD-figuren neer te schieten. In de handen van sommigen is een wapen levensgevaarlijk. Bij de mannen van de OD moet veel veranderen, zo niet dan vrees ik het ergste.” Piets echtgenote reageert benauwd en zegt: “Piet, hou er mee op. Ik ben zo bang dat er iets gebeuren gaat.”

Die angst is terecht. Verzetsman Gerard Müller blijkt opdracht te hebben gekregen om Zwart te liquideren. Müller is echter overtuigd van Zwarts onschuld. Hij kent hem goed, helpt vaak in Zwarts Zaandamse garage. Piet Zwart redt hem daar zelfs een keer het leven, als er koolmonoxide ontsnapt terwijl Müller onder een auto ligt te sleutelen. Hij is al bewusteloos op het moment dat Piet Zwart hem, net op tijd, onder de wagen vandaan trekt. Sindsdien voelt Gerard Müller zich schatplichtig aan de garagedirecteur. Maar hoe Müller ook pleit voor het leven van zijn vriend, binnen de BS blijft het besluit gehandhaafd om deze ‘verrader’ om te brengen.

Groepscommandant H. Buntsma wijst na Müllers weigering een ander aan om het fatale schot te lossen: Johan Bak. Buntsma heeft het liquidatebevel weer gekregen van de 42-jarige KP-sectiecommandant Henk Mannessen, die het op zijn beurt ontving van compagniecommandant P.J. Visser. Op 5 april, een maand voor de bevrijding van Nederland, wordt de opdracht uitgevoerd. Johan Bak, terzijde gestaan door vier andere verzetsmensen, schiet Piet Zwart ter hoogte van De Waakzaamheid in Koog aan de Zaan van zijn fiets. Zwart sterft ter plaatse.

Al snel blijkt de vergissing. Andere leden van de Binnenlandse Strijdkrachten arresteren de daders en brengen hen onder in een illegale gevangenis. Hen wordt gefingeerde overtredingen ten laste gelegd, zoals boterdiefstal. Dat maakt het mogelijk om hen onder toezicht te houden van de politie. Er wordt een rechtbank samengesteld, waarna er in de Oostzijderkerk een proces van start gaat. Tot een uitspraak komt het echter niet, als gevolg van de bevrijding.

Op 26 september 1945 dient de zaak alsnog, dit keer voor de krijgsraad in Alkmaar. De Krommenieër schoolmeester Henk Mannessen doet daar uit de doeken hoe het bevel tot stand is gekomen om Zwart uit de weg te ruimen: “Er was een overval op een gevangenentransport mislukt. Ik was bij mijn commandant Visser en vroeg: ’Wie kan dat gedaan hebben?’ Waarop Visser zei: ‘Zwart natuurlijk.’ Ik vroeg: ‘Wat moet je met zo’n vent aan?’ En toen antwoordde Visser: ‘Schiet hem neer, je hebt mijn zegen.’ Dit heb ik als een bevel opgevat. Twee dagen later was ik bij Visser en vertelde hem dat de eerste aanslag was mislukt, maar dat de tweede spoedig beproefd zou worden. Opnieuw zei Visser: ‘Je hebt mijn zegen’.”

Volgens Visser ligt het iets genuanceerder. Hij zou voorafgaand aan de eerste liquidatiepoging slechts in het algemeen gezegd hebben: ‘Je moest zulke kerels neer kunnen schieten.’ Pas toen Mannessen hem vertelde over de mislukking zou hij gereageerd hebben met de woorden: ‘Ga je gang, je hebt mijn zegen.’

Uit de getuigenverhoren blijkt dat het nogal eens botste tussen de verschillende BS-commandanten. Piet Zwart fungeerde daarbij soms als buffer. De rechtbankpresident beschouwt voormalig commandant van de Landelijke Knokploegen Dik Bus overigens als de aanstichter van de achterklap die Zwart fataal werd. Maar Bus is slechts als getuige opgeroepen en kan daardoor niet veroordeeld worden. Uit het blad De Nieuwe Dag van 27 september 1945: “De naam Bus kronkelt als een sissende slang door alle stukken. Bus heeft gekletst als een oud wijf en als er tenslotte mensen veroordeeld worden is het zijn schuld. Rivaliteit en eigen roem waren zijn drijfveer. Hij heeft Mannessen tegen Zwart opgestookt.”

Er is nog een (naoorlogse) getuige met vuile handen: rechercheur De Wit van de Politieke Opsporingsdienst. Die blijkt een rapport te hebben opgesteld waarin Zwart wordt afgeschilderd als collaborateur, verrader en profiteur. Hij blijkt de weinig adequate informatie over Piet Zwart te hebben vastgelegd op basis van roddels onder het personeel van garage Zwart.

Hoofddader Bus wordt niet veroordeeld door de rechtbank in Alkmaar, net zo min als schutter Johan Bak (die slechts in opdracht handelde). Mannessen en Visser ontspringen de dans niet. Beiden worden schuldig verklaard en verdwijnen in de gevangenis. “Het is een zwarte bladzijde in onze Zaanse illegaliteit”, zal de Zaandamse verzetsleider Jaap Buijs na de oorlog noteren in het herdenkingsboek De Zaanstreek in droeve en blijde tijden. “Voor de familie, vooral zijn vrouw, is dit velies verschrikkelijk. De enige verontschuldiging is dat in de spanning dier dagen gemakkelijker werd besloten iemand terecht te stellen dan in rustiger tijden.”  

                                          Piet Zwart

Exil-poëzie van Johanna Petersen

•maart 16, 2008 • Laat een reactie achter

De Duitse familie Petersen verliet in 1934 hun vaderland en belandde in Zaandam. Moeder Johanna (’Henny’) Petersen-Stock (14-4-1888) had als joodse niets meer te zoeken in nazi-Duitsland en ook -de niet-joodse- vader Jacob Willy Heinrich (1-2-1895) ging daar als sociaal-democraat en Esperantist een weinig rooskleurige toekomst tegemoet. Het gezin (vader, moeder, twee dochters) kwam heelhuis door de oorlog, al had Henny Petersen wel te lijden onder de jodenvervolging. Op 16 mei 1939, een jaar voor de Duitse inval in Nederland, schreef ze onderstaand gedicht. Het is hier overgenomen met toestemming van haar dochter Barbara:

WIR SIND BESTIMMT ZU WANDERN

Das Leben wurde einfach

Und darum ist es schön.

Zwar welkten viele Worte:

Was heisst: “Nach Hause gehn”?

         Wir lernten fremde Sprache.

         Wir lernten arm zu sein.

         Und wenn die Kinder satt sind,

         Schlafen wir dankbar ein.

Doch deine starken Hände

Helfen uns so gut.

Sie sind wie Holz und Eisen,

Das Obdach um uns tut.

            Sie biegen unablässig

           Am Gitter unsrer Not.

           Sie bringen was wir brauchen

           Und brechen unser Brot.

Wir sind bestimmt zu wandern,

Am Wege zu vergehn,

Und fern am Wüstenrande,

Den Tempel noch zu sehn.

           Und werden wir verwehen,

           Wie Löwenzahn im Wind,

           Am Firmament steht: “Ewig”,

           Wo wir zusammen sind.

Und sterben wir im Wandern,

Geschlecht, das Gott nicht glich.

Wir bleiben wie ein Sternbild,

Die Kinder, du und ich.

Henny en Hein Petersen met hun dochters Barry en Conny voor hun woning aan de Zaandamse Jan Steenstraat 3 (jaren dertig)

Monument voor Walraven van Hall (2)

•maart 16, 2008 • Laat een reactie achter

De Spaanse kunstenaar Fernando Sanchez Castillo (1970) gaat het monument maken voor de in 1945 geëxecuteerde Zaandamse verzetsman Walraven van Hall. Zijn monument, dat naast het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank in Amsterdam komt, stelt een gevelde boom voor. Volgens Hans Wijers (stichting Monument voor Walraven van Hall) ‘is de boom weliswaar omgevallen, maar functioneert ze nog steeds als ontmoetingsplek’. Van Hall was een bindend element binnen het Zaanse en nationale verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en kan worden beschouwd als de centrale man van de illegaliteit.

Het is de bedoeling dat het monument in februari 2009 wordt onthuld. Castillo volgde een opleiding aan de Amsterdamse Rijksacademie en werkt zowel in Spanje als in Nederland.   

Het laatste restje ethiek van Anton van der Waals

•februari 2, 2008 • Laat een reactie achter

Verrader zwijgt over in Zaandam ondergedoken joods meisje

De Zaandamse wiskundeleraar en verzetsman George Louis Jambroes vlucht in het najaar van 1941 naar Engeland, waar hij in maart 1942 aankomt. De Nederlandse regering in ballingschap besluit hem in te zetten als geheim agent. Jambroes moet leiding gaan geven aan de opbouw van een ondergronds leger in zijn vaderland. Maar wanneer hij in de nacht van 26 op 27  juni per parachute wordt gedropt in de buurt van Steenwijk wacht hem daar een onaangename verrassing. De Sicherheitsdient blijkt als gevolg van het zogenaamde Englandspiel op de hoogte van zijn komst en arresteert hem onmiddellijk na zijn landing. Het is het begin van een kat- en muisspel, waarvan onder andere een onschuldig joods meisje bijna het slachtoffer wordt.

Na diens gevangenname onderzoekt de Sicherheitsdienst Jambroes’ kleding. Ze vinden een briefje met daarop drie adressen waar de agent zich kan melden na zijn terugkeer in Nederland. De Zaandamse apotheek van Henny Eskens-Krabbé staat er ook tussen. SD-voorman Joseph Schreieder redeneert dat de (illegale) Ordedienst wellicht via een van de genoemde adressen contact zal zoeken met de gedropte agent en besluit om Anton van der Waals, de man die Jambroes kort daarvoor zo verraderlijk verwelkomde op Nederlands grondgebied, naar Zaandam te sturen. Schreieder wil dat deze voor de Duitsers werkende verrader uitvindt of de illegale Ordedienst bemoeienis heeft met een van de vrouwen die in Jambroes’ ‘operational order’ genoemd worden als OD-contactpersonen. Onbewust helpt de gevangenzittende leraar zijn cipiers een handje. Hij mist zijn echtgenote enorm en vraagt Schreieder of haar een brief kan worden bezorgd. De Kriminaldirektor gaat gretig in op het verzoek. “Na de arrestatie bemerkte ik dat deze Jambroes een zeer bekende persoonlijkheid was te Zaandam. (…) Hierdoor ontstond het gevaar dat juist door deze bekendheid het uit zou lekken dat hij gevangen was. Ik heb Jambroes toen een tweetal brieven laten schrijven, beide gericht aan adressen te Zaandam. Van één weet ik nog dat hij gebracht moest worden bij een apotheker. De andere kan ik mij niet meer herinneren. Door mijn V-Mann Van der Waals heb ik deze brieven laten bezorgen, met de boodschap dat Jambroes goed was aangekomen, doch zelf niet kon komen”, schrijft Schreieder later in zijn memoires. Het geeft hem een unieke kans om zonder veel risico’s informatie te verzamelen. “Toen nu Jambroes mij vroeg of hij via die apotheek aan zijn vrouw mocht schrijven, stemde ik daarin dadelijk toe, omdat ik daardoor de mogelijkheid had om te controleren of er nog van andere zijde geprobeerd werd contact met hem te krijgen.”
Van der Waals reist met de brieven op zak naar Zaandam. Vanaf het station wandelt hij in een kwartiertje naar de woning van Guusje Jambroes, Apolloplantsoen 11. Ze is niet thuis. De Vertrauensmann steekt daarop de straat over en belt aan bij Schubertstraat 2, vijftig meter verderop. Henny Eskens-Krabbé doet de deur open. “Ik kom van een oude vriend die al anderhalf jaar weg is”, zegt Van der Waals. Het is een codetekst. De apothekeres realiseert zich onmiddellijk over wie hij het heeft. De slanke man tegenover haar maakt een nette indruk. Ze nodigt hem uit om binnen te komen, een invitatie waaraan hij graag gehoor geeft. Er blijkt nog iemand in huis te zijn, een jonge vrouw, maar Henny Eskens stelt de bezoeker op zijn gemak. De vrouw in de huiskamer is George Jambroes’ zuster Elizabeth, die toevallig op visite is. Van der Waals maakt zich bekend als ingenieur De Wilde en overhandigt het door Jambroes geschreven briefje dat ‘brenger dezes’ betrouwbaar is. Hij legt uit dat Jambroes en hij zijn gedropt met een boodschap van de regering in ballingschap. De ‘ingenieur’ vertelt over zijn opdracht -het opbouwen van een landelijk opererende, ondergrondse organisatie- en een op handen zijnde invasie, de komst van nog meer geheim agenten en zijn zoektocht naar opvangadressen voor deze parachutisten.

Onderduikster

Het valt Van der Waals op dat een van de twee kleine meisjes in huis Henny Eskens-Krabbé aanspreekt met ‘tante’. Dat is zeker een joods kindje, vraagt hij. Haar pleegmoeder antwoordt bevestigend. “Ze had de kleine onderduikster zelfs voor haar beste vrienden verborgen gehouden, maar tegenover deze prettige ‘agent’ uit Engeland was ze plotseling openhartiger dan anders. ‘Ik beschik over goede verbindingen’, improviseerde Van der Waals. ‘Meld het mij gerust als er nog meer joden in uw kennissenkring zijn, dan kan ik hen ook helpen. Nee, nee, dat kost niets. Deze mensen zijn al zo zielig, wij doen dat graag’”, verwoordt Jelte Rep de ontmoeting in zijn boek Englandspiel

Het bewuste joodse meisje is de 8-jarige Hanna Jacobson. Eerder die maand is ze ondergebracht bij de Zaandamse apothekeres, die haar en haar ouders kort daarvoor heeft ontmoet op een verjaardagsfeestje in Amsterdam. Daar was het gezin ingekwartierd bij Maarten Krabbé (de vader van de latere acteur Jeroen Krabbé), nadat het eerder hun woonplaats Blaricum had moeten verlaten. Hanna’s moeder duikt elders onder, haar vader meldt zich vrijwillig voor Westerbork. Voor Hanna’s komst naar de Zaandamse Schubertstraat geeft Eskens-Krabbé als verklaring tegenover nieuwsgierige buitenstaanders dat het meisje uit het twee jaar eerder gebombardeerde Rotterdam komt. Haar vader is zogenaamd zeeman, haar moeder ziek en hulpbehoevend. Dit alibi geeft Hanna de mogelijkheid om relatief rustig de oorlog uit te zitten. Ze krijgt thuis les van Chris Coté, een in het Zaanse verzet actieve onderwijzer uit de buurt, en kan zelfs gewoon op straat spelen. 

Ter afsluiting van het bezoek stelt Anton van der Waals zijn gastvrouw voor om aan Jambroes’ echtgenote te vragen een koffer met warme kleding klaar te zetten in een kluis op het Amsterdamse Centraal Station. Daartoe is ze uiteraard bereid. Ze geeft hem het adres van Guusje, die met haar moeder en zoon Erik in hotel De Wageningse Berg logeert, en vraagt wat bedenktijd voor zijn verzoek om parachutisten onder te brengen. De twee spreken af elkaar korte tijd later te ontmoeten in het Amsterdamse Café Americain. Joseph Schreieder is tevreden over het werk van zijn ondergeschikte. Hij geeft Van der Waals opdracht om naar Wageningen te gaan en contact te leggen met Guusje Jambroes. Die ontmoeting verloopt al net zo soepel als met Henny Krabbé. Ingenieur De Wilde weet ook haar vertrouwen te winnen. Hij herhaalt zijn fantasie over de gezamenlijke dropping en de komende geallieerde invasie. Guusje ontvangt ƒ500,- en de door haar man geschreven brief. Helaas kan hij haar om veiligheidsredenen niet vertellen wanneer George en hij in Nederland zijn geland en waar haar echtgenoot zich momenteel bevindt, excuseert De Wilde zich. Hij stelt voor dat Guusje een brief schrijft aan haar man en geeft haar daartoe een adres. Na ook bij haar te hebben geluncht vertrekt de man met de dubbele agenda, Guusje Jambroes blij achterlatend met het eerste levensteken van haar man in driekwart jaar tijd. In Zaandam informeert Henny Krabbé verzetsman Chris Coté over haar ontmoeting met de aardige ingenieur De Wilde en vraagt hem of hij geen joodse onderduikers kent die het onveilige Nederland willen verlaten. Coté is argwanend en adviseert haar om niet verder in zee te gaan met de hem onbekende man. Hij besluit mee te gaan naar de afspraak in Americain en van een afstandje de genereuze Londense agent te bestuderen terwijl die in gesprek is met Henny.

Provocateur

Op het chique caféterras legt Krabbé aan De Wilde uit te hebben nagedacht over de mogelijkheid om haar huis open te stellen voor parachutisten, maar er van af te zien. De ingenieur vindt het jammer, maar reageert begripvol. Hij zegt dat George Jambroes het ook zal begrijpen. Verstopt achter een krant beziet Coté het tafereel. De zelfbenoemde ingenieur en de apothekeres nemen voor de tweede en laatste keer afscheid. Henny stapt op de tram naar het Centraal Station, waarop even later ook Coté plaatsneemt. Zij heeft nog steeds het volste vertrouwen in de charmante De Wilde, maar Coté’s argwaan is alleen maar gegroeid. Die wordt nog eens gevoed door de ontdekking dat de met kleren gevulde koffer die Guusje Jambroes volgens afspraak achterlaat op het Amsterdamse treinstation niet wordt opgehaald.

Pas twee jaar later krijgen Guusje en Henny zekerheid. In Paraat, het illegale blad van oud-Zaandammer Jan Rot, zien ze tot hun afgrijzen dat De Wilde annex Van der Waals een ‘levensgevaarlijke provocateur’ is. De bijgevoegde foto van de verrader neemt de laatste twijfels weg. Opluchting is er ook, met name bij Krabbé. Ondanks Van der Waals’ kennis over het joodse onderduikstertje in de apothekerswoning hebben de Duitsers nooit getracht om het meisje weg te halen. Blijkbaar heeft de V-Mann al die tijd zijn mond gehouden.

De vader van Hanna Jacobson overleeft het concentratiekamp niet. Haar moeder wordt verraden op haar onderduikadres en belandt uiteindelijk in Auschwitz, maar wordt daar aan het eind van de oorlog bevrijd. Ze wordt herenigd met haar dochter. De oorlogservaringen hebben echter een dusdanige impact op moeder en kind, dat Hanna na een jaar terugkeert naar Henny Eskens-Krabbé. Daar brengt ze haar verdere jeugdjaren door. 

Anton van der Waals  wordt na de oorlog voor de rechter gebracht en vanwege zijn grootschalige verraderswerk -hij is wel de grootste Nederlandse verrader tijdens de Tweede Wereldoorlog genoemd- ter dood veroordeeld. Volgens de rechtbank is hij betrokken bij de arrestatie van minstens 83 verzetsmensen, van wie er minimaal 34 de oorlog niet overleven. Hij sterft op 26 januari 1950 voor het vuurpeloton.

 Anton van der Waals

Klein oorlogsleed

•januari 27, 2008 • Laat een reactie achter

Aannemer Kakes beboet wegens vernieling 

De Zaandamse aannemer Reinder Kakes heeft het niet zo op de nationaal-socialisten. Geen wonder dat de Zaandamse NSB-groepsleider L. van Westervoort op 19 december 1941 een brief opstelt met de tekst:

“Kameraad,

Bij informatie is komen vast te staan, dat de heer R. Kakes, Westzijde 262b, te Zaandam, fel anti-N.S.B. is. Zijn uitlatingen en houding moeten dit bevestigen.

Hou Zee!

De Groepsleider.”

Aanleiding voor de notitie is wellicht een akkefietje dat twee maanden eerder speelt. In het najaar van 1941 gooien de eveneens op de Westzijde wonende broers Reijling de winkelruiten in van kapper J. de Boer (Westzijde 236) en sigarenhandelaar Th. van Doorn (Westzijde 211d). Beide middenstanders staan bekend als NSB’ers. Anderhalve week later ontvangt Kakes een brief van NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay. De reden daarvoor, zo laat de burgemeester aan Kakes weten, is ‘uw bekende politieke gezindheid’, waardoor ‘aan te nemen is dat gij handelingen als die waardoor de schade is aangericht bevordert of goedkeurt’. Als straf dient de aannemer voor 1 december 180,25 gulden te betalen aan de Zaandamse gemeente-ontvanger. “Bij nalatigheid zal worden overgegaan tot gerechtelijke tenuitvoerlegging, waarbij lijfsdwang kan worden toegepast”, eindigt de burgemeester zijn brief. Kakes neemt geen risico en betaalt. Een met Kakes sympathiserende wethouder, voorheen zelf aannemer, regelt echter dat de vermeende ruitentikker na korte tijd zijn geld terugkrijgt. Reinder Kakes komt ongeschonden de oorlog door en weet zich in latere oorlogsjaren onder meer verdienstelijk te maken door in de Zaanstreek schuilplaatsen te bouwen voor  onderduikers.

Walraven van Hall, premier van het verzet

•januari 26, 2008 • Laat een reactie achter

Historici als Loe de Jong en Geert Mak bestempelden Walraven van Hall als de centrale man van de illegaliteit gedurende de Tweede Wereldoorlog. Desondanks zakte deze Zaandamse ’bankier van het verzet’ langzaam weg in de vergetelheid. Op 10 februari 2006, zijn honderdste geboortedag, verscheen er een biografie over Zaandammer ‘Wally’ van Hall.

Walraven van Hall komt op 10 februari 1906 ter wereld in een welgesteld, liberaal Amsterdams particiërsgezin. Onder zijn voorvaderen bevinden zich tal van Kamerleden, gemeentebestuurders en bankdirecteuren. Wally, zoals zijn roepnaam luidt, kiest echter een andere route en besluit om zeeman te worden. Hij bezoekt de Zeevaartschool op Terschelling en monstert vervolgens aan bij de Koninklijke Hollandsche Lloyd. Vier jaar lang reist hij als koopvaardij-officier tussen met name Europa en Zuid-Amerika. In 1929 worden zijn ogen niet meer goed genoeg bevonden voor de grote vaart. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader en wordt bankier. Hij werkt anderhalf jaar in New York en grijpt dan de kans om bankdirecteur te worden in Zutphen. In 1932 trouwt hij met Tilly den Tex, ook al een telg uit een roemrijk bankiersgeslacht, met wie hij drie kinderen krijgt.
In maart 1940 treedt Van Hall in dienst bij de Zaandamse bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon, gevestigd aan de Westzijde 47. Hij betrekt diezelfde maand een vlakbij gelegen herenhuis, aan de Westzijde 42 (op de plek waar nu het Holland Handelshuis staat). Als commissionair in effecten reist hij dagelijks naar de Amsterdamse effectenbeurs. Naast zijn werk wordt Van Hall vrijwilliger bij de plaatselijke Luchtbeschermingsdienst, in 1939 opgericht ter voorbereiding op de dreigende oorlog.

Nederlandse Unie

Als reactie op de Duitse bezetting van Nederland ontstaat de Nederlandse Unie. Deze nieuwe volksbeweging wil het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Ruim anderhalf jaar schippert de Unie tussen toegeven aan de steeds verdergaande eisen van de bezetter en het volgen van een eigen koers. Desondanks groeit de organisatie uit tot de grootste politieke partij ooit, met 600.000-900.000 leden. De meeste mensen sluiten zich aan uit weerzin tegen de nationaal-socialistische partijen NSB, NSNAP en Nationaal Front. Van Hall wordt in november voorzitter van de nieuwe afdeling Zaandam, zijn stadgenoot Jaap Buijs secretaris/penningmeester. In mei 1941 opent de Nederlandse Unie een winkel aan de de Gedempte Gracht 10. Voorin zijn kranten, speldjes en ander propagandamateriaal verkrijgbaar, in een achterzaaltje vindt kadervorming plaats. “Het thans bereikte aantal van duizend leden voor Zaandam is nog veel te gering”, spreekt Van Hall tijdens de opening de achterban toe.
Buijs en Van Hall missen zelfs het kleinste stukje affiniteit met de bezetter en haar aanhang. Ze roepen het Unie-bestuur op om stelling te nemen tegen de NSB en Buijs laat het partijsecretariaat weten ‘liever geen loten voor de Winterhulp te willen verkopen’. “Van de verkoop mag niets worden verwacht”, geeft hij als reden op. In dat beeld past ook de vaderlandslievende actie van een Zaandamse Uniehuis-medewerker. Uit een Unie-verslag: “In Zaandam liep de conciërge van de winkel een proces-verbaal op, omdat hij van de op het trottoir voor de winkel geklodderde leuze ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen het eerste gedeelte had weggeschrobd.” Van Hall zal de selectieve schoonmaakactie ongetwijfeld met een glimlach hebben waargenomen.
In december 1941 hebben de Duitsers genoeg van de wispelturige Nederlande Unie. De organisatie wordt verboden. Relatief veel Unie-leden belanden vervolgens in de illegaliteit. Zo ook Van Hall. Begin 1941 is hij al gestart met het inzamelen van geld voor slachtoffers van de Februaristaking en datzelfde jaar raakt hij betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor de gezinnen van koopvaardij- en marinepersoneel dat vanuit Groot-Brittannië bijdraagt aan de geallieerde oorlogsvoering. Samen met zijn broer Gijs -de latere burgemeester van Amsterdam- slaagt Walraven er in om tonnen aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Wanneer anderen, die er misschien direct meer voor in aanmerking komen, het niet aandurven om te steunen, dan moeten zij dat zelf weten, maar ik denk er niet aan om mijn makkers, waarmee ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, zegt de oud-zeeman tegen een vriend.

Nationaal Steunfonds

In de loop van 1942 wordt duidelijk dat steeds grotere aantallen nazi-slachtoffers hulp nodig hebben. De beide Van Halls richten daartoe samen met oud-Philipsmedewerker Iman J. van den Bosch het Landrottenfonds op. Walraven stelt voor om uit oogpunt van veiligheid -hoe meer leners, hoe groter de kans op verraad- leningen lager dan 25.000 gulden niet langer te accepteren. Die opzet lukt wonderwel, door aan te kloppen bij banken en vermogende Nederlanders. De organisatie groeit in 1943 uit tot een landelijk netwerk. De steun wordt uitgebreid naar gezinnen van gijzelaars en gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van Arbeidsinzet-onderduikers en (via een speciale Vakgroep J, met in het bestuur onder andere Zaandammer Remmert Aten) 8000 à 9000 joden. Een door Van Hall uitgedacht, ingenieus administratiesysteem voorkomt misbruik van de verzamelde gelden.
Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstaat na verloop van tijd het Nationaal Steunfonds. Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider is, financiert gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gaan er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw, Het Parool en De Typhoon. De bloeiperiode van het NSF breekt aan als de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 oproept tot de spoorwegstaking. Het fonds neemt de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een last van 5-6 miljoen gulden per maand. Walraven en Gijs van Hall zorgen dat er op grote schaal schatkistpromessen worden vervalst. Met deze waardepapiereen weten ze De Nederlandsche Bank onder leiding van nationaal-socialist M. Rost van Tonningen 51 miljoen gulden afhandig te maken. Het is tot vandaag de dag de grootste bankfraude ooit in Nederland.
In het laatste oorlogsjaar raakt Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, de Binnenlandse Strijdkrachten (dat eveneens door het NSF wordt betaald) en een landelijke campagne om Duitse dwangarbeid te voorkomen. Hij houdt zich verder onder meer bezig met de hulp aan geallieerde piloten, de leverantie van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens conflicten binnen de landelijke illegaliteit. Aan zijn rol als intermediair houdt hij de bijnaam ‘olieman’ over. Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken zal premier Schermerhorn na de oorlog Van Hall betitelen als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Een andere minister-president, Drees, gebruikt vergelijkbare woorden.
Hoewel het NSF uiteindelijk meer dan 100 miljoen gulden onder haar beheer heeft en relatief makkelijk aan voedsel en kleding kan komen, weigeren Van Hall en zijn directe medewerkers gebruik te maken van hun ‘privileges’. Walravens gezondheid gaat dan ook snel achteruit tijdens de hongerwinter van 1944-’45. Geert Mak beschrijft in zijn boek ‘Een kleine geschiedenis van Amsterdam’ de vermoedelijk laatste keer dat de dan 11 jaar oude Attie haar vader ziet. “Het moet op een koude avond in de laatste oorlogswinter zijn geweest, zij wist de datum niet meer precies, dat Walraven van Hall -beter bekend als Van Tuyl, soms als Barends of Oom Piet- opgebrand na maanden van keihard werken, onverwacht bij zijn vrouw en drie kinderen de keuken binnen kwam zeilen. Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”
Op 27 januari 1945 wordt Van Hall gearresteerd, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans belandt hij in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs, die twee weken eerder is opgepakt. Op 12 februari 1945, twee dagen na zijn 39ste verjaardag, sterft Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Enkele maanden na de bevrijding wordt zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen. De olieman krijgt dichtbij de vindplaats zijn laatste rustplaats, op de Erebegraafplaats in Bloemendaal.

cawdshgr.jpg

‘Wally’ van Hall op de Zeevaartschool van Terschelling (links voor).

 

Hannie Schaft geëerd met planetoïde

•januari 23, 2008 • Laat een reactie achter

Kleine planeet vernoemd naar verzetsvrouw

Planetöide nummer 85119 draagt voortaan de naam Hannieschaft. Het circa twee kilometer grote planeetje is op voordracht van Loes Timmerman en Carl Koppeschaar vernoemd naar de Haarlemse verzetsvrouw, die drie weken voor het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werd doodgeschoten. De vernoeming is op 22 januari 2008 door de Internationale Astronomische Unie (IAU) bekrachtigd.
Kleine planeten zijn rotsachtige objecten die voor het merendeel bewegen in banen om de zon, gelegen tussen de banen van de planeten Mars en Jupiter. Planetoïde (85119) Hannieschaft doet twee jaar en bijna acht maanden over een volledige omloop. De gemiddelde afstand van het kleine planeetje tot de zon bedraagt 286 miljoen km. Ter vergelijking: de afstand van de aarde tot de zon bedraagt 150 miljoen km. Planetoïde (85119) Hannieschaft werd in 1972 ontdekt door de Amerikaanse astronoom van Nederlandse afkomst Tom Gehrels.
Een bijzonderheid van de baan van (85119) Hannieschaft is dat het planeetje dichter bij de zon kan komen te staan dan Mars. Die situatie doet zich voor als Mars zich in zijn elliptische baan het verst van de zon bevindt en (85119) Hannieschaft in haar elliptische baan het dichtst bij de zon. Mars staat ook wel bekend als de ‘Rode Planeet’. Het is dus een zeer toepasselijke coïncidentie dat de planetoïde voor het ‘meisje met het rode haar’ tot de klasse van de zogenoemde Mars-kruisers, of ‘Mars-crossing Asteroids’ wordt gerekend.
Hoewel zo’n 15.000 van de thans (stand op 19 december 2007) 173.116 genummerde planetoïden tegenwoordig een naam dragen, gebeurt het niet zo vaak dat Nederlanders een dergelijk hemellichaam naar zich vernoemd krijgen. In totaal zijn nu bijna 300 van de 15.000 van een naam voorziene planetoïden vernoemd naar bekende Nederlanders, Nederlandse steden, sterrenwachten, romanfiguren en andere Nederlandse zaken. Tegelijkertijd met Hannie Schaft werd planetoïde (12151) naar Willem van Oranje . Hannie Schaft bevindt zich voortaan in een select gezelschap van Nederlandse wetenschappers, ontdekkingsreizigers, schrijvers en anderen wier namen reeds eerder op deze manier zijn vereeuwigd in het zonnestelsel.

Levensloop

Jannetje Johanna Schaft, roepnaam ‘Jo’ en beter bekend als Hannie Schaft, werd geboren in Haarlem als dochter van de leraar op de Rijkskweekschool Pieter Schaft en Aafje Talea Vrijer. Haar moeder was doopsgezind en haar vader voelde zich sterk verwant aan de SDAP. Ze volgde de HBS en ging in 1938 rechten studeren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Schaft raakte bevriend met haar joodse medestudentes Philine Polak en Sonja Frenk (zij zaten later beiden tijdens de oorlog bij Hannies ouders ondergedoken). Hierdoor voelde ze zich toen de Tweede Wereldoorlog begon persoonlijk geraakt door de discriminatie van de joden. Nadat ze als student had geweigerd de loyaliteitsverklaring te tekenen, trok ze weer bij haar ouders in. Ze nam steeds actiever deel aan het verzet en hielp onderduikers met gestolen bonkaarten en persoonsbewijzen. Haar schuilnaam werd Hannie en haar bijnaam ‘het meisje met het rode haar’. Uiteindelijk sloot ze zich aan bij de Raad van Verzet (RVV), een organisatie die door haar nauwe banden met de CPN door andere verzetsbewegingen sterk werd gewantrouwd. Samen met Truus en Freddy Oversteegen pleegde ze verschillende aanslagen op Duitsers, collaborateurs en landverraders. Ze was veelal actief in de Zaanstreek.

Op 8 juni 1944 pleegde ze te Heemstede samen met verzetsstrijder Jan Bonekamp een aanslag op de NSB’er en banketbakker Piet Faber. Hij overleed zes dagen later. Bekend is de succesvolle aanslag op de Zaandamse politiecommissaris Willem Ragut op 21 juni 1944, waarbij Jan Bonekamp dodelijk gewond raakte. Op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) mislukte een aanslag van Hannie Schaft en Jan Heusdens op politieagent Willemsen. Hannie Schaft en Truus Oversteegen waren van plan om Fake Krist op 25 oktober 1944 te liquideren, maar andere Haarlemse verzetsstrijders waren hen voor.

Hannie Schaft leerde vloeiend Duits spreken en papte aan met Duitse soldaten. Hierdoor werd ze door sommige verzetslieden beschouwd als een verrader. Nadat een subafdeling van de RVV in Velsen zonder toestemming van hogerhand een boer vermoordde, bracht ze met twee andere vrouwen een lijst met de daders naar haar leiders. Later werden de personen die hier op stonden verraden aan de Sicherheitsdienst, waardoor ze een gewisse dood tegemoet gingen. Zelf heeft ze waarschijnlijk niet geweten wat de gevolgen waren van haar actie. Na de oorlog is deze affaire door een speciale onderzoekscommissie grondig onderzocht.

Op 1 maart 1945 werd NSB-agent van politie Willem Zirkzee door Hannie Schaft en Truus Oversteegen doodgeschoten. Dit vond plaats ter hoogte van het Krelagehuis aan de Leidsevaart in Haarlem. Op 15 maart pleegden Hannie Schaft en Truus Oversteegen een succesvolle aanslag op Ko Langendijk. Deze succesvolle kapper uit IJmuiden was voor de Sicherheitsdienst gaan werken. Een eerdere aanslag op hem door Jan Bonekamp was mislukt.

Arrestatie en executie

Schaft werd door de Duitse bezetter gehaat, omdat ze aan het einde van de oorlog nog allerlei in hun ogen zinloze aanslagen pleegde. Ze werd op 21 maart 1945 bij een wegversperring aan de Haarlemse Jan Gijzenkade (bij de Mauermuur) gearresteerd toen ze illegale bladen en een wapen bij zich bleek te hebben. Op het politiebureau van Haarlem ontdekten de Duitsers met wie ze van doen hadden. Het is Emil Rühl geweest die Hannie Schaft vanuit Haarlem naar het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg te Amsterdam heeft gebracht. Hoewel aan het einde van de oorlog een akkoord bestond tussen de bezetters en de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) om geen vrouwen om te brengen, werd Schaft drie weken voor het einde van de oorlog (op 17 april 1945) in opdracht van Willy Lages gefusilleerd in de duinen bij Bloemendaal.
Op 27 november 1945 werd haar stoffelijk overschot herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal te Overveen. Koningin Wilhelmina, prinses Juliana en prins Bernhard waren hierbij aanwezig. Voor haar strijd tegen de nazi’s kreeg Schaft het Verzetskruis 1940-1945 en een speciale Amerikaanse onderscheiding.